Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1086

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
202001888/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2020 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat Landview onder oplegging van een dwangsom van € 7.500,00 per overtreding, met een maximum van € 37.500,00, gelast om met onmiddellijke ingang herhaling van de overtreding van artikel 16 en artikel 18 van het Besluit bodemkwaliteit te voorkomen. Op het perceel De Roode Steen 14 te Hoorn heeft Aannemersbedrijf West-Friesland B.V. in opdracht van [bedrijf] graaf- en bouwwerkzaamheden laten uitvoeren. Het aanwezige gebouw zou met 50 m2 uitgebreid worden. Ter plaatse is sprake van een bodemverontreiniging. Landview heeft namens [bedrijf] opgetreden als saneerder van de bodemverontreiniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001888/1/R1.

Datum uitspraak: 17 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van Landview B.V., gevestigd te Zwaag, gemeente Hoorn, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) in het geding tussen:

verzoekster,

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2020 heeft de staatssecretaris Landview onder oplegging van een dwangsom van € 7.500,00 per overtreding, met een maximum van € 37.500,00, gelast om met onmiddellijke ingang herhaling van de overtreding van artikel 16 en artikel 18 van het Besluit bodemkwaliteit (hierna het Bbk) te voorkomen.

Tegen dit besluit heeft Landview bezwaar gemaakt.

Landview heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1.    In verband met de uitbraak van het coronavirus kon een zitting in deze zaak niet plaatsvinden. Omdat de overgelegde stukken in deze zaak naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende inzicht bieden in de standpunten van partijen en partijen niet in hun belangen worden geschaad, zal de voorzieningenrechter, gelet op het aanwezige spoedeisend belang, uitspraak doen zonder zitting met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.

2.    Op het perceel De Roode Steen 14 te Hoorn heeft Aannemersbedrijf West-Friesland B.V. in opdracht van [bedrijf] graaf- en bouwwerkzaamheden laten uitvoeren. Het aanwezige gebouw zou met 50 m2 uitgebreid worden. Ter plaatse is sprake van een bodemverontreiniging. Landview heeft namens [bedrijf] opgetreden als saneerder van de bodemverontreiniging.

3.    Op 22 oktober 2018 heeft Landview een melding op basis van het Besluit uniforme saneringen (hierna: BUS) ingediend, waarin is aangegeven dat een duurzame aaneengesloten afdeklaag van 50 m2 ter plaatse van de uitbreiding van het pand zal worden aangebracht om verdere bodemverontreiniging te voorkomen op de delen waar door het graafwerk in de sterk verontreinigde grond zal worden geroerd. Vervolgens heeft Landview op 18 januari 2019 een melding einde sanering en een daarmee samenhangend evaluatieverslag ingediend, waarin staat vermeld dat de aaneengesloten duurzame afdeklaag is aangebracht.

    Bij een controle op 23 januari 2019 heeft de afdeling Toezicht & Handhaving van de Regionale uitvoeringsdienst Noord-Holland-Noord (hierna: RUD) geconstateerd dat de afdeklaag, anders dan in het evaluatieverslag van Landview staat vermeld, niet is aangebracht. Op 14 februari 2019 heeft de RUD melding gemaakt bij het toezichtloket van de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT) van een mogelijke overtreding van het Bbk.

    Gezien het vorenstaande stelt de staatssecretaris zich in de last onder dwangsom op het standpunt dat sprake is van een overtreding van artikel 16 en artikel 18 van het Bbk.

4.    Artikel 16 van het Bbk luidt:

"Het is een persoon of instelling verboden een resultaat van een werkzaamheid te gebruiken of aan een ander ter beschikking te stellen indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat dit resultaat, gelet op het doel waarvoor dit wordt gebruik, geen betrouwbaar beeld verschaft van de eigenschappen, aard, hoedanigheid of samenstelling van de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof."

    Artikel 18 luidt:

"1. Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren in strijd met het daarvoor geldende normdocument.

2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het afwijken van het normdocument bij wettelijk voorschrift is toegestaan."

5.    De bij het besluit van 11 februari 2020 opgelegde last onder dwangsom luidt als volgt:

"1. Landview dient met onmiddellijke ingang herhaling van de overtreding van artikel 16 van het Besluit bodemkwaliteit te voorkomen door voortaan het resultaat van een werkzaamheid enkel nog ter beschikking te stellen, indien Landview B.V. weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het resultaat, gelet op het doel waarvoor het wordt gebruikt, een betrouwbaar beeld verschaft van de eigenschappen, aard, hoedanigheid of samenstelling van de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof.

2. Landview B.V. dient met onmiddellijke ingang herhaling van de overtreding van artikel 18 van het Besluit bodemkwaliteit te voorkomen door voortaan de werkzaamheid "milieukundige begeleiding die bestaat uit verificatie en processturing bij een sanering van bodem of uit processturing bij een ingreep in de bodem of oever van een oppervlaktelichaam als bedoeld in artikel 1.1. van de Waterwet, waarbij meer dan 1000 m3 van die bodem of over van een oppervlaktewaterlichaam de interventiewaarden, bedoeld in tabel 2 van bijlage 8, overschrijdt" uit te voeren conform de essentiële eisen §7.2.1 van Protocol 6001, zoals aangegeven in het document Essentiële eisen ILT-toezicht, versie 1.2 van 6 oktober 2016."

6.    Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat de werking van het besluit van 11 februari 2020 wordt geschorst tot zes weken nadat de staatssecretaris heeft beslist op het door Landview daartegen gemaakte bezwaar.

    Landview heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat geen sprake is van een overtreding van artikel 16 van het Bbk. Zij onderbouwt dit door erop te wijzen dat ten tijde van het indienen van de melding einde sanering het voornemen bestond een afdeklaag van beton te realiseren. De afdeklaag was niet meer nodig ten behoeve van de sanering van de grond en zou daarom later kunnen worden gerealiseerd. Voorts stelt Landview dat, aangezien er met een isolatielaag werd gewerkt, geen sprake is van een eindbemonstering als bedoeld in paragraaf 7.2.1 van Protocol 6001, zodat evenmin sprake is van een overtreding van artikel 18 van het Bbk.

7.    Over de vraag of in afwachting van het besluit van de staatssecretaris op het door Landview gemaakte bezwaar aanleiding bestaat tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

    In de door Landview naar voren gebrachte zienswijze van 12 december 2019 over het voornemen van de staatssecretaris tot het opleggen van een last onder dwangsom heeft zij vermeld dat zij zich kan vinden in de feitelijke constateringen van de RUD van 23 januari 2019 dat de duurzame afdeklaag nog niet was aangebracht in tegenstelling tot hetgeen in het evaluatieverslag van 18 januari 2019 door Landview was aangegeven. Volgens Landview is echter - samengevat weergegeven - de bodemkwaliteit niet gewijzigd ten opzichte van de situatie van voor de BUS-melding en is er om die reden geen sprake van overtreding van artikel 16 van het Bbk. Wel erkent Landview dat zij in dit geval bij nader inzien ook beter meteen had kunnen kiezen voor een procedure op basis van de Wet bodembescherming of een BUS-melding Tijdelijk Uitplaatsen.   

    Hoewel uit het voorgaande naar voren komt dat het handelen van Landview in ieder geval in zoverre op gespannen voet staat met het Bbk vergt de vraag of Landview in strijd heeft gehandeld met zowel artikel 16 alsook artikel 18 van het Bbk, en in het bijzonder of, en zo ja op welke wijze, sprake is van een overtreding van Protocol 6001, paragraaf 7.2.1, nader onderzoek. In het kader van de beslissing op bezwaar dient dit nader te worden onderzocht.

    De staatssecretaris heeft desgevraagd aangegeven dat in het voorliggende geval inmiddels geen sprake meer is van een overtreding van artikel 16 en artikel 18 van het Bbk en het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom zijn zin ontleent aan het voorkomen van herhaling van de betreffende overtredingen. Hoewel de voorzieningenrechter oog heeft voor het milieubelang dat de staatssecretaris met het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom beoogt te dienen, ziet de voorzieningenrechter, gelet op het voorgaande, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de uitvoering van de last zodanig spoedeisend is, dat het besluit op bezwaar niet kan worden afgewacht. Hierbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat er andere procedures zijn over overtredingen van Landview in het kader van de regelgeving voor bodemsanering. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat sinds de melding van de RUD aan de ILT op 14 februari 2019 van een mogelijke overtreding van het Bbk nagenoeg een jaar is verstreken alvorens de staatssecretaris het besluit tot handhaving heeft genomen.

8.    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter na afweging van de betrokken belangen aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

9.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 11 februari 2020, kenmerk 311153/LOD, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat tot vergoeding van bij Landview B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aan Landview B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 354,00 (zegge: driehonderdvierenvijftig) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2020

191-890.