Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
201902812/1/R3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:722, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westerkwartier, voorheen de gemeente Leek aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een veestal op het perceel [locatie 1] te Zevenhuizen en voor het wijzigen van het bedrijf door uitbreiding van het aantal te huisvesten dieren. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren, omdat het project in strijd is met de Omgevingsverordening provincie Groningen 2016. Volgens hen ziet het project niet op een bestaande intensieve veehouderij in de zin van die verordening, omdat de intensieve veehouderij op het perceel als beëindigd moet worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0083
ABkort 2020/215
JOM 2020/229
Module Ruimtelijke ordening 2020/8345
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8248
JGROND 2020/84 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
JGROND 2020/119 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/84 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/119 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902812/1/R3.

Datum uitspraak: 15 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C] (hierna: [appellant] en anderen), wonend te Zevenhuizen, gemeente Westerkwartier,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 februari 2019 in zaak nr. 18/181 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Westerkwartier, voorheen de gemeente Leek.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2017 heeft het college, opnieuw beslissend op de aanvraag, aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van een veestal op het perceel [locatie 1] te Zevenhuizen en voor het wijzigen van de inrichting door uitbreiding van het aantal te huisvesten dieren.

Bij uitspraak van 27 februari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2020, waar [appellant A], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en bijgestaan door [gemachtigde B], en het college, vertegenwoordigd door S.P. van Sloten en C. Struikenkamp, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vergezeld door [gemachtigde C], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] en anderen wonen op de percelen [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 3] te Zevenhuizen. [vergunninghouder] is eigenaar van het perceel [locatie 1] (hierna: het perceel). Op 15 juli 2013 heeft [vergunninghouder] omgevingsvergunning aangevraagd voor het in afwijking van het bestemmingsplan "Buitengebied Leek" (hierna: het bestemmingsplan) realiseren van een nieuwe vleesvarkensstal ter plaatse van de bestaande stallen ten behoeve van een intensieve veehouderij en voor het veranderen van de inrichting door uitbreiding van het aantal te huisvesten vleesvarkens van 601 naar 2.980 (hierna: het project). Het project is in strijd met het bestemmingsplan, omdat een intensieve veehouderij slechts is toegestaan op gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1" en de aanduiding "intensieve veehouderij". Aan het perceel is wel de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1" toegekend, maar niet de aanduiding "intensieve veehouderij".

    Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning aanvankelijk bij besluit van 10 december 2014 verleend met - voor zover het gaat om de afwijking van het bestemmingsplan mogelijk te maken - toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Bij uitspraak van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2734) heeft de Afdeling dit besluit vernietigd, omdat aan dit besluit mede een verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) van de raad van de gemeente Leek (tegenwoordig de raad van de gemeente Westerkwartier; hierna: de raad) ten grondslag was gelegd, zonder dat voorafgaand aan de afgifte van die vvgb een ontwerp daarvan ter inzage was gelegd.

    Bij besluit van 12 december 2017 heeft het college, opnieuw beslissend op de aanvraag van [vergunninghouder] van 15 juli 2013, de omgevingsvergunning wederom met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo verleend. Daaraan heeft het mede een nieuwe vvgb van de raad ten grondslag gelegd.

    [appellant] en anderen kunnen zich niet met de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning en de daaraan ten grondslag liggende vvgb verenigen.

Omgevingsverordening 2016

2.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren, omdat het project in strijd is met de Omgevingsverordening provincie Groningen 2016 (hierna: de Omgevingsverordening 2016). Volgens hen ziet het project niet op een bestaande intensieve veehouderij in de zin van die verordening, omdat de intensieve veehouderij op het perceel als beëindigd moet worden beschouwd. Volgens hen heeft de rechtbank haar oordeel dat het project in overeenstemming is met de Omgevingsverordening 2016 ten onrechte gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016 over het eerdere besluit, waarin nog de Omgevingsverordening provincie Groningen 2009 (hierna: de Omgevingsverordening 2009) aan de orde was. Zij voeren daarbij aan dat de stallen al in 2014 zijn leeggehaald naar aanleiding van een opgelegde last onder dwangsom, omdat deze in strijd met het Besluit ammoniakemissie huisvesting niet emissiearm waren uitgevoerd. Daaraan voegen zij toe dat de stallen al in 2010 in strijd met dat Besluit waren en dat het college daartegen toen al handhavend had moeten optreden.

2.1.    Op kaart 10, behorende bij de Omgevingsverordening 2016, is het perceel gelegen in groen gebied.

    Artikel 2.25 van de Omgevingsverordening 2016 luidt:

"In deze titel en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

q. nieuwvestiging intensieve veehouderij: het bestemmen van gronden voor intensieve veehouderij anders dan het vastleggen van bestaande rechten als bedoeld in artikel 2.3 van deze verordening;

[…]."

    Artikel 2.29.1 luidt:

"Een bestemmingsplan voorziet niet in nieuwvestiging van een hoofd- of neventak intensieve veehouderij noch in uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij."

    Artikel 2.29.3, tweede lid, luidde ten tijde van het bestreden besluit:

"In afwijking van artikel 2.29.1 kan een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een agrarisch bedrijf waar ten tijde van de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening reeds intensieve veehouderij wordt uitgeoefend en dat gelegen is binnen een op kaart 10 aangegeven groen gebied voorzien in een toename van stalvloeroppervlakte ten behoeve van intensieve veehouderij tot een oppervlakte van maximaal 7500 m² dan wel maximaal de bestaande stalvloeroppervlakte voor zover groter dan 7500 m²."

    Artikel 2.29.5 (rechtstreeks werkende regels tot 1 januari 2019) luidt:

"Tot 1 januari 2019 is het verboden om een hoofd- of neventak intensieve veehouderij te starten. Ook is het verboden om de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij uit te breiden, als dit leidt tot een grotere stalvloeroppervlakte dan:

[…]

c. 7500 m², of de bestaande stalvloeroppervlakte indien reeds groter dan 7500 m², indien het bedrijf is gelegen binnen een op kaart 10 aangegeven groen gebied."

2.2.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden uitgegaan van een bestaande intensieve veehouderij, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2734). Dat betekent volgens het college dat uitbreiding van de stalvloeroppervlakte tot maximaal 7.500 m2 is toegestaan.

2.3.    In de bedoelde uitspraak van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2734) heeft de Afdeling de vraag beantwoord of het project in overeenstemming was met de voorheen geldende Omgevingsverordening 2009. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het gebruik van het perceel ten behoeve van intensieve veehouderij met 601 vleesvarkens planologisch is toegestaan, omdat dit gebruik werd beschermd door het overgangsrecht van het bestemmingsplan. De Afdeling heeft overwogen dat daarom geen sprake was van nieuwvestiging als bedoeld in de Omgevingsverordening 2009, maar van bestaand gebruik. Gelet daarop stond de Omgevingsverordening 2009 in dit geval vergroting van de staloppervlakte van de intensieve veehouderij tot maximaal 7.500 m2 toe. Het bouwplan was hiermee in overeenstemming.

2.4.    De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de regeling over intensieve veehouderijen in de Omgevingsverordening 2016 op een andere wijze zou moeten worden uitgelegd dan die in de Omgevingsverordening 2009. De beoordeling of sprake is van een nieuwvestiging als bedoeld in artikel 2.29.1, dan wel van een agrarisch bedrijf waar ten tijde van de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening 2016 al intensieve veehouderij werd uitgeoefend als bedoeld in artikel 2.29.3, tweede lid, dient dan ook op dezelfde wijze te worden gemaakt als de Afdeling in haar uitspraak van 19 oktober 2016 heeft gedaan. Voor de toetsing aan de rechtstreeks werkende bepaling van artikel 2.29.5 is dat niet anders. Dat betekent dat moet worden bezien of het gebruik van het perceel ten behoeve van een intensieve veehouderij op de in artikel 2.29.3, tweede lid, bedoelde peildatum van de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening 2016 nog altijd planologisch was toegestaan, doordat het nog altijd werd beschermd door het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan.

2.5.    De Omgevingsverordening 2016 is op 12 juli 2016 in werking getreden. Het bij het bestemmingsplan behorende overgangsrecht, zoals dat op die peildatum gold, is neergelegd in artikel 53 van de planregels.

    Lid 53.2.1 luidt:

"Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag naar die aard en omvang worden voortgezet […]."

    Lid 53.2.3 luidt:

"Indien het gebruik, bedoeld in 53.2.1 na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten."

2.6.    Anders dan in de situatie waarop de uitspraak van 19 oktober 2016 betrekking had, was het gebruik van het perceel ten behoeve van een intensieve veehouderij op de peildatum van 12 juli 2016 feitelijk al meer dan een jaar onderbroken. Vastgesteld moet echter worden dat de duur van deze onderbreking van meer dan een jaar buiten de invloedssfeer van [vergunninghouder] lag. [vergunninghouder] had zijn stallen in 2014 leeggehaald om uitvoering te geven aan een last onder dwangsom. Het college had hem deze last op 8 april 2014 opgelegd, omdat de stallen niet in overeenstemming met het toen geldende Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (tegenwoordig: het Besluit emissiearme huisvesting) emissiearm waren uitgevoerd. [vergunninghouder] had echter al op 15 juli 2013 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend om zijn stallen in overeenstemming te brengen met dat Besluit. Negen maanden nadien was daar nog steeds niet op beslist, maar is hem wel een last onder dwangsom opgelegd om het met dat Besluit strijdig gebruik te staken. [vergunninghouder] heeft daarop het gebruik tijdelijk onderbroken, in afwachting van de vergunning. Aanvankelijk is de vergunning ook binnen een jaar na de onderbreking verleend. Dat de Afdeling deze vervolgens vernietigde, berustte uitsluitend op procedurele gronden. De intentie van [vergunninghouder] om het gebruik van het perceel ten behoeve van een intensieve veehouderij voort te zetten is steeds evident geweest. Naar het oordeel van de Afdeling is het college er onder deze omstandigheden terecht van uitgegaan dat de veehouderij van [vergunninghouder] op de peildatum van 12 juli 2016 nog werd beschermd door het overgangsrecht van het bestemmingsplan, en daarmee voor de toepassing van de Omgevingsverordening 2016 als een bestaande intensieve veehouderij had te gelden.

2.7.    De conclusie is dat het college er terecht van is uitgegaan dat de aanvraag om omgevingsvergunning in overeenstemming is met de Omgevingsverordening 2016. Het betoog faalt.

Totstandkoming verklaring van geen bedenkingen

3.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de door de raad afgegeven vvgb niet aan het besluit van 12 december 2017 ten grondslag mocht leggen, en ten onrechte niet is ingegaan op de beroepsgronden die [appellant] en anderen hierover naar voren hebben gebracht. Volgens hen is de vvgb niet op juiste wijze tot stand gekomen, nu de raad door toedoen van het college geen kennis heeft genomen van de stukken waarnaar [appellant] en anderen in hun zienswijze hebben verwezen. Daar komt bij dat het college pas kort voor de behandeling in de raadsvergadering, en na ontvangst van deze zienswijze, alsnog berekeningen van cumulatieve geurbelasting heeft opgesteld. Over deze berekeningen hebben [appellant] en anderen ten onrechte geen zienswijze meer kunnen geven. De raad heeft over de berekeningen ook geen eigen oordeel gevormd. Verder heeft de raad het besluit tot afgifte van de vvgb in het geheel niet gemotiveerd, aldus [appellant] en anderen.

3.1.    Artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) luidt:

"Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, […]".

    Artikel 3.11, derde lid, van de Wabo luidt:

"Zienswijzen die overeenkomstig artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht naar voren worden gebracht, en adviezen van de krachtens artikel 2.26 aangewezen adviseurs kunnen mede betrekking hebben op het ontwerp van de verklaring. Voor zover dat het geval is, zendt het bevoegd gezag ze onverwijld aan het bestuursorgaan dat de verklaring geeft. Dit deelt zijn oordeel daarover mee aan het bevoegd gezag."

3.2.    In de eerder genoemde uitspraak van 19 oktober 2016 heeft de Afdeling overwogen dat het college aan het eerdere besluit van 10 december 2014 niet de door de raad op 3 september 2014 afgegeven vvgb ten grondslag mocht leggen, omdat geen ontwerp van die vvgb ter inzage had gelegen waarover belanghebbenden hun zienswijzen naar voren konden brengen.

    De nieuwe vvgb heeft wel in ontwerp ter inzage gelegen, samen met het ontwerpbesluit tot verlening van de omgevingsvergunning. [appellant] en anderen hebben gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om hierover een zienswijze naar voren te brengen. Deze zienswijze is door het college ter kennis van de raad gebracht, net als de stukken die ter inzage hebben gelegen en de door het college opgestelde nota "Zienswijzen en aanpassingen Omgevingsvergunning bouw varkensstal [locatie 1] Zevenhuizen" (hierna: de zienswijzennota). Verder heeft het college de raad bij brief van 5 december 2017 een berekening van de cumulatieve geurbelasting (ook wel aangeduid als de achtergrondbelasting) toegezonden. De raad heeft op 6 december 2017 besloten in te stemmen met het raadsvoorstel van 3 november 2017. Dat raadsvoorstel bevatte een samenvatting van het onderwerp, met als dictum het kennis nemen van de zienswijze van [appellant] en anderen, het instemmen met de inhoudelijke beantwoording van de zienswijze zoals opgenomen in de zienswijzennota en het afgeven van de vvgb.

3.3.    [appellant] en anderen hebben in hun zienswijze onder meer verwezen naar de eerder gevoerde procedure over de omgevingsvergunning van 10 december 2014 en de daarbij behorende stukken. Zij hebben aangegeven dat de eerder ingediende zienswijze en de stukken die tijdens de vorige procedure zijn ingediend bij de rechtbank en de Afdeling als ingelast moeten worden beschouwd. Uit deze algemene verwijzing vloeide voor het college niet de verplichting voort om de bedoelde stukken integraal ter kennis van de raad te brengen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat stukken die behoren bij de eerdere procedure niet zonder meer relevant zijn voor de hernieuwde beoordeling. Voor zover [appellant] en anderen zich op die stukken wensten te beroepen, was het aan hen om dat, zo nodig met overlegging van die stukken, in hun zienswijze te concretiseren.

3.4.    Niet in geschil is dat de raad voorafgaand aan zijn besluit tot afgifte van de vvgb door het college op de hoogte is gesteld van de nadere berekening van de geurbelasting, in reactie op de zienswijzen van [appellant] en anderen. De enkele omstandigheid, zoals gesteld door [appellant] en anderen, dat de raad deze informatie slechts kort voor de vergadering heeft ontvangen, leidt niet tot het oordeel dat de raad de berekeningen niet heeft betrokken dan wel heeft mogen betrekken bij de besluitvorming.

3.5.    Uit de Algemene wet bestuursrecht of enige andere wettelijke bepaling volgt niet dat de raad gehouden is indieners van zienswijzen door toezending of terinzagelegging in kennis te stellen van stukken of gegevens die na de terinzagelegging van het ontwerp van de vvgb aan hem bekend worden. Onder omstandigheden kan echter uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit over de vvgb aanleiding bestaan betrokkenen in kennis te stellen van dergelijke nadere stukken en aan hen gelegenheid te bieden daarop te reageren.

    Naar het oordeel van de Afdeling was in dit geval niet vereist dat [appellant] en anderen in de gelegenheid werden gesteld om alsnog te reageren op de berekening van de cumulatieve geurbelasting. De berekening heeft niet geleid tot een inhoudelijke verandering van het ontwerp van het besluit tot afgifte van een vvgb waarover [appellant] en anderen hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Daarin is de voorgrondbelasting van de gevraagde wijziging van de veehouderij van [vergunninghouder] al beoordeeld en werd al uitgegaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De berekening, die als uitkomst heeft dat de cumulatieve geurbelasting ten opzichte van de bestaande situatie vermindert, ondersteunde die aanname.

    Op de inhoudelijke gronden die [appellant] en anderen over de cumulatieve geurbelasting hebben aangevoerd gaat de Afdeling onder 6 en verder nader in.

3.6.     [appellant] en anderen menen ten onrechte dat de motivering van het besluit tot afgifte van de vvgb door de raad zelf moet worden opgesteld. Het staat de raad vrij om te volstaan met het instemmen met een gemotiveerd raadsvoorstel, zoals hij in dit geval heeft gedaan. Daarmee is het besluit tot afgifte van de vvgb voorzien van een motivering. De uitspraken van 23 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1414) en van 30 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3046), waarop [appellant] en anderen zich in dit verband beroepen, leiden niet tot een ander oordeel. In die zaken was niet de vraag aan de orde of voor de motivering van een besluit tot afgifte van een vvgb mag worden volstaan met een verwijzing naar een raadsvoorstel, maar de vraag of de motivering in het desbetreffende geval inhoudelijk voldoende was om het aangevochten besluit te kunnen dragen.

3.7.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college de vvgb van de raad om procedurele redenen niet aan zijn besluit tot verlening van de gevraagde omgevingsvergunning ten grondslag had mogen leggen. Het betoog faalt.

Afwijking bestemmingsplan, goede ruimtelijke ordening

4.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het project in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college en de raad zijn er ten onrechte van uitgegaan dat het perceel van [vergunninghouder] in het geldende bestemmingsplan abusievelijk niet de aanduiding "iv" voor intensieve veehouderij heeft gekregen. Bij de vaststelling van dat bestemmingsplan is daar welbewust van afgezien, omdat een intensieve veehouderij op dat perceel niet passend werd geacht. Bovendien was de intensieve veehouderij ten tijde van de aanvraag al enige jaren in werking in strijd met het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en heeft het college dat op onjuiste gronden gedoogd. Gelet hierop mochten omwonenden ervan uitgaan dat op het perceel geen intensieve veehouderij meer zou worden toegestaan, aldus [appellant] en anderen.

4.1.    Het college heeft op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo, de bevoegdheid om met een goede ruimtelijke onderbouwing van het bestemmingsplan af te wijken. De raad heeft de bevoegdheid om daarvoor een vvgb af te geven. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden dienen college en raad acht te slaan op het belang van een goede ruimtelijke ordening. [appellant] en anderen beroepen zich op een planologische keuze die in 2003 is gemaakt, terwijl het geldende bestemmingsplan daarna, enkele jaren vóór het bestreden besluit, door de raad is vastgesteld. Dit betekent dat, anders dan [appellant] en anderen aanvoeren, de rechtbank geen aanleiding hoefde te vinden om in te gaan op de vraag of de raad bij het vaststellen van het bestemmingsplan destijds al dan niet welbewust heeft afgezien van het mogelijk maken van een intensieve veehouderij op het perceel. Ook voor zover dat het geval is, staat dat niet in de weg aan de bevoegdheid van het college en de raad om nu - binnen de grenzen van een goede ruimtelijke ordening - een andere keuze te maken. Hetzelfde geldt voor de gestelde omstandigheid dat de veehouderij op het perceel al vanaf 1 januari 2010 in strijd was met het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en deze overtreding niet tijdelijk door het college had mogen worden gedoogd, zodat het in de rede lag dat de veehouderij op dat moment al zou zijn beëindigd. Aan die omstandigheid, wat daar verder ook van zij, kon niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat een intensieve veehouderij op een later moment in het geheel niet meer planologisch zou worden toegestaan op het perceel.

    Het betoog faalt.

Woning [locatie 1]

5.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de woning aan de [locatie 1] geen deel uitmaakt van de inrichting waarop de gevraagde wijziging ziet, zodat het college deze woning bij de beoordeling van de milieugevolgen van die wijziging ten onrechte niet als gevoelig object heeft aangemerkt.

5.1.    Anders dan [appellant] en anderen betogen, blijkt uit de aanvraag met bijbehorende stukken - waaronder de ruimtelijke onderbouwing en de nadere informatie in de door de rechtbank aangehaalde brief van Agrifirm Exlan van 31 oktober 2013 - genoegzaam dat de woning aan de [locatie 1] in de aanvraag om omgevingsvergunning is aangeduid als binnen de grenzen van de inrichting aanwezige bedrijfswoning. Overigens is deze woning, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in het bestemmingsplan ook als zodanig bestemd. De stelling van [appellant] en anderen dat de woning feitelijk niet als bedrijfswoning wordt gebruikt, is niet relevant voor de beoordeling van de aanvraag. Het college heeft deze woning dan ook terecht buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de geurbelasting en de gevolgen voor de luchtkwaliteit vanwege de gevraagde inrichting.

    Het betoog faalt.

Cumulatieve geurbelasting

6.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat aan de berekening van de cumulatieve geurbelasting verschillende onjuiste uitgangspunten ten grondslag liggen.

    In de eerste plaats voeren zij aan dat het college en de raad ten onrechte de gevolgen van het project hebben vergeleken met die van de oude milieuvergunning voor de veehouderij van [vergunninghouder]. Zij stellen zich op het standpunt dat die oude milieuvergunning al was vervallen.

    In de tweede plaats voeren zij aan dat de woning van [appellant B] aan de [locatie 3] ten onrechte niet in de berekening is betrokken.

    In de derde plaats voeren zij aan dat de bijdrage van veehouderijen zonder geuremissiefactor als bedoeld in de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: de Rgv) ten onrechte buiten beschouwing is gelaten. Bovendien is ook de bijdrage van de veehouderij aan de [locatie 5] volgens hen ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Zij betwisten dat deze veehouderij niet langer in werking mag zijn.

    Tot slot voeren zij aan dat in de berekening van onjuiste rendementen van de door [vergunninghouder] toe te passen luchtwassers is uitgegaan. Daarbij wijzen zij op de wijziging van de Rgv per 1 mei 2018, waarbij de rendementen van zekere luchtwassers naar beneden zijn bijgesteld, omdat de geurreductie van die luchtwassers in praktijksituaties lager bleken te zijn dan eerder aangenomen.

6.1.    De berekening van de cumulatieve geurbelasting die het college en de raad aan hun besluiten ten grondslag heeft gelegd, ziet op de bijdrage van zeven veehouderijen in een straal van 2 km rondom de veehouderij van [vergunninghouder] op vier geurgevoelige objecten aan de [locatie 6], [locatie 4], [locatie 2] en [locatie 7]. Volgens de berekening neemt de cumulatieve geurbelasting als gevolg van het project op elk van deze vier objecten af ten opzichte van de eerder vergunde situatie. De geurbelasting op het object [locatie 4] is volgens de berekening het hoogst en bedraagt 8,097 OU/m3. Dit wordt volgens de berekening aangemerkt als een "matige milieukwaliteit".

    Bij de beoordeling of de berekende cumulatieve geurbelasting aanvaardbaar is, hebben het college en de raad betrokken dat het gebied is te kwalificeren als landelijk gebied met verspreid liggende woningen en dat geen gevoelige groepen of bijzondere bestemmingen aanwezig zijn. Nu uit de berekening blijkt dat de cumulatieve geurbelasting in het gebied als gevolg van het project afneemt ten opzichte van de eerder vergunde situatie, leidt het project volgens het college en de raad niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

6.2.    Niet in geschil is dat voor het houden van 601 vleesvarkens aan de [locatie 1] op 11 juli 1977 een oprichtingsvergunning op grond van de vroegere Hinderwet is verleend. Geen reden bestaat om eraan te twijfelen dat deze vergunning, zoals het college in beroep naar voren heeft gebracht, nooit is ingetrokken. Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder e, van de Invoeringswet Wabo is deze vergunning vanaf 1 oktober 2010 gelijkgesteld met een omgevingsvergunning milieu. Een wijziging van het Bor heeft er vervolgens toe geleid dat voor het houden van 601 vleesvarkens vanaf 1 januari 2013 niet langer een omgevingsvergunning milieu was vereist. Wel was daarvoor vanaf dat moment een zogeheten omgevingsvergunning beperkte milieutoets vereist. Uit artikel X van het Besluit van 14 september 2012 tot wijziging van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (agrarische activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) (Stb. 2012, 441) opgenomen overgangsrecht volgt dat de vergunning voor het houden van 601 vleesvarkens op het perceel vanaf die datum moet worden gelijkgesteld met een dergelijke omgevingsvergunning beperkte milieutoets. [appellant] en anderen veronderstellen ten onrechte dat voor de voortzetting van het houden van 601 vleesvarkens daarnaast nog een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer was vereist.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college en de raad aan de hand van de berekening ten onrechte een vergelijking met de eerder vergunde situatie van de veehouderij van [vergunninghouder] hebben gemaakt.

6.3.    Het college heeft in beroep toegelicht dat de woning van [appellant B] aan de [locatie 3] niet bij de berekening van de cumulatieve geurbelasting is betrokken, omdat deze woning verder van de veehouderij van [vergunninghouder] af ligt dan de vier beoordeelde objecten en omdat de voorgrondbelasting van de inrichting aan de [locatie 8] daar maatgevend is. Uit de berekening van de voorgrondbelasting blijkt volgens het college bovendien dat de geurbelasting als gevolg van het project zal afnemen ten opzichte van de eerder vergunde situatie.

    Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat ook een berekening van de cumulatieve geurbelasting voor de woning aan de [locatie 3] was vereist om de gevolgen van de gevraagde omgevingsvergunning voor een goed woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen.

6.4.    De berekening van de cumulatieve geurbelasting is gemaakt met toepassing van het rekenmodel V-stacks. In het aanvullende deskundigenbericht van 16 augustus 2018 dat de Stichting advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening in beroep heeft uitgebracht, staat dat voor het bepalen van de bijdrage aan de geurbelasting door veehouderijen zonder geuremissiefactor geen omrekenfactoren of regels bestaan. Het gebruiken van schattingen of reserveringen, zoals wordt aanbevolen in de handleiding V-stacks Gebied waarop [appellant] en anderen in beroep hebben gewezen, zou volgens het deskundigenbericht nog wel kunnen in geval van een onderbouwing van een geurverordening voor een gemeentelijk gebied, maar is niet goed toepasbaar voor het bepalen van de cumulatieve geurbelasting van een gevoelig object. Daarbij gaat het, aldus het deskundigenbericht, immers al snel over het al dan niet overschrijden van een grenswaarde, en is dus een grotere nauwkeurigheid vereist dan zou kunnen worden bereikt op basis van inschattingen. Bovendien is voor wat betreft de onderhavige situatie niet op voorhand duidelijk of deze voldoet aan de in de Gebruikershandleiding genoemde "clustering van grote melkveehouderijen aan de rand van een woonbebouwing of een clustering van pelsdierfokkerijen", op grond waarvan rekening houden met de geurbijdrage van deze bedrijven aangewezen zou zijn.

    [appellant] en anderen hebben geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het college en de raad niettemin waren gehouden om ook de bijdrage van veehouderijen zonder geuremissiefactor aan de cumulatieve geurbelasting in de berekening te betrekken. Voor veehouderijen zonder geuremissiefactor gelden minimale afstanden tot geurgevoelige objecten. Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de veehouderijen zonder geuremissiefactor in de omgeving daaraan voldoen. Gelet daarop mochten het college en de raad ervan uitgaan dat de bijdrage van veehouderijen zonder geuremissiefactor aan de cumulatieve geurbelasting niet maakt dat het project tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat leidt.

6.5.    Wat betreft de bijdrage van de veehouderij aan de [locatie 5] aan de cumulatieve geurbelasting is het college teruggekomen van zijn aanvankelijke stelling dat de vergunningen voor deze veehouderij destijds zijn ingetrokken. Dat neemt niet weg dat het college heeft aangetoond dat deze veehouderij sinds 2014 niet meer in werking is en dat de ammoniakrechten zijn verkocht, terwijl het bestemmingsplan het opnieuw uitoefenen van een intensieve veehouderij ter plaatse niet toestaat. Gelet hierop bestond geen aanleiding om in de berekening van de cumulatieve geurbelasting uit te gaan van een bijdrage van deze veehouderij aan de cumulatieve geurbelasting.

6.6.    De rechtbank heeft het aangevochten besluit tot verlening van de gevraagde omgevingsvergunning terecht beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold ten tijde van dat besluit. Dat betekent dat de voorgrondbelasting van de veehouderij van [vergunninghouder] diende te worden bepaald aan de hand van geuremissiefactoren in bijlage 1 van de Rgv zoals die ten tijde van het besluit op 12 december 2017 luidde. Het college heeft dat ook gedaan. Hieruit volgde dat de voorgrondbelasting ten opzichte van de eerder vergunde situatie afneemt. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college voor het bepalen van de achtergrondbelasting van een andere bijdrage van de veehouderij van [vergunninghouder] had moeten uitgaan. De rechtbank heeft bij de beoordeling van het aangevochten besluit dan ook terecht geen betekenis toegekend aan de op 20 juli 2018 in werking getreden wijziging van de geuremissiefactoren in bijlage 1 van de Rgv als gevolg van gewijzigde inzichten over de rendementen van combi-luchtwassers.

6.7.    De conclusie is dat de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat het college en de raad de berekening van de cumulatieve geurbelasting niet aan hun besluit ten grondslag hadden mogen leggen. Gelet op de uitkomst van die berekening en de afname van de geurbelasting ten opzichte van de eerder vergunde situatie, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college en de raad zich in redelijkheid op het standpunt konden stellen dat de gevraagde wijziging wat betreft het aspect geur niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dat, zoals [appellant] en anderen naar voren hebben gebracht, in de berekening is vermeld dat de berekende cumulatieve geurhinder leidt tot een matige milieukwaliteit, is onvoldoende voor het oordeel dat het college en de raad van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat hadden moeten uitgaan.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2020

727.