Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1077

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
201901918/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2016 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het verzoek van [appellant] om vanwege geuroverlast handhavend op te treden tegen [belanghebbende] te Helmond, afgewezen. [belanghebbende] exploiteert een overslag- en mestverwerkingsbedrijf. Het zuidelijke deel van de inrichting wordt gebruikt voor onder meer de op- en overslag van zand, grond, bouwstoffen, puin, schroot en verschillende soorten afvalstoffen. Het noordelijke deel van de inrichting wordt gebruikt voor de op- en overslag van natte mest in verschillende smalle, hoge silo’s alsmede voor het drogen van meststoffen met een hoog droog stofgehalte, zoals kippenmest. De gedroogde meststoffen worden tot korrels geperst en daarna opgeslagen en opgezakt. De gereinigde proceslucht en de afgezogen lucht uit het opslaggebouw wordt via een schoorsteen van 40 m boven het maaiveld afgevoerd naar de buitenlucht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/207
JGROND 2020/117 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
AB 2020/291 met annotatie van E.E. Grit
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901918/1/A1.

Datum uitspraak: 15 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 januari 2019 in zaak nr. 17/2287 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2016 heeft het college het verzoek van [appellant] om vanwege geuroverlast handhavend op te treden tegen [belanghebbende] te Helmond, afgewezen.

Bij besluit van 11 juli 2017 heeft het college het door onder meer [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, voor het overige ongegrond verklaard en het besluit van 10 november 2016 in stand gelaten.

Bij besluit van 20 november 2018 heeft het college het besluit van 11 juli 2017 ingetrokken en het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 10 november 2016 alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 24 januari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 11 juli 2017, en ongegrond verklaard, voor zover dat betrekking heeft op het besluit van 20 november 2018. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld op 29 oktober 2019, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.L. van Kalsbeek en mr. P. Lobregt, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Na de zitting heeft de enkelvoudige kamer de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

[appellant], het college en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting van een meervoudige kamer behandeld op 16 maart 2020, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M.C. de Krosse-de Ridder, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [belanghebbende] exploiteert een overslag- en mestverwerkingsbedrijf op het perceel [locatie] te Helmond. Het zuidelijke deel van de inrichting wordt gebruikt voor onder meer de op- en overslag van zand, grond, bouwstoffen, puin, schroot en verschillende soorten afvalstoffen. Het noordelijke deel van de inrichting wordt gebruikt voor de op- en overslag van onder andere natte mest in verschillende smalle, hoge silo’s alsmede voor het drogen van meststoffen met een hoog droog stofgehalte, zoals kippenmest. De gedroogde meststoffen worden tot korrels geperst en daarna opgeslagen en opgezakt. De gereinigde proceslucht en de afgezogen lucht uit het opslaggebouw wordt via een schoorsteen van 40 m boven het maaiveld afgevoerd naar de buitenlucht. Aan [belanghebbende] zijn verschillende (omgevings)vergunningen verleend.

2.    [appellant] woont op circa 1.400 m ten noordoosten van de grens van de inrichting van [belanghebbende] aan de oostzijde van de woonwijk Brouwhuis te Helmond, en heeft het college gevraagd om handhavend op te treden vanwege door hem ervaren geuroverlast ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting van [belanghebbende].

3.    De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit van 20 november 2018 ongegrond verklaard, omdat hij ter plaatse van zijn woning geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van [belanghebbende] en daardoor niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3254). In deze uitspraak heeft de Afdeling het volgende overwogen: "De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is. Niet aannemelijk is dat [appellant] ter plaatse van zijn woning milieugevolgen van enige betekenis van [belanghebbende] ondervindt. [appellant] woont op een afstand van 1.400 m ten noordoosten van [belanghebbende]. Hoewel door het college niet is bestreden dat kippenmest een van andere geuren te onderscheiden geur is, is, gelet op die afstand, niet vast komen te staan dat de geur ter plaatse van de woning van [appellant] is te herleiden tot [belanghebbende]. Daarbij is van belang dat in de nabije omgeving van [belanghebbende], zoals ter zitting door partijen is toegelicht, andere mogelijk geurveroorzakende bedrijven zijn gelegen, waaronder een slachterij en een meng- en veevoederbedrijf."

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Volgens [appellant] heeft de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018 ten onrechte gevolgd, omdat het college verplicht is om zelf vast te stellen wat de bron van de door hem ondervonden geurhinder is. Ook stelt [appellant] dat de emissie van [belanghebbende] een groot deel van de tijd veel hoger is dan vergund, zodat ter plaatse van zijn woning gevolgen van enige betekenis worden ondervonden. [appellant] wijst in dit verband op het in opdracht van de gemeente Helmond en de provincie Noord-Brabant uitgevoerde eNose onderzoek van 9 mei 2018 en zijn analyses van het klachtenpatroon in relatie tot de filtervervanging bij [belanghebbende]. Verder stelt [appellant] dat de balans al jaren doorslaat in het voordeel van [belanghebbende]. Volgens hem kunnen mensen die op een grotere afstand wonen van de inrichting niet bij voorbaat niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet vaststaat of het bedrijf conform vergunning in werking is. Indien dit laatste niet het geval is, kan geur verder reiken dan berekend of verwacht, aldus [appellant].

4.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

    Artikel 1:3, derde lid, luidt: "Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen."

4.2.    Het verzoek van [appellant] om vanwege geuroverlast handhavend op te treden tegen [belanghebbende], dateert van 30 juni 2016. Een dergelijk verzoek kan slechts worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb als het is ingediend door een belanghebbende.

4.3.    Uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit in beginsel belanghebbende is. In de rechtspraak van de Afdeling is een correctie op dit uitgangspunt aanvaard in het geval gevolgen van enige betekenis ontbreken. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen van een activiteit wel zijn vast te stellen, maar die gevolgen voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene zo gering zijn dat een persoonlijk belang bij een over de activiteit te nemen besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder meer geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

    Indien bepaalde milieugevolgen zijn genormeerd door een afstandseis, een contour of een grenswaarde, is deze norm niet bepalend voor de vraag of de betrokkene belanghebbende is bij het besluit. Indien het besluit en de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, komt de vraag of aan die norm wordt voldaan aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.

    De kring van belanghebbenden kan verschillen naar gelang de aard van het besluit. Zo hoeft de kring van belanghebbenden bij een handhavings-besluit niet altijd samen te vallen met de kring van belanghebbenden bij een besluit tot vergunningverlening.

    Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het de taak van het bestuursorgaan om de kring van belanghebbenden vast te stellen aan de hand van (onderzoek naar) de feitelijke gevolgen van het besluit. Uiteindelijk is het aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbende bij een besluit zijn. De betrokken rechtzoekende hoeft derhalve niet zelf aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Slechts indien tijdens de procedure de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken en dus de vraag of er aanleiding is de correctie toe te passen, kan en mag van de betrokkene worden gevraagd uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden. Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.

4.4.    Blijkens het door [belanghebbende] overgelegde advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB) van 17 december 2018 met kenmerk STAB-40700 over het besluit van het college van 25 april 2018 tot het opleggen van maatwerkvoorschriften geur krachtens de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit aan [belanghebbende], stelt het college zich op basis van het "Geurbelevingsonderzoek Brouwhuis Helmond 2015-2016", uitgevoerd door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, projectnummer 223610 (hierna: het geurbelevingsonderzoek), op het standpunt dat niet is uitgesloten dat [belanghebbende] verantwoordelijk is voor de tijdens het geurbelevingsonderzoek geconstateerde duidelijk waarneembare geur, welke - tijdens twee looprondes in oktober 2015 in het zuiden en het westen van de wijk Brouwhuis - kon worden gekwalificeerd als ernstige hinder. Uit het geurbelevingsonderzoek blijkt dat tijdens voormelde looprondes ter hoogte van de woning van [appellant] eveneens geur is waargenomen, maar dat dit een aanzienlijk lichtere geur betrof die niet als ernstige hinder kon worden aangemerkt. Hoewel het geurbelevingsonderzoek geen veroorzaker van de geur aanwijst, kan gelet op het vorenstaande niet worden uitgesloten dat [appellant] ter plaatse van zijn woning feitelijke gevolgen van (onder meer) het in werking zijn van de inrichting van [belanghebbende] ondervindt.

4.5.    Het is vervolgens de vraag of ter plaatse van de woning van [appellant] gevolgen van enige betekenis worden ondervonden. Daarvan is niet gebleken. [appellant] verwijst naar het onder 4 vermelde eNose onderzoek van 9 mei 2018. In het onder 4.4 vermelde StAB-advies staat echter dat de eNose bij [belanghebbende] op de verkeerde plek is geplaatst, omdat deze te dicht bij bochten en verstoringen is gesitueerd en dat daarom geen betrouwbaar resultaat is verkregen. Zoals het college terecht heeft gesteld, toont het eNose onderzoek daarnaast niet aan in welke delen van de wijk Brouwhuis sprake is van relevante geurhinder. Dit rapport kan daarom niet dienen ter motivering van het standpunt dat sprake is van gevolgen van enige betekenis ter plaatse van de woning van [appellant]. Verder heeft [appellant] met zijn analyses van de klachten in relatie tot de emissie bij [belanghebbende] en het aantal dagen na de filtervervanging willen aantonen dat [belanghebbende] verantwoordelijk is voor de geurhinder in de wijk Brouwhuis. Daargelaten dat [appellant] de onderliggende stukken van zijn analyses niet heeft overgelegd, blijkt uit deze analyses evenmin dat hij ter plaatse van zijn woning geurhinder van enige betekenis ondervindt. Op basis van de in de onderhavige procedure overgelegde stukken ziet de Afdeling daarom geen grond voor het oordeel dat [appellant] ter plaatse van zijn woning gevolgen van enige betekenis ondervindt. Als gevolg daarvan bestaat geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3254).

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2020

628.