Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1030

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
201805998/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2018 heeft de raad van de gemeente Waalwijk het bestemmingsplan "Gemengd gebied" vastgesteld. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor de historisch gegroeide bebouwingslinten in de gemeente Waalwijk. Die linten vormen de centrale lussen binnen en tussen de kernen en liggen voornamelijk in oost-west richting. Binnen de bebouwingslinten is van oudsher een grote diversiteit aan functies aanwezig zoals agrarische functies, ambachtelijke functies, woonfuncties en voorzieningen. Inmiddels gaat het nog overwegend om een woonfunctie. Aan de functie wonen zijn regelmatig bedrijven of voorzieningen gekoppeld, ook zijn er nog zelfstandig gevestigde bedrijven en voorzieningen, waardoor sprake is van een gemengd karakter. In het plan zijn geen nieuwe toekomstige ontwikkelingen meegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2020/8351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805998/1/R2.
Datum uitspraak: 8 april 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. appellante sub 1], gevestigd te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

2. [ appellante sub 2], erfgenaam van [overledene], wonend te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

3. [ appellant sub 3], wonend te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

4. [ appellant sub 4], gevestigd te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

5. [ appellant sub 5], gevestigd te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

6. [ appellant sub 6], gevestigd te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

7. [ appellant sub 7], wonend te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

8. [ appellante sub 8] en anderen, gevestigd te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

9. [ appellante sub 9], gevestigd te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

10. De Vereniging Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle, gevestigd te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

11. [ appellant sub 11], gevestigd te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk,

en

de raad van de gemeente Waalwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Gemengd gebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [overledene], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellante sub 8] en anderen, [appellante sub 9], de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle en [appellant sub 11] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1], [overledene], [appellant sub 3], [appellante sub 8] en anderen, de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle en [belanghebbende]. te Sprang-Capelle hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2020, waar [appellant sub 4], [appellant sub 7], [appellant sub 6], [appellante sub 9] en de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle, allen bijgestaan door H. de Jongh, rechtsbijstandverlener te Waalwijk, [appellant sub 5] en [appellant sub 11], vertegenwoordigd door H. de Jongh, [appellante sub 8] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en bijgestaan door H. de Jongh, [appellante sub 2] en [appellante sub 1], vertegenwoordigd door ing. B. Hurks, rechtsbijstandverlener te Uden, [appellant sub 3] , bijgestaan door [gemachtigde B], en de raad vertegenwoordigd door mr. F.H.L. Vossen en ing. M.C.H. Clijsen-Timmermans, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende]. te Sprang-Capelle, vertegenwoordigd door [gemachtigde C], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het plan voorziet in een actuele planologische regeling voor de historisch gegroeide bebouwingslinten in de gemeente Waalwijk. Die linten vormen de centrale lussen binnen en tussen de kernen en liggen voornamelijk in oost-west richting. Binnen de bebouwingslinten is van oudsher een grote diversiteit aan functies aanwezig zoals agrarische functies, ambachtelijke functies, woonfuncties en voorzieningen. Inmiddels gaat het nog overwegend om een woonfunctie. Aan de functie wonen zijn regelmatig bedrijven of voorzieningen gekoppeld, ook zijn er nog zelfstandig gevestigde bedrijven en voorzieningen, waardoor sprake is van een gemengd karakter. In het plan zijn geen nieuwe toekomstige ontwikkelingen meegenomen.

1.1. [appellante sub 1] exploiteert een transportbedrijf aan de [locatie 1] te Sprang-Capelle en kan zich niet verenigen met de aan haar gronden toegekende bestemming omdat deze geen zelfstandige bedrijfsactiviteiten mogelijk maakt.

[appellante sub 2] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Gemengd" betreffende haar gronden achter een woning aan de [locatie 2] grenzend aan de gronden aan de [locatie 1] omdat hier geen zelfstandige bedrijfsactiviteiten zijn mogelijk gemaakt.

[appellant sub 3] woont aan de [locatie 3] te Sprang-Capelle en komt op tegen de bouw- en goothoogte op het naastgelegen perceel aan de [locatie 4] alwaar [belanghebbende]. een dakpannen- en sloopbedrijf exploiteert.

[appellant sub 7] woont aan de [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7] te Sprang-Capelle alwaar zij voorheen een interieur- en bouwbedrijf exploiteerde dat is verplaatst. Zij stelt dat op deze gronden ten onrechte niet meer bij recht een dergelijk categorie C bedrijf is mogelijk gemaakt.

[appellant sub 5] exploiteert aan de [locatie 8] te Sprang-Capelle een handel in auto’s en motorfietsen, een reparatie- en servicebedrijf, een autoschadeherstelbedrijf met een daarbij behorende showroom voor zelfstandige detailhandel.

[appellant sub 6] exploiteert aan de [locatie 9]/[locatie 10] te Sprang-Capelle een bedrijf voor installatietechniek met daarbij behorende niet-zelfstandige en ondergeschikt detailhandel.

[appellante sub 8] en anderen exploiteren aan de [locatie 11] te Sprang-Capelle een machine- en apparatenfabriek inclusief reparatie.

[appellante sub 9] exploiteert aan de [locatie 12] te Sprang-Capelle een handel in auto’s en motorfietsen, een reparatie- en servicebedrijf met een daarbij behorende showroom voor niet-zelfstandige detailhandel, een benzineservicestation met LPG met een daarbij behorende tankshop. Tevens exploiteert [appellante sub 9] aan de [locatie 13] een opslag en werkplaats behorende bij de bedrijfsactiviteiten aan de [locatie 12].

[appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 8] en anderen, en [appellante sub 9] stellen dat voor hun bedrijven in het plan ten onrechte een uitsterfregeling is opgenomen. [appellant sub 4] heeft gronden in eigendom aan de [locatie 14], [locatie 15], [locatie 16] en [locatie 17] te Sprang-Capelle alwaar detailhandel is gevestigd. Hij stelt dat voor de detailhandel op deze gronden ten onrechte een uitsterfregeling is opgenomen. Ook betoogt hij dat de aanduiding "specifieke vorm van gemengd-achterperceel" die aan zijn gronden aan de [locatie 16] is toegekend geen recht doet aan het bestaande gebruik voor zelfstandige detailhandel. De Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle komen ook op tegen de uitsterfregelingen voor bedrijven en detailhandel en het niet bij recht mogelijk maken van categorie C bedrijven.

[appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 8] en anderen voeren aan dat op hun gronden ten onrechte geen buitenopslag meer is toegestaan. De Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle keren zich ook tegen het ontbreken van de mogelijkheid van buitenopslag bij recht.

Op de gronden van [appellant sub 11] aan de [locatie 18] te Sprang-Capelle is een praktijk voor kaakchirurgie gevestigd. [appellant sub 11] stelt dat de toegekende bestemming uitsluitend de bestaande praktijk mogelijk maakt en te beperkte mogelijkheden biedt.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een plan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het plan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

3. De relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beroepen

Beroep van [appellante sub 2]

4. Na het instellen van het beroep is [overledene] overleden.

[appellante sub 2], zijn echtgenote, heeft het beroep voortgezet als zijn erfgenaam.

4.1. [appellante sub 2] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Gemengd" betreffende haar gronden die zijn gesitueerd achter een woning aan de [locatie 2] en grenzen aan de gronden aan de [locatie 1] te Sprang-Capelle. Zij betoogt dat de raad aan deze gronden waar een stal is gesitueerd ten onrechte niet de aanduiding "specifieke vorm van gemengd-achterperceel" heeft toegekend. Door het ontbreken van deze aanduiding kan de stal niet worden gebruikt voor bedrijfsdoeleinden. Zij voert aan dat de raad ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de stal bij een woning hoort omdat de stal ruimtelijk gescheiden is van de omliggende woningen.

4.2. De raad wenst niet mee te werken aan het toekennen van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd-achterperceel". In het plan is uitsluitend bestaande bedrijfsbebouwing op achterpercelen met bestaande rechten als zodanig bestemd. De raad stelt dat daarvan op de betreffende gronden geen sprake is.

4.3. De Afdeling stelt vast dat de raad met het ontbreken van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd-achterperceel" niet heeft voorzien in gebruik voor bedrijfsdoeleinden op de gronden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daar niet in redelijkheid toe heeft kunnen besluiten. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat geen sprake is van bestaande rechten voor dit gebruik op bedoelde gronden. Voor het voorliggende plan gold de beheersverordening "Gemengd gebied" waarin de regels en verbeelding van het daarvoor geldende bestemmingsplan "Nieuwevaart 1996" voor de betreffende gronden van toepassing zijn verklaard. Op grond daarvan was aan de gronden een woonbestemming toegekend die ook geen bedrijfsactiviteiten mogelijk maakte. Voorts heeft [appellante sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de stal ten tijde van het vaststellen van het plan in gebruik was ten behoeve van bedrijfsactiviteiten. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het gebouw in het verleden als Kl-stal is opgericht maar deze functie al lange tijd niet meer heeft. In 2008 heeft [overledene] een bouwvergunning aangevraagd voor het vernieuwen van de dakconstructie en het gedeeltelijk renoveren van gevelmetselwerk van het gebouw. Daarbij is een verklaring overgelegd dat de voormalige Kl-stal door hem voor privéopslag en stalling van een tractor wordt gebruikt en dat het gebouw ook na de renovatie voor privé-opslag zal worden gebruikt. Tevens heeft [overledene] in zijn inspraakreactie op het voorontwerpbestemmingsplan verzocht om de voormalige Kl-stal als bijgebouw bij een van de omliggende woningen [locatie 19], [locatie 20] of [locatie 2] aan te merken. De huidige bestemming maakt de betreffende privéopslag en de functie van bijgebouw bij een van de omliggende woningen mogelijk.

4.4. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten afwijken van het door hem gehanteerde uitgangspunt dat nieuw gebruik voor bedrijfsdoeleinden op achterpercelen niet wordt toegestaan. Het betoog faalt.

Beroep van [appellante sub 1]

5. [ appellante sub 1] voert aan dat op haar gronden aan de [locatie 1] te Sprang-Capelle een transportbedrijf is gevestigd dat de hoofdactiviteit betreft en als zodanig is bestemd. Zij betoogt dat de raad niet heeft onderkend dat haar gronden tevens worden gebruikt ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Een loods op haar gronden wordt gebruikt voor het stallen van landbouwvoertuigen die worden gebruikt bij het bewerken van gronden die zich buiten het plangebied bevinden.

5.1. De raad wenst niet mee te werken aan een agrarische bestemming voor de gronden aan de [locatie 1]. Het bestaande transportbedrijf is positief bestemd. In het plan zijn uitsluitend bestaande agrarische bedrijven met bestaande rechten als zodanig bestemd. De raad stelt dat daarvan op de betreffende gronden geen sprake is.

5.2. Op de gronden van [appellante sub 1] rust de bestemming "Gemengd-Bedrijf". De Afdeling stelt vast dat de raad in het plan op de gronden aan de [locatie 1] niet heeft voorzien in gebruiksmogelijkheden voor een agrarisch bedrijf. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daar niet in redelijkheid toe heeft kunnen besluiten. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat geen sprake is van bestaande rechten voor dit gebruik op bedoelde gronden. Voor het voorliggende plan gold de beheersverordening "Gemengd gebied" waarin de regels en verbeelding van het daarvoor geldende bestemmingsplan "Nieuwevaart 1996" voor de gronden aan de [locatie 1] van toepassing zijn verklaard. Op grond daarvan was aan de gronden ook een bedrijfsbestemming toegekend die ook geen gebruik ten behoeve van een agrarisch bedrijf mogelijk maakte. Voorts heeft [appellante sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat haar gronden aan de [locatie 1] ten tijde van het vaststellen van het plan in gebruik waren ten behoeve van een agrarisch bedrijf. De Afdeling is van oordeel dat met de door [appellante sub 1] overgelegde stukken niet is onderbouwd dat er op de gronden binnen het plangebied sprake was van activiteiten ten behoeve van een agrarisch bedrijf dan wel ten behoeve van een agrarisch-technisch hulpbedrijf in de zin van de artikelen 1.10 of 1.11 van de planregels. Evenals de raad is de Afdeling van oordeel dat uit de overgelegde stukken uitsluitend is gebleken dat in opdracht van [appellante sub 1] op de gronden buiten het plangebied door een loonbedrijf gras wordt ingezaaid. Voor het oordeel dat de raad ter plaatse van de loods de bestemming "Gemengd-Bedrijf" niet in redelijkheid heeft kunnen opnemen in het plan ziet de Afdeling geen aanleiding. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad ter zitting naar voren heeft gebracht dat het stallen van enkele landbouwvoertuigen in een deel van de loods op de gronden aan de [locatie 1] niet in strijd is met de huidige toegekende bedrijfsbestemming.

Het betoog faalt.

Beroep van [appellant sub 3]

6. [ appellant sub 3], die woont aan de [locatie 3], betoogt dat op de naastgelegen gronden aan de [locatie 4] waar het bedrijf van [belanghebbende]. is gevestigd ten onrechte een bouwhoogte van 10 m en een goothoogte van 4,5 m is mogelijk gemaakt. Hij stelt dat dit te hoog is en niet passend is in de omgeving met gebouwen van maximaal 8,5 m hoog. Hij vreest voor aantasting van zijn uitzicht en voor schaduwhinder. Tevens betoogt hij dat onduidelijk is wat het verschil is met perceel [locatie 21], waar in een lagere goot- en nokhoogte is voorzien. Hij stelt dat er al zes jaar geen gebruik is gemaakt van de bouwmogelijkheid uit het voorgaande bestemmingsplan en dat aan dit plan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend.

6.1. De raad stelt dat de op de gronden mogelijk gemaakte goot- en bouwhoogte zijn overgenomen uit het voorgaande bestemmingsplan "Sprang, herziening [locatie 4], Tilburgseweg". Reeds in dat plan zijn afspraken tussen het gemeentebestuur en [belanghebbende]. vastgelegd omtrent de herinrichting van de gronden aan de [locatie 4] met onder meer de mogelijkheid van herbouw van een gebouw. Daarbij zijn de betreffende hoogtematen beoordeeld en aanvaardbaar bevonden. Er zijn geen nieuwe inzichten dat de hoogtematen niet langer in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De raad stelt dat de toegestane bouwhoogte niet zodanig afwijkt van de omliggende bouwhoogte van 8,5 m dat deze niet passend is in de omgeving.

6.2. Aan de gronden aan de [locatie 4] zijn de bestemming "Gemengd" en de aanduidingen "maximum bouwhoogte = 10 m" en "maximum goothoogte = 4,5 m" toegekend. Op grond van artikel 6, lid 6.2.3, van de planregels mogen op deze gronden bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning met deze hoogtematen worden opgericht.

6.3. De Afdeling overweegt dat de raad de betreffende maximale bouw- en goothoogte heeft ontleend aan het voorgaande bestemmingsplan "Sprang, herziening [locatie 4], Tilburgseweg". [belanghebbende]. exploiteert op deze gronden een dakpannen- en sloopbedrijf. [belanghebbende]. heeft met de gemeente afspraken gemaakt over de herinrichting van haar perceel aan de [locatie 4] die zijn neergelegd in het voornoemde bestemmingsplan. Bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan is de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de in het plan overgenomen hoogtematen beoordeeld en aanvaardbaar bevonden. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toegestane bouwhoogte van 10 m niet zodanig afwijkend is van de in de omgeving toegestane bouwhoogte van 8,5 m dat deze niet passend is de omgeving. [belanghebbende]. heeft uiteengezet dat zij op korte termijn een bouwaanvraag zal indienen voor het in het postzegelplan voorziene bouwwerk en dat deze aanvraag eerder vertraging heeft opgelopen in verband met een brand in een hoofdgebouw.

6.4. Over de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met de gronden ter plaatse van de [locatie 21] overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat voor dit perceel in het voorgaande plan de betreffende hoogtematen niet zijn mogelijk gemaakt. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 3] genoemde situatie aan de [locatie 21] niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie aan de [locatie 4].

6.5. Voor het oordeel dat de raad de bestaande bouw- en goothoogte van 10 m en 4,5 m niet in redelijkheid heeft kunnen opnemen in het plan, ziet de Afdeling geen aanleiding. Het betoog faalt.

Beroepen van [appellant sub 7], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 8] en anderen, [appellante sub 9], [appellant sub 4] en de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle

Artikel 1.20 van de planregels

7. [ appellant sub 7], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 8] en anderen en [appellante sub 9] betogen dat de definitie van het begrip bedrijf in artikel 1.20 van de planregels niet juist is.

7.1. De raad heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de definitie van bedrijf in artikel 1.20 van de planregels niet juist is geformuleerd en dat in zoverre sprake is van een omissie in het plan. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Opslag in de open lucht

8. [ appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 8] en anderen voeren aan dat op hun gronden ten onrechte geen of op een minder grote oppervlakte opslag in de open lucht is toegestaan. Ook de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle keren zich tegen de regeling voor opslag in de open lucht. [appellant sub 5] heeft ter zitting gesteld dat hij auto’s in de nabijheid van de openbare weg wenst te parkeren en dat dit niet meer mogelijk is. [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 8] en anderen hebben een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan en stellen dat ter plaatse van de [locatie 22] te Waalwijk wel dergelijke opslag is toegestaan, terwijl daar een bedrijf is gevestigd waarbij dat niet past. Verder is ten onrechte niet voorzien in een flexibele regeling voor opslag in de open lucht. Ook blijft onduidelijk wanneer de raad de mate van overlast en verrommeling door de opslag aanvaardbaar vindt. De Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle voeren aan dat indien opslag in de open lucht naar binnen moet worden verplaatst daardoor een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden ontstaat. De Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle voeren voorts aan dat de afwijkingsbevoegdheid te beperkte mogelijkheden kent voor verplaatsing of verruiming van de bestaande opslag in de open lucht.

8.1. De raad wenst niet langer opslag in de open lucht mogelijk te maken op plaatsen waar dat in de bestaande situatie niet het geval was. Reden is verrommeling van percelen en overlast voor omwonenden te beperken. Alleen op plaatsen waar de activiteiten in de bestaande situatie al plaatsvinden is hiervoor een uitzondering opgenomen. De raad heeft aan de hand van luchtfoto’s, vergunningen en andere schriftelijke stukken de bestaande opslag in de open lucht geinventariseerd. Tevens is in het plan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee de locatie van opslag eventueel gewijzigd kan worden.

8.2. In het plan is op grond van artikel 6, lid 6.1, onder j, sub 6, van de planregels opslag in de open lucht mogelijk gemaakt op gronden met de aanduiding "specifieke vorm van gemengd-open opslag". Daarbij zijn de activiteiten toegestaan zoals opgenomen in bijlage 7 bij de planregels. Aan de gronden van [appellant sub 5] en [appellante sub 8] en anderen is de aanduiding "specifieke vorm van gemengd-open opslag" niet toegekend. De aanduiding is wel toegekend aan delen van de gronden van [appellant sub 6]. In bijlage 7 staat dat open opslag van voertuigen en materiaal ten behoeve van de toegestane bedrijfsactiviteiten aan de gronden van [appellant sub 6] aan de [locatie 9]-[locatie 10] mogelijk is. Op grond van het vorige bestemmingsplan was het toegestaan de gronden van [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 8] en anderen te gebruiken voor opslag in de open lucht. Aangezien op de percelen van [appellant sub 5] en [appellante sub 8] en anderen deze opslag niet langer mogelijk is gemaakt en op het perceel van [appellant sub 6] niet op zijn volledige gronden, biedt het plan in zoverre minder mogelijkheden dan het vorige bestemmingsplan.

8.3. Aan een voorheen geldend bestemmingsplan kunnen in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad stelt dat het om een gemengde gebied gaat met van oudsher een grote diversiteit aan functies maar inmiddels overwegend een woonfunctie waaraan regelmatig een bedrijf of voorziening is gekoppeld. De raad stelt zich op het standpunt dat het aanzicht van de omgeving negatief wordt beïnvloed en verrommeld en overlast voor de omwonenden zal ontstaan wanneer de bestaande opslag in de open lucht verder wordt uitgebreid. Dit is ook in lijn met het type bedrijven dat de raad blijkens artikel 1.38 van de planregels in het gebied mogelijk wil maken, namelijk bedrijven waar de activiteiten (inclusief opslag) hoofdzakelijk inpandig geschieden. Daarom wenst de raad alleen de bestaande opslag in de open lucht positief te bestemmen en geen nieuwe buitenopslag mogelijk te maken. In het aangevoerde bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat dit uitgangspunt onredelijk is. De enkele stelling van de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle dat inpandige opslag mogelijk tot enige beperking van uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven kan leiden, wat daar ook van zij, kan niet tot het oordeel leiden dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet wenst mee te werken aan opslag in de open lucht. [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 8] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij door de beperking van de mogelijkheden voor opslag in de open lucht zodanig in hun bedrijfsbelangen worden geschaad dat de raad daaraan een zwaarder gewicht had moeten toekennen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bedrijf van [appellant sub 6] is beëindigd. Het eerst ter zitting naar voren gebrachte betoog van [appellant sub 5] dat hij geen auto’s in de nabijheid van de openbare weg meer kan parkeren faalt. Op grond van artikel 1.91 van de planregels wordt in de planregels onder open opslag verstaan het opslaan, of opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen op de onbebouwde gronden van (bedrijfs)percelen, daaronder mede begrepen de uitstalling ten verkoop, verhuur en dergelijke. De raad heeft naar voren gebracht dat het reguliere parkeren van auto’s, niet zijnde het stallen van auto’s ten verkoop of verhuur, niet op één lijn dient te worden gesteld met opslag in de open lucht gezien de begripsomschrijving. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onjuist. Voor wat betreft het bedrijf van [appellante sub 8] en anderen heeft de raad bij de inventarisatie van de gronden vastgesteld dat geen sprake was van opslag in de open lucht. [appellante sub 8] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit wel het geval was.

8.4. In hetgeen de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verplaatsing van opslag in de open lucht alleen met een afwijkingsbevoegdheid mogelijk kan worden gemaakt mits aan de in artikel 6, lid 6.6.9, van de planregels gestelde voorwaarden wordt voldaan. Er kan alleen gebruik worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid als de totale toegestane oppervlakte van de opslag na verplaatsing niet wordt vergroot. De afwijkingsbevoegdheid is in lijn met het uitgangspunt van de raad om uitbreiding van de totale toegestane opslag in de open lucht niet mogelijk te maken.

8.5. Over de door [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 8] en anderen gemaakte vergelijking met de gronden ter plaatse van [locatie 22] te Waalwijk overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat op dit perceel opslag in de open lucht al plaatsvond in de bestaande situatie. In hetgeen [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 8] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de situatie aan de [locatie 22] niet overeenkomt met de situaties van [appellant sub 5], [appellant sub 6] en [appellante sub 8] en anderen.

De betogen falen.

Toelaatbare categorieën bedrijven

9. [ appellant sub 7] betoogt dat zij op haar gronden aan de [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7] te onrechte geen categorie C bedrijf meer bij recht kan uitoefenen omdat op haar gronden alleen categorie A en B bedrijven bij recht zijn mogelijk gemaakt. De uitoefening van een categorie C bedrijf is alleen mogelijk indien het college gebruik maakt van de afwijkingsbevoegdheid. Zij stelt dat zij hierdoor wordt beperkt in haar toekomstige exploitatiemogelijkheden van de gronden. Alhoewel zij haar interieur- en bouwbedrijf op deze gronden heeft beëindigd en verplaatst, wenst zij het gebruik van haar gronden voor een categorie C bedrijf te kunnen hervatten. In het vorige plan waren wel categorie C bedrijven bij recht mogelijk. Zij stelt dat met de verplaatsing van haar bedrijf de rechten uit het voorgaande plan zijn komen te vervallen. Daarmee is het plan in zoverre rechtsonzeker en leidt dit tot een sanering. Ten slotte stelt zij dat aan de categorie-indeling geen zorgvuldige ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt. Ook de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle komen op tegen het weren van categorie C bedrijven. [appellant sub 7] en de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle stellen dat de gehanteerde methodiek van milieuzonering niet mag leiden tot een beperking van een functiewisseling. Daarnaast zit er een discrepantie tussen de planregeling inzake het bestemmen van bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen zoals opgenomen in bijlagen 1 en 4 bij de planregels.

9.1. De raad stelt dat in de bebouwingslinten met een gemengd karakter van wonen, werken en voorzieningen zich van oudsher een aantal bedrijven bevinden die daar vanuit milieuoogpunt niet wenselijk zijn, ook omdat het om een gebied gaat waar inmiddels overwegend sprake is van een woonfunctie.

De raad stelt dat categorie A en B-bedrijven wel passend zijn in de linten, maar bedrijven met milieucategorie 3.1 of hoger niet. Bedrijven met categorie C zijn alleen passend indien er een goede ontsluitingsmogelijkheid op de hoofdinfrastructuur is omdat het om bedrijven gaat met een grote verkeersaantrekkende werking. Ook is voor deze bedrijven een nadere afweging omtrent de parkeer- en rangeersituatie nodig, aldus de raad. Ten slotte stelt de raad dat de in het gebied te vestigen categorie A, B en C-bedrijven passend zijn indien deze voldoen aan de volgende kenmerken: kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en/of dienstverlening; productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats en de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig. De rechten van bestaande bedrijven, ook indien die niet voldoen aan de voorvermelde uitgangspunten, worden gerespecteerd. De gronden van [appellant sub 7] werden evenwel niet meer gebruikt ten behoeve van een categorie C bedrijf omdat dit bedrijf ten tijde van het vaststellen van het plan al was verplaatst, aldus de raad.

9.2. Aan de gronden van [appellant sub 7] aan de [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7] te Sprang-Capelle is de bestemming "Gemengd" en de aanduiding "bedrijf" toegekend. Op grond van artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder d, sub 1, van de planregels zijn deze gronden bestemd voor bedrijven met dien verstande dat de activiteiten vallen onder categorie A en B, zoals genoemd in bijlage 1 van de planregels onder de kolom zelfstandige bedrijven alsmede bedrijven welke naar hun schaal, aard en hinder op de omgeving daarmee vergelijkbaar zijn. Categorie C bedrijven zijn derhalve niet langer bij recht mogelijk gemaakt. Voor het voorliggende plan gold de beheersverordening "Gemengd gebied" waarin de regels en verbeelding van het daarvoor geldende bestemmingsplan "Nieuwevaart 1996" voor de gronden aan de [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7] van toepassing zijn verklaard. Op grond daarvan waren aan de gronden de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Centrumvoorzieningen" toegekend. Daarmee was het toegestaan om het perceel van [appellant sub 7] te gebruiken voor een dergelijk categorie C bedrijf. Aangezien op de percelen van [appellant sub 7] aan de [locatie 5], [locatie 6] en [locatie 7] dit gebruik niet langer bij recht is mogelijk gemaakt, biedt het plan in zoverre minder mogelijkheden dan het vorige bestemmingsplan.

9.3. Aan een voorheen geldend bestemmingsplan kunnen in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In dit geval heeft de raad als uitgangspunt gehanteerd dat in het gemengde gebied waar van oudsher veel functies naast elkaar bestaan en inmiddels een overwegende woonfunctie aanwezig is, bedrijfsactiviteiten die onder categorie C vallen alleen ruimtelijk aanvaardbaar zijn indien die zijn gesitueerd aan een hoofdinfrastructuur en een locatie met voldoende parkeer- en rangeermogelijkheden en bovendien voldoen aan de overige door de raad vermelde kenmerken. De raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat het om bedrijven gaat die een grote verkeersaantrekkende werking hebben en die indien genoemde voorzieningen ontbreken niet passend zijn in het gemende gebied en voor overlast kunnen zorgen. De raad heeft dergelijke bedrijven derhalve niet langer bij recht mogelijk gemaakt maar uitsluitend nadat het college gebruik heeft gemaakt van een afwijkingsbevoegdheid waarbij moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden zoals dat het bouwperceel grenst aan de bestemming "Verkeer-Ontsluiting". In het aangevoerde bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat dit uitgangspunt onredelijk is of een ruimtelijke onderbouwing daarvoor ontbreekt. Anders dan [appellant sub 7] en de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle betogen zijn de planologische uitgangspunten die zijn verwoord in overweging 9.1 die ten grondslag liggen aan het plan en de daarmee samenhangende beperking van functiewisseling van bedrijven aanvullend aan elkaar en niet tegenstrijdig. Ook zijn de bijlagen 1 en 4 niet tegenstrijdig. De bedrijven die zijn vermeld in bijlage 4 betreffen bestaande bedrijfsactiviteiten die niet langer passend worden geacht in het plangebied maar wel als zodanig zijn bestemd. Bijlage 1 betreft de Staat van Bedrijfsactiviteiten met activiteiten die passend worden geacht in het plangebied. De rechtszekerheid vereist in het algemeen dat bestaand legaal gebruik overeenkomstig de bestaande situatie wordt opgenomen in een bestemmingsregeling. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich niet tegen de categorie-indeling zoals die thans geldt voor de gronden van [appellant sub 7] omdat op de gronden van [appellant sub 7] geen categorie C bedrijf meer aanwezig was. Van sanering is ook geen sprake omdat er geen categorie C bedrijf is gevestigd dat is wegbestemd.

Het betoog faalt.

Uitsterfregeling voor bedrijven

10. [ appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 8] en anderen en [appellante sub 9] voeren aan dat hun bedrijven ten onrechte zijn opgenomen in bijlage 4 van de planregels. Zij stellen dat door het opnemen van hun bedrijven in bijlage 4 voor hun bedrijven na beëindiging van de activiteiten ten onrechte een uitsterfregeling is opgenomen, omdat aan hun bedrijven in artikel 6, lid 6.1, onder l, van de planregels uitsluitend 3 jaar de tijd is gegeven om de bedrijfslocatie aan een soortgelijk bedrijf te verkopen. Ook de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle komen tegen deze regeling op. Zij stellen dat de gehanteerde methodiek van milieuzonering niet mag leiden tot een beperking van een functiewisseling. Daarnaast zit er een discrepantie tussen de planregeling inzake het bestemmen van bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen zoals opgenomen in bijlagen 1 en 4 bij de planregels. Voorts is de regeling rechtsonzeker en betreft het een sanering van bestaande bedrijven. Ten slotte betogen [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 8] en anderen en [appellante sub 9] dat de termijn van 3 jaar die is opgenomen in artikel 6, lid 6.1, onder l, van de planregels te kort en niet realistisch is. [appellante sub 8] en anderen betogen ook dat de in bijlage 4 opgenomen oppervlakte van hun bedrijf niet juist is. [appellante sub 9] betoogt dat de verwachting is gewekt dat een door haar destijds voor het vaststellen van het plan ingediend principeverzoek dat betrekking had op ontwikkelingsmogelijkheden van haar bedrijf deel zou uitmaken van het plan. Zij stelt daartoe dat van gemeentezijde is aangegeven te wachten met het indienen van een concreet en ruimtelijk onderbouwd initiatief omdat een plan in voorbereiding was.

10.1. De raad stelt dat de bestaande bedrijven van [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 8] en anderen en [appellante sub 9] vanuit milieu-planologisch oogpunt niet langer passend worden geacht in het plangebied vanwege de uitgangspunten die zijn opgenomen in overweging 9.1. Aan deze bedrijven is een maatbestemming toegekend voor de bestaande activiteiten die zijn opgenomen in bijlage 4 bij de planregels. Omdat deze bedrijfsactiviteiten niet langer passend worden geacht in het plangebied, is in de planregels een uitsterfregeling opgenomen, aldus de raad. De raad stelt dat de maatvoering voor het bedrijf van [appellante sub 8] en anderen zoals vermeld in bijlage 4 uitsluitend betrekking heeft op de productieoppervlakte en dat die aan de hand van omgevingsvergunningen en andere stukken is vastgesteld op 1000 m2.

10.2. In bijlage 4 is vermeld dat het bedrijf van [appellante sub 8] en anderen aan de [locatie 11] een bedrijfsoppervlakte van 1000 m2 heeft. De raad heeft ter zitting toegelicht dat in bijlage 4 uitsluitend de bedrijfsoppervlakte is opgenomen en daarbij de oppervlakte van een aantal ruimten zoals de woonruimte en kantoorruimte niet in aanmerking is genomen, omdat dat geen bedrijfsruimten zijn. Indien die ruimten buiten beschouwing wordt gelaten resteert een bedrijfsoppervlakte van 1000 m2, aldus de raad. [appellante sub 8] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad de bedrijfsoppervlakte niet juist heeft weergegeven en heeft ingeperkt. Het betoog faalt.

10.3. Aan de gronden van [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 8] en anderen en [appellante sub 9] zijn de bestemming "Gemengd" en de aanduidingen "bedrijf" en "specifieke vorm van bedrijf-aanvullende bedrijfsactiviteit" toegekend. De Afdeling stelt vast dat gelet op het bepaalde in artikel 6, lid 6.1, aanhef en sub d, onder 2, van de planregels op de gronden van [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 8] en anderen en [appellante sub 9] ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-aanvullende bedrijfsactiviteit" de activiteiten zijn toegestaan zoals opgenomen in bijlage 4 bij de planregels. In bijlage 4 zijn de bestaande bedrijfsactiviteiten opgenomen. In de voorgaande plannen waren de bedrijven positief bestemd. In artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder l, van de planregels is bepaald dat indien de activiteiten ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-aanvullende bedrijfsactiviteit" zoals opgenomen in bijlage 4 bij de planregels gedurende minimaal 3 jaar gestaakt en duurzaam beëindigd zijn, de gronden niet meer als zodanig in gebruik mogen worden genomen. Dit betreft een zogenoemde uitsterfregeling. De voorgaande plannen kenden niet een dergelijke uitsterfregeling.

10.4. In beginsel dient legaal bestaand gebruik als zodanig in het bestemmingsplan te worden bestemd. Als het als zodanig bestemmen van legaal gebruik niet langer in overeenstemming wordt geacht met een goede ruimtelijke ordening, het belang van de beoogde andere bestemmingsregeling zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen en het niet aannemelijk is dat er op termijn zicht bestaat op beëindiging van het bestaande gebruik kan de raad overwegen een uitsterfregeling voor dit gebruik in het plan op te nemen die enerzijds recht doet aan de bestaande rechten en belangen, en anderzijds perspectief biedt om te komen tot de gewenste nieuwe situatie. Een uitsterfregeling is een bijzondere vorm van positief bestemmen, waarbij het gebruik, indien dit zoals in de planregeling is bepaald 3 jaar is gestaakt en duurzaam is beëindigd, niet opnieuw een aanvang mag nemen. In hetgeen [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 8] en anderen, [appellante sub 9] en de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om in het plan voor de activiteiten ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-aanvullende bedrijfsactiviteit" zoals opgenomen in bijlage 4 bij de planregels een uitsterfregeling op te nemen. De raad heeft toegelicht dat de bedrijfsactiviteiten die in bijlage 4 zijn opgenomen niet meer passend zijn in de omgeving gelet op de in overweging 9.1 opgenomen uitgangspunten. Daarom is voor deze bedrijven een uitsterfregeling opgenomen ook omdat niet gegarandeerd kan worden dat het gebruik op termijn kan worden beëindigd. Anders dan [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 8] en anderen, [appellante sub 9] en de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle betogen zijn de planologische uitgangspunten die zijn verwoord in overweging 9.1 die ten grondslag liggen aan het plan en de daarmee samenhangende beperking van functiewisseling van bedrijven aanvullend aan elkaar en niet tegenstrijdig. Ook zijn de bijlagen 1 en 4 niet tegenstrijdig. De bedrijven die zijn vermeld in bijlage 4 betreffen bestaande bedrijfsactiviteiten die niet langer passend worden geacht in het plangebied maar wel als zodanig zijn toegestaan. Bijlage 1 betreft de Staat van Bedrijfsactiviteiten met activiteiten die passend worden geacht in het plangebied. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich niet tegen de regeling omdat de bestaande bedrijfsactiviteiten positief zijn bestemd en kunnen worden voortgezet zonder beperkingen. Van sanering is gelet op de positieve bestemming voor bestaande bedrijven geen sprake.

De betogen falen.

10.5. Voor wat betreft het beroep van [appellante sub 9] op het vertrouwensbeginsel overweegt de Afdeling als volgt. Onder verwijzing naar overweging 11 van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, overweegt de Afdeling dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht drie stappen moeten worden doorlopen. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid. Wat betreft de eerste stap stelt de Afdeling het volgende vast. Uit hetgeen [appellante sub 9] heeft aangevoerd over de contacten met de gemeente over een destijds aan de orde zijnde principeverzoek kan niet worden afgeleid dat sprake was van een toezegging dat alle door hem beoogde activiteiten in het plan zouden worden opgenomen. Gelet hierop behoeven de tweede en derde stap geen bespreking meer. Derhalve ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft vastgesteld. Het betoog faalt.

10.6. In hetgeen [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 8] en anderen, [appellante sub 9] en de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle hebben aangevoerd omtrent de in artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder l, van de planregels opgenomen termijn ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de betreffende uitsterfregeling niet in redelijkheid voor een termijn van 3 jaar heeft kunnen kiezen. Naar aanleiding van de zienswijzen heeft de raad de termijn van 1 jaar verlengd naar 3 jaar en niet is aannemelijk gemaakt dat dit een te korte termijn is.

De betogen falen.

Woningen op achterpercelen

11. [ appellant sub 7] betoogt dat het niet duidelijk is waarom de twee voorheen voor haar gronden geldende bestemmingen "Woondoeleinden" en "Centrumvoorzieningen" niet zijn gehandhaafd. Zij stelt dat het met de huidige toegekende bestemming ten onrechte niet langer mogelijk is op het achterperceel van haar gronden een woning op te richten. Zij stelt dat hiermee bestaande rechten zijn komen te vervallen en het plan rechtsonzeker is.

11.1. [appellante sub 8] en anderen betogen dat aan hun gronden ter plaatse van een woning op het achterperceel ten onrechte niet de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-woning op het achterperceel" is toegekend.

11.2. De raad stelt dat bestaande woningen die niet in de gevellijn liggen, zijn aangeduid met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-woning op het achterperceel". Met deze aanduiding zijn de woningen die op een afstand van de gevellijn zijn gelegen toegestaan. Voor nieuwe woningen wenst de raad dat niet meer mogelijk te maken en houdt de raad vast aan het realiseren van woningen in de gevellijn gelet op het behouden van een ruimtelijke eenheid in het straat- en bebouwingsbeeld in het lint.

11.3. Aan de gronden van [appellante sub 8] en anderen en [appellant sub 7] is de bestemming "Gemengd" en de aanduiding "bedrijf" toegekend. Nu de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-woning op achterperceel" ontbreekt, is een woning op het achterperceel niet toegestaan. Op het achterperceel van [appellante sub 8] en anderen is een woning gesitueerd. Op het achterperceel van [appellant sub 7] is geen woning gesitueerd maar [appellant sub 7] wenst de mogelijkheid te behouden op deze gronden een woning op te richten.

11.4. De raad heeft in het verweerschrift gesteld dat voor wat betreft de gronden van [appellante sub 8] en anderen sprake is van een omissie omdat achter de gevellijn al een woning aanwezig is en hij derhalve per abuis heeft nagelaten om de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-woning op achterperceel" toe te kennen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

11.5. Voor wat betreft de gronden van [appellant sub 7] stelt de Afdeling vast dat voor het voorliggende plan de beheersverordening "Gemengd gebied" van kracht was. Daarin waren de regels en verbeelding van het daarvoor geldende bestemmingsplan "Nieuwevaart 1996" van toepassing verklaard. Op grond van dit bestemmingsplan waren aan de gronden de bestemmingen "Woondoeleinden" en "Centrumvoorzieningen" toegekend met ruimere mogelijkheden voor het oprichten van woningen ook op het achterperceel. Aan een voorheen geldend bestemmingsplan kunnen in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In dit geval heeft de raad als uitgangspunt gehanteerd dat in het gemengde gebied nieuwe woningen in de gevellijn dienen te worden opgericht om een ruimtelijke eenheid in bebouwing en straatbeeld te behouden. In het aangevoerde bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat dit uitgangspunt onredelijk is. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich niet tegen de regeling voor de gronden omdat daarop geen woning aanwezig was. Op de betreffende gronden was geen woning aanwezig. Het betoog van [appellant sub 7] faalt.

Detailhandel

12. [ appellant sub 4] betoogt dat voor zijn gronden aan de [locatie 14], [locatie 15], [locatie 16] en [locatie 17] te Sprang-Capelle, die zijn gesitueerd in een dorpslint en worden gebruikt voor detailhandel, ten onrechte een uitsterfregeling is opgenomen in artikel 6, lid 6.1, onder k, van de planregels. Ook de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle komen op tegen deze regeling. Zij voeren daartoe aan dat de uitsterfregeling niet het juiste instrument is om leegstand tegen te gaan. [appellant sub 4] betoogt dat uit het door BRO uitgevoerde verkennend distributie-planologisch onderzoek blijkt dat er nog ruimte is voor het uitbreiden van bestaande winkels. Voorts betoogt [appellant sub 4] dat na langdurige beëindiging van detailhandel hervestiging van detailhandel kan plaatsvinden maar daarbij maximaal 200 m2 aan winkeloppervlakte in gebruik kan worden genomen terwijl de bestaande oppervlakte 550 m2 bedraagt die in het voorgaande plan bij recht werd mogelijk gemaakt. Ook zijn aan de hervestiging voorwaarden verbonden.

[appellant sub 4] betoogt dat aan de in de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van nieuwvestiging van detailhandel ook voorwaarden zijn verbonden. [appellant sub 4] betoogt dat de uitsterfregeling rechtsonzeker is en dat de winkels op zijn gronden worden gesaneerd. Ook voert hij aan dat in artikel 6, lid 6.1, lid k, van de planregels ten onrechte een termijn van 1 jaar is opgenomen omdat in de staat van wijzigingen is vermeld dat dit zou worden verlengd naar 3 jaar. Voorts betoogt [appellant sub 4] dat het pand aan de [locatie 16] al ruim 30 jaar wordt gebruikt voor detailhandels- en bedrijfsfuncties en dat de aanduiding "specifieke vorm van gemengd-achterperceel" en de daarbij behorende bijlage 8 bij de planregels het gebruik van deze gronden ten onrechte beperkt tot niet-zelfstandige detailhandel.

12.1. De raad stelt dat de regeling geen uitsterfregeling behelst maar een regeling om langdurige leegstand van de panden die worden gebruikt voor detailhandel te voorkomen en wenst in geval van commerciële en publieksgerichte voorzieningen zoals detailhandel te komen tot een flexibel systeem. Het doel van het flexibel systeem is op basis van de lokale duurzaamheidsladder te kunnen komen tot functiewijziging bij langdurige leegstand waarbij nieuwe ondernemers niet belemmerd worden om zich in de gemeente te vestigen door het vasthouden aan bestaande rechten op bestaande plekken die niet gebruikt worden en leegstaan. De raad heeft er daarbij op gewezen dat de distributieplanologische ruimte voor voorzieningen zoals winkels beperkt en nagenoeg geheel benut is door de bestaande winkels inclusief de leegstaande. Tevens heeft de raad er op gewezen dat het terugdringen van winkels geen doel is van de regeling.

12.2. Aan de gronden van [appellant sub 4] is de bestemming "Gemengd" en de aanduiding "detailhandel" toegekend. Gelet op het bepaalde in artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder i, van de planregels is op deze gronden detailhandel mogelijk. Op de achterzijde van het perceel aan de [locatie 16] rust de aanduiding "specifieke vorm van gemengd-achterperceel". Op grond van artikel 6, lid 6.1, onder f, onder 2, van de planregels zijn ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd-achterperceel" uitsluitend de activiteiten per adres toegestaan zoals opgenomen in bijlage 8 van de planregels. In bijlage 8 bij de planregels is vermeld dat op het adres [locatie 16] reparatie van (brom)fietsen, sbi-cat 1/A met daarbij behorende niet-zelfstandige detailhandel mogelijk is. In artikel 6, lid 6.1, onder k, van de planregels is, voor zover relevant, bepaald dat indien de activiteiten ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" gedurende minimaal 1 jaar gestaakt en duurzaam beëindigd zijn, de gronden niet meer als zodanig in gebruik mogen worden genomen. Na de periode van 1 jaar kan met gebruikmaking van een afwijkingsmogelijkheid op de betreffende gronden hervestiging plaatsvinden. Deze afwijkingsbevoegdheid is voor publieksgerichte voorzieningen zoals detailhandel opgenomen in artikel 6, lid 6.6.8., onder a, onder 4, van de planregels. Anders dan [appellant sub 4] stelt, geldt daarbij geen maximum van 200 m2. Dat maximum geldt namelijk voor niet-publieksgerichte voorzieningen. Aan het gebruik maken van de afwijkingsbevoegdheid zijn voorwaarden verbonden zoals dat hervestiging van detailhandel niet mag leiden tot het ontstaan van zodanige relevante, structurele leegstandseffecten, die uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar zijn. Daarnaast is er in artikel 6, lid 6.7.6, aanhef en onder d, een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor nieuwvestiging van detailhandel.

12.3. In de stukken en tijdens de zitting is gemotiveerd gesteld dat het perceel aan de [locatie 16] onder meer voor zelfstandige detailhandel wordt gebruikt. Het voorgaande plan maakte dit gebruik mogelijk. De raad heeft dit niet weersproken. In bijlage 8 is dit gebruik niet opgenomen voor de gronden aan de [locatie 16] zodat dit gebruik niet meer mogelijk is gemaakt in het plan. In bijlage 8 is beoogd het bestaande legale gebruik op te nemen. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor wat betreft het vaststellen van bijlage 8 voor de gronden aan de [locatie 16] niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

12.4. Met de regeling in artikel 6, lid 6.1, onder k, van de planregels is voor onder meer de gronden van [appellant sub 4] naar het oordeel van de Afdeling en anders dan de raad stelt een zogenoemde uitsterfregeling opgenomen. Dat de raad deze regeling heeft opgenomen om langdurige leegstand van bestaande panden die worden gebruikt ten behoeve van detailhandel tegen te gaan maakt dat niet anders. In het voorgaande plan was niet een dergelijke regeling opgenomen. Legaal bestaand gebruik zoals hier het geval dient in beginsel als zodanig te worden bestemd. Als het als zodanig bestemmen van legaal gebruik niet langer in overeenstemming wordt geacht met een goede ruimtelijke ordening, het belang van de beoogde andere bestemmingsregeling zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen en het niet aannemelijk is dat er op termijn zicht bestaat op beëindiging van het bestaande gebruik kan de raad overwegen een uitsterfregeling voor dit gebruik in het plan op te nemen die enerzijds recht doet aan de bestaande rechten en belangen en anderzijds perspectief biedt om te komen tot de gewenste nieuwe situatie. Een uitsterfregeling is een bijzondere vorm van positief bestemmen, waarbij het gebruik, indien zoals in dit geval in de planregeling is bepaald 1 jaar is gestaakt en duurzaam is beëindigd, niet opnieuw een aanvang mag nemen. De Afdeling stelt vast dat de raad zich niet op het standpunt stelt dat detailhandel op de gronden in het gemengde gebied zoals de gronden van [appellant sub 4] als zodanig niet meer passend is en niet meer in overeenstemming wordt geacht met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft de uitsterfregeling opgenomen om langdurige leegstand in de betreffende winkelpanden tegen te gaan en ondernemers niet te belemmeren door het vasthouden aan bestaande rechten op bestaande plekken die niet meer gebruikt worden en leegstaan. De Afdeling is van oordeel dat de uitsterfregeling niet het juiste instrument is om deze leegstand tegen te gaan. De raad acht de aanduiding "detailhandel" op zichzelf immers in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening, terwijl de bedoeling van een uitsterfregeling nu juist is om een in het plan mogelijk gemaakte activiteit op termijn te doen beëindigen, omdat deze niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat artikel 6, lid 6.1, onder k, van de planregels voor zover dat betrekking heeft op detailhandel in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. De betogen slagen.

12.5. De raad heeft in het verweerschrift gesteld dat voor wat betreft het vermelden van een termijn van 1 jaar in artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder k, van de planregels sprake is van een omissie en dat hij per abuis heeft nagelaten om hier 3 jaar te vermelden. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Dit betoog slaagt.

Beroep van [appellant sub 11]

13. [ appellant sub 11] betoogt dat de regeling voor zijn gronden ten onrechte uitsluitend is gericht op de specifieke vorm van dienstverlening die hij thans uitoefent namelijk kaakchirurgie en andere vormen van dienstverlening mogelijk had moeten maken.

13.1. Aan de gronden van [appellant sub 11] is de bestemming "Gemengd" en de aanduiding "dienstverlening" toegekend. Gelet op het bepaalde in artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder g, van de planregels is op deze gronden publieksgerichte dienstverlening zoals een praktijk voor kaakchirurgie mogelijk. Voor zover [appellant sub 11] betoogt dat de regeling ten onrechte is gericht op de door hem gebezigde specifieke vorm van dienstverlening overweegt de Afdeling dat zoals de raad ook heeft uiteengezet gelet op de definitie van dienstverlening in artikel 1.48 van de planregels binnen de aanduiding "dienstverlening" uiteenlopende vormen van dienstverlening zijn toegestaan en niet alleen, maar ook de huidige activiteiten van [appellant sub 11]. Het betoog faalt.

Verwijzing zienswijze

14. [ appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 8] en anderen, [appellante sub 9] en de Verenigde Ondernemers Sprang-Kapelle en [appellant sub 11] hebben voorts verwezen naar de inhoud van hun zienswijzen. In de nota van zienswijzen is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 8] en anderen, [appellante sub 9] en de Verenigde Ondernemers Sprang-Kapelle en [appellant sub 11] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de betreffende zienswijze onjuist zou zijn.

Conclusies

15. De beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 11] zijn ongegrond.

15.1. In hetgeen [appellant sub 7], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 8] en anderen en [appellante sub 9] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 7 juni 2018 voor zover het betreft artikel 1.20 van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellante sub 8] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling tevens aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 7 juni 2018 voor zover het betreft het plandeel ter plaatse van de woning op het achterperceel van de gronden aan de [locatie 11] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 7 juni 2018 voor zover het betreft bijlage 8 behorende bij de planregels voor zover daarin voor de gronden aan de [locatie 16] niet is vermeld dat hier zelfstandige detailhandel plaatsvindt is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 4] en de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 7 juni 2018 voor zover het betreft artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder k, van de planregels voor zover dit artikel betrekking heeft op detailhandel en daarin 1 jaar is vermeld is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Awb.

15.2. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het besluit van 7 juni 2018 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

15.3. De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen onder 7.1 is overwogen in artikel 1.20 van de planregels een juiste definitie van het begrip bedrijf op te nemen.

Tevens dient de raad met inachtneming van hetgeen onder 11.4 is overwogen aan de gronden van [appellante sub 8] en anderen aan de [locatie 11] ter plaatse van een woning op het achterperceel de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-woning op het achterperceel" toe te kennen.

Voorts dient de raad met inachtneming van hetgeen onder 12.4 is overwogen de in bijlage 8 behorende bij de planregels vermelde activiteiten voor het adres [locatie 16] uit te breiden met de activiteit "zelfstandige detailhandel".

Ten slotte dient de raad gelet op hetgeen onder 12.3 en 12.5 is overwogen in artikel 6, lid 6.1, lid k, van de planregels een passende regeling op te nemen voor wat betreft detailhandel. Tevens dient de raad de daarin vermelde termijn van 1 jaar te wijzigen naar 3 jaar.

15.4. Bij het nemen van een ander besluit hoeft de raad geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

16. Voor een proceskostenveroordeling voor [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 11] bestaat geen aanleiding.

17. Voor [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellante sub 8] en anderen, [appellante sub 9] en de Verenigde Ondernemers Sprang-Capelle zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

Einduitspraak

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 11] ongegrond.

Tussenuitspraak

II. draagt de raad van de gemeente Waalwijk naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 8] en anderen, [appellante sub 9], [appellant sub 6], [appellant sub 7] en de Verenigde Ondernemers Sprang-Kapelle op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak:

- de onder 15.1 genoemde gebreken te herstellen met inachtneming van hetgeen onder 7.1, 11.4, 12.3, 12.4, 12.5 en 15.3 over die gebreken is overwogen, en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en het gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2020

224

Bijlage

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.10 agrarisch bedrijf

inrichting die tot een, krachtens artikel 1.1, derde lid, Wet milieubeheer, aangewezen categorie behoort en die is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren, zijnde: een (vollegronds)teeltbedrijf, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of een overig agrarisch bedrijf;

1.11 agrarisch-technisch hulpbedrijf

bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, zoals loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbewerking;

1.20 bedrijf

een aan de woonfunctie ondergeschikte vorm van extensieve verblijfsrecreatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt. Onder een bed & breakfastvoorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichtten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of permanente kamerverhuur. Degene die de bed & breakfast voorziening biedt, is tevens de gebruiker van de (bedrijfs)woning;

1.38 categorie A-, B-, C-bedrijf

bedrijf met activiteiten welke voorkomen in de staat van bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging welke voldoen aan de volgende kenmerken:

-kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid en/of dienstverlening;

-productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats;

-de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig;

Onderscheid wordt gemaakt in de volgende categorieën:

a. categorie A-bedrijf:

bedrijf met activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen - in gebieden met functiemenging - kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.

b. categorie B-bedrijf:

bedrijf met activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.

c. categorie C-bedrijf:

bedrijf met activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grotere verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op een verzamelweg is aangewezen;

1.48 dienstverlening

-het verlenen van economisch - maatschappelijke diensten aan derden, onder dienstverlenende bedrijven of dienstverlenende instellingen zijn in ieder geval begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van internethandel, een garagebedrijf en een seksinrichting;

-de bedrijfsmatige uitoefening van administratieve werkzaamheden zoals (internet)kantoren en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen;

Onderscheid wordt gemaakt in de volgende typen:

a. publieksgerichte dienstverlening: dienstverlening met publieksaantrekkende werking, waaronder in ieder geval een kapperszaak, makelaarskantoor;

b .niet-publieksgerichte dienstverlening: dienstverlening zonder publieksaantrekkende werking, waar onder in ieder geval een financieel administratiekantoor, internetkantoor;

1.91 open opslag

het opslaan, of opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen op de onbebouwde gronden van (bedrijfs)percelen, daaronder mede begrepen de uitstalling ten verkoop, verhuur en dergelijke.

Artikel 6 Gemengd

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

Wonen

a. wonen in de hoofdmassa en de aangebouwde bijbehorende bouwwerken, waarbij per bouwperceel maximaal 1 (bedrijfs)woning is toegelaten, met dien verstande dat:

1. indien in de bestaande situatie sprake is van meer dan 1 woning op een bouwperceel, maximaal het bestaande aantal woningen is toegelaten;

2. de woning (deels) in de gevellijn is gelegen, tenzij de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - woning op achterperceel' van toepassing is in welk geval de woning op maximaal de bestaande afstand tot de gevellijn mag zijn gelegen;

3. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal woningen niet meer mag bedragen dan is aangegeven;

4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hoofdgebouwen uitgesloten' of 'specifieke vorm van gemengd - achterperceel' geen woning is toegestaan, tenzij de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - woning op achterperceel' eveneens van toepassing is;

5. waar onder 1 tot en met 4 woning staat dit tevens geldt voor een bedrijfswoning;

b. beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten bij een (bedrijfs)woning, op een maximum van 50 m2 brutovloeroppervlak van de hoofdmassa of bijbehorend bouwwerk per (bedrijfs)woning, met in achtneming van lid 6.5.2;

c. garageboxen ter plaatse van de aanduiding 'garagebox';

met dien verstande dat bestaande kamerbewoning, bed & breakfast en bedrijf en beroep-aan-huis is toegestaan in de toegelaten aard en omvang;

Bedrijven

d. bedrijven ter plaatse van de aanduidingen 'bedrijf', 'maatschappelijk', 'dienstverlening', 'horeca', 'detailhandel', met dien verstande dat:

1. de activiteiten vallen onder categorie A en B, zoals genoemd in Bijlage 1, kolom 'zelfstandige bedrijven' alsmede bedrijven welke naar hun schaal, aard en hinder op de omgeving daarmee vergelijkbaar zijn;

2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - aanvullende bedrijfsactiviteit' in aanvulling op hetgeen is bepaald onder d sub 1 de activiteiten zijn toegestaan zoals opgenomen in Bijlage 4 Aanvullende bedrijfsactiviteiten - bestemming Gemengd, behorende bij deze regels,

Voorzieningen

e. niet-publieksgerichte voorzieningen ter plaatse van de aanduidingen 'bedrijf', 'maatschappelijk', 'dienstverlening', 'horeca', 'detailhandel', 'specifieke vorm van gemengd - achterperceel' en 'overige zone-stedelijk lint', met dien verstande dat:

1. per bouwperceel tot maximaal 200 m2 bruto vloeroppervlak voor niet-publieksgerichte voorzieningen gebruikt mag worden;

2. indien in afwijking van sub 1 in de bestaande situatie sprake is van een grotere oppervlakte, het bestaand gebruik voor niet-publieksgerichte voorzieningen in oppervlakte als maximum geldt;

f. niet publieksgerichte voorziening ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - niet publieksgerichte voorziening';

g. publieksgerichte dienstverlening of publieksgerichte maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening' en 'maatschappelijk';

h. lichte horeca ter plaatse van de aanduiding 'horeca', met dien verstande dat:

1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - aanvullende horeca-activiteit' daarnaast horeca van een categorie of type is toegestaan zoals opgenomen in de tabel in Bijlage 11 Aanvullende horeca behorende bij deze regels;

i. detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel', met dien verstande dat:

1. een supermarkt uitsluitend op de begane grondlaag ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt' is toegestaan;

2. detailhandel volumineus uitsluitend ter plaatse van een aanduiding 'detailhandel volumineus' is toegestaan met dien verstande dat het type volumineuze detailhandel is toegestaan zoals opgenomen in Bijlage 10 Detailhandel volumineus behorende bij deze regels;

Algemene regels bedrijven en voorzieningen

j. bedrijven en voorzieningen zoals bedoeld in lid 6.1 onder d tot en met i zijn toegelaten, met dien verstande dat:

1. de activiteiten (deels) worden uitgeoefend in een gebouw dat (deels) is gelegen in de gevellijn, met uitzondering van een bedrijf of voorziening ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - achterperceel'. Voor zover sprake is van een bedrijfsactiviteit zoals bedoeld in lid 6.1 onder d wordt onder gebouw in de gevellijn tevens een bedrijfswoning verstaan;

2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - achterperceel' uitsluitend de activiteiten per adres zijn toegestaan zoals opgenomen in Bijlage 8 Achterperceel behorende bij deze regels;

3. de activiteiten op de begane grondlaag uitgeoefend worden, waarbij bijbehorende kantoren en de op basis van lid 6.1 onder h toegelaten verblijfsrecreatieve functies ook zijn toegestaan op de verdiepingen;

4. een geluidzoneringsplichtige inrichting of een inrichting zoals bedoeld in artikel 2, lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) is niet toegelaten, met uitzondering van bevi-inrichtingen gelegen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bevi, waar de bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan zoals opgenomen in Artikel 25 Bevi;

5. alleen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - buitenverkoop' tentoonstelling van te verkopen producten in de open lucht is toegestaan, waarbij de activiteiten zijn toegestaan zoals opgenomen in Bijlage 9 Buitenverkoop, behorende bij deze regels;

6. alleen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - open opslag' is opslag in de open lucht toegestaan, waarbij de activiteiten zijn toegestaan zoals opgenomen in Bijlage 7 Open opslag, behorende bij deze regels,

7. alleen ter plaatse van de aanduiding 'kas' zijn kassen toegestaan;

k. indien het gebruik van de gronden ter plaatse van de aanduidingen dienstverlening', 'maatschappelijk', 'detailhandel', 'supermarkt', 'detailhandel volumineus', 'horeca', , 'specifieke vorm van gemengd - niet publieksgerichte voorziening' en 'specifieke vorm van gemengd - achterperceel' ten behoeve van respectievelijk de activiteit 'dienstverlening', 'maatschappelijk', 'detailhandel', 'supermarkt', 'detailhandel volumineus', 'horeca', 'niet publieksgerichte voorziening' of 'achterperceel', gedurende minimaal één jaar is gestaakt en duurzaam beëindigd is, de gronden niet meer als zodanig in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de desbetreffende activiteit;

l. indien de activiteiten ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - aanvullende bedrijfsactiviteit' zoals opgenomen in Bijlage 4, behorende bij deze regels, 'specifieke vorm van horeca - aanvullende horeca-activiteiten' zoals opgenomen in Bijlage 11, behorende bij deze regels , 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' en 'verkooppunt motorbrandstoffen', 'specifieke vorm van gemengd - buitenverkoop', 'specifieke vorm van gemengd - open opslag' of ''specifieke vorm van bedrijf - bevi' gedurende minimaal drie jaar is gestaakt en duurzaam beëindigd is, de gronden niet meer als zodanig in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de desbetreffende activiteit;

Overige bijbehorende voorzieningen en bouwwerken

(…)

6.2.2 Hoofdmassa

Voor het bouwen van de hoofdmassa welke (deels) in de gevellijn is gelegen of ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - woning op achterperceel' gelden de volgende regels:

(…)

g. de goothoogte van de hoofdmassa mag niet meer bedragen dan:

1. de goothoogte van de voorkant hoofdmassa in de bestaande situatie vermeerderd met 1 m, met dien verstande dat de goothoogte ten minste 4 m mag bedragen;

2. indien in de bestaande situatie geen sprake is van een goothoogte: de hoogte zoals is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'';

h. de bouwhoogte van de hoofdmassa mag niet meer bedragen dan:

1. de bouwhoogte in de bestaande situatie vermeerderd met 1 m, met dien verstande dat de bouwhoogte ten minste 4 m mag bedragen;

2. indien in de bestaande situatie de bouwhoogte gelijk is aan de goothoogte: de bouwhoogte in de bestaande situatie vermeerderd met 4 m tot een maximum van 11 m, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - woning op achterperceel';

3. indien in de bestaande situatie geen sprake is van een bouwhoogte: de hoogte zoals is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte', dan wel 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';

(…)6.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, niet zijnde hoofdmassa, gelden de volgende regels:

(…)

g. in het bebouwingsgebied hoofdmassa geldt voor de hoogte en het dak het volgende:

1. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal de toegestane goothoogte van de hoofdmassa bedragen zoals bepaald in lid 6.2.2 onder g;

2. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal de toegestane bouwhoogte van de hoofdmassa bedragen zoals bepaald in lid 6.2.2 onder h;

3. de dakhelling mag maximaal gelijk zijn aan de dakhelling van het dakvlak van de hoofdmassa waaraan wordt gebouwd;

(…)6.6 Afwijken van de gebruiksregels

(…)

6.6.7 Bedrijven

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 6.1 onder d sub 1, 2 en 4 onder j sub 2 voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - achterperceel' vestiging van bedrijven waarbij de bedrijfsactiviteiten vallen onder categorie A en B, zoals genoemd in Bijlage 1, kolom 'zelfstandige bedrijven' alsmede bedrijven welke naar hun schaal, aard en hinder op de omgeving daarmee vergelijkbaar zijn;

b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' voor vestiging van een internetbedrijf en/of internetafhaalpunt, mits het bouwperceel grenst aan de bestemming Verkeer - Ontsluiting;

c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' voor bedrijfsactiviteiten welke vallen onder categorie C zoals opgenomen in Bijlage 1, kolom 'zelfstandige bedrijven' alsmede bedrijven welke naar hun schaal, aard en hinder op de omgeving daarmee vergelijkbaar zijn, mits het bouwperceel grenst aan de bestemming Verkeer - Ontsluiting;

d. afwijking op basis van lid 6.6.7 onder a, b of c is mogelijk onder voorwaarde dat:

1. het niet gaat om een geluidzoneringsplichtige inrichting, een inrichting zoals bedoeld in artikel 2, lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI), of ingeval van a en c een internetbedrijf of internetafhaalpunt;

2. voldaan wordt aan de overige voorwaarden van lid 6.1;

3. voldaan wordt aan de voorwaarden van lid 6.6.1;

4.in de vergunning dient te worden opgenomen dat indien het gebruik van deze gronden voor het type bedrijf gedurende minimaal drie jaar is gestaakt en duurzaam beëindigd is, de gronden niet meer als zodanig in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de desbetreffende activiteit.

6.6.8 Voorzieningen

a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:

1. het bepaalde in lid 6.1 onder e sub 1 ten behoeve van vestiging van niet-publieksgerichte voorzieningen op meer dan 200 m2 per bouwperceel;

2. het bepaalde in lid 6.1 onder e en f voor het vestigen van publieksgerichte dienstverlening of publieksgerichte maatschappelijke voorzieningen, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf', 'horeca' en 'detailhandel' tot maximaal 200 m2 bruto vloeroppervlak per bouwperceel;

3. het bepaalde in lid 6.1 onder h voor het vestigen van lichte of middelzware horeca ter plaatse van de aanduiding 'horeca';

4. het bepaalde in lid 6.1 onder k voor het vestigen van detaillhandel ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';

5. het bepaalde in lid 6.1 onder k voor het vestigen van een supermarkt ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt';

6. het bepaalde in lid 6.1 onder k sub 2 voor het vestigen van detailhandel volumineus, ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel volumineus';

b. afwijking op basis van lid 6.6.8 onder a is mogelijk onder voorwaarde dat:

1. vestiging van de voorziening niet leidt tot het ontstaan van zodanige relevante, structurele leegstandseffecten, dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal leiden;

2. voldaan wordt aan de overige voorwaarden van lid 6.1;

3. voldaan wordt aan de voorwaarden van lid 6.6.1;

4. in de vergunning dient te worden opgenomen dat indien het gebruik van deze gronden voor het type voorziening als bedoeld onder lid 6.6.8 onder a tot en met f gedurende minimaal drie jaar is gestaakt en duurzaam beëindigd is, de gronden niet meer als zodanig in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de desbetreffende activiteit.

6.6.9 Buitenverkoop of open opslag verplaatsen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 6.1.j.5 en 6.1.j.6 voor het verplaatsen van bestaande buitenverkoop of open opslag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - buitenverkoop' respectievelijk 'specifieke vorm van gemengd - open opslag', naar een andere locatie op hetzelfde bouwperceel, mits:

a. het oppervlak aan buitenverkoop of open opslag maximaal de bestaande oppervlakte bedraagt;

b. de buitenverkoop of open opslag noodzakelijk is voor het ter plaatse gevestigde bedrijf of voorziening;

c. voldaan wordt aan de voorwaarden van lid 6.6.1.

6.7 Wijzigingsbevoegdheid

(…)

6.7.6 Publieksgerichte voorziening

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming 'Gemengd' te wijzigen door:

a. de aanduiding 'dienstverlening' toe te voegen ten behoeve van vestiging van publieksgerichte dienstverlening;

b. de aanduiding 'maatschappelijk' toe te voegen ten behoeve van vestiging van een publiekgerichte maatschappelijke voorziening;

c. de aanduiding 'horeca' toe te voegen ten behoeve van vestiging van lichte of middelzware horeca;

d. de aanduiding 'detailhandel' toe te voegen ten behoeve van vestiging van detailhandel met uitzondering van een supermarkt of detailhandel volumineus;

e. de aanduiding 'detailhandel volumineus' toe te voegen ten behoeve van vestiging van volumineuze detailhandel;

f. wijziging zoals bedoeld onder a, b, c, d en e is toegestaan, onder voorwaarde dat:

1. het een passende locatie betreft op basis van de volgende voorkeursvolgorde:

1. vestiging van de voorziening niet leidt tot het ontstaan van zodanige relevante, structurele leegstandseffecten, dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal leiden;

2. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - dorpslint' en overige zone - landelijk lint' dient op percelen grenzend aan de bestemming 'Agrarisch' of 'Natuur', bij ontwikkelingen aan de achterzijde sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing middels een erfinrichtingsplan (o.a. een beplantingsplan);

3. voldaan wordt aan de voorwaarden van lid 6.1 onder j sub 1 en 3;

4. voldaan wordt aan de voorwaarden van lid 6.7.1;

5. indien het gebruik van deze gronden voor het type voorziening gedurende minimaal drie jaar is gestaakt en duurzaam beëindigd is, de gronden niet meer als zodanig in gebruik mogen worden genomen ten behoeve van de desbetreffende activiteit.