Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1026

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
201809643/1/R3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:12615, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan Lycée Français Vincent van Gogh (de Franse School) omgevingsvergunning verleend voor een wijziging van het gebruik van het perceel Kerklaan 117 te Den Haag ten behoeve van een lunchruimte voor de Franse School en het brandveilig in gebruik nemen van het gebouw op dat perceel. De Franse School bevindt zich sinds 1994 op de huidige locatie aan de Scheveningseweg 237 te Den Haag. De Franse School heeft het perceel Kerklaan 117 in 2015 gekocht. De Franse School heeft in 2016 een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning ingediend om het perceel ten behoeve van de school te gebruiken. [appellant] woont op het perceel [locatie]. Hij vreest dat het gebruik van het gebouw en de buitenruimte daarbij zal leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809643/1/R3.

Datum uitspraak: 8 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 oktober 2018 in zaak nr. 17/6953 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2017 heeft het college aan Lycée Français Vincent van Gogh (hierna: de Franse School) omgevingsvergunning verleend voor een wijziging van het gebruik van het perceel Kerklaan 117 te Den Haag (hierna: het perceel) ten behoeve van een lunchruimte voor de Franse School en het brandveilig in gebruik nemen van het gebouw op dat perceel.

Bij besluit van 4 mei 2018 heeft het college het besluit van 31 augustus 2017 gewijzigd en, met een nadere motivering, omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het gebruik van het perceel als lunchruimte en buitenschoolse opvang (hierna: bso) voor de leerlingen van de Franse School en het brandveilig in gebruik nemen van het gebouw op het perceel.

Bij uitspraak van 22 oktober 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 31 augustus 2017 ingestelde beroep en het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 4 mei 2018 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en de Franse School hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2020, waar [appellant], bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, rechtsbijstandverlener te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Remeijer en ing. A.R.J. Kramer, zijn verschenen. Ter zitting is tevens de Franse School, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. F.M.P. Brisdet en mr. B. Pietersz, beiden advocaat te Amsterdam, en H.J. Cillekens, tolk, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    De Franse School bevindt zich sinds 1994 op de huidige locatie aan de Scheveningseweg 237 te Den Haag. De Franse School heeft het perceel Kerklaan 117 in 2015 gekocht. Het perceel Scheveningseweg 237 grenst aan de achterzijde aan de buitenruimte bij het gebouw op het perceel Kerklaan 117. Tussen beide percelen staat een muur.

    Het gebouw op het perceel kan worden betreden door een garagedeur. Deze garagedeur is gelegen tussen de percelen Kerklaan 117a en 115. De buitenruimte bij het gebouw kan worden bereikt via een grijs hek, gelegen tussen de percelen Kerklaan 115 en 17.

    De Franse School heeft in 2016 een aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning ingediend om het perceel ten behoeve van de school te gebruiken.

    [appellant] woont op het perceel [locatie]. Hij vreest dat het gebruik van het gebouw en de buitenruimte daarbij zal leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat.

2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Scheveningen Dorp" rust op het voorste gedeelte van het gebouw op het perceel de bestemming "Wonen" met de nadere aanduiding "bedrijf" en op het achterste deel van het gebouw en de buitenruimte daarbij de bestemming "Bedrijven". Op het gehele perceel rust de dubbelbestemming "Waarde-archeologie". Vast staat dat het aangevraagde gebruik van het perceel in strijd is met de bestemming.

    Het college heeft met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning verleend. Bij het besluit van 4 mei 2018 is ter voorkoming van overlast van met name verkeer en parkeren in de openbare ruimte aan de vergunning het voorschrift verbonden dat, kort gezegd, de ontsluiting van het perceel plaats dient te vinden via de bestaande uitgangen van de school alsmede het grijze hek. De garagedeur mag niet worden gebruikt voor het halen en brengen van kinderen.

Beoordeling van het hoger beroep

Ingetrokken hogerberoepsgrond

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond dat de aanvraag geen betrekking heeft op het wijzigen van het gebruik van het gebouw als bso wegens strijd met de goede procesorde buiten toepassing heeft gelaten. Tijdens de zitting van de Afdeling heeft [appellant] deze hogerberoepsgrond ingetrokken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het hem gaat om zijn inhoudelijke bezwaren over de verleende omgevingsvergunning. De Afdeling zal in het navolgende op die bezwaren ingaan.

Welk gebruik is vergund?

4.    De Franse School heeft op 22 december 2016 een aanvraag ingediend voor het wijzigen van het gebruik van het gebouw op het perceel als lunchruimte voor leerlingen van haar school. Op het aanvraagformulier is vermeld dat de aanvraag betrekking heeft op de activiteiten 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening' en 'brandveilig gebruik'. De Franse School wil blijkens het aanvraagformulier het perceel gaan gebruiken als lunchruimte voor de kinderen van de school en als vergaderruimte. Bij de aanvraag hoort een bouwtekening van 13 december 2016. Op die tekening is een lunchruimte voor 140 kinderen en tien volwassenen en een vergaderruimte voor zes personen ingetekend. Op 16 maart 2017 is een gewijzigde bouwtekening ingediend. Volgens die tekening zal de ruimte die op de tekening van 13 december 2016 als lunchruimte is aangeduid, ook worden gebruikt als bso voor maximaal 50 personen, waarvan 45 kinderen. Op die tekening is ook de buitenruime bij het perceel aangeduid, het hek tussen de percelen Kerklaan 115 en 17 dat toegang geeft tot die buitenruimte, en een doorgang in de muur die het perceel scheidt van het perceel Scheveningseweg 237.

    De Franse School heeft tijdens de zitting verklaard dat de kinderen tussen de middag niet via de openbare weg naar de lunchruimte gaan, maar via de doorgang tussen de percelen Kerklaan 117 en Scheveningseweg 237. Ook de kinderen die na schooltijd naar de bso gaan, gebruiken die doorgang. De Franse School heeft verder verklaard dat de kinderen die naar de bso gaan, gebracht en gehaald worden bij een ander hek, gelegen naast het perceel Kerklaan 13. Het grijze hek wordt volgens De Franse School alleen gebruikt door de kinderen die naar school gaan. Dat hek is slechts gedurende een korte periode voor aanvang van de lessen en een korte periode na het einde van de lessen geopend. [appellant] heeft deze verklaringen tijdens de zitting bevestigd.

5.    Bij de beoordeling van het hoger beroep is het aangevraagde en vergunde gebruik het uitgangspunt. Dit gebruik bestaat, gelet op het voorgaande, uit het gebruik van het gebouw op het perceel als lunchruimte voor maximaal 150 personen, waarvan 140 kinderen, als bso voor maximaal 50 personen, waarvan 45 kinderen, en als vergaderruimte voor maximaal zes personen. Het aangevraagde en vergunde gebruik ziet verder op het gebruik van de buitenruimte en het grijze toegangshek ten behoeve van deze functies. Dat de situatie in de praktijk wellicht anders is, doet daar niet aan af.

6.    Het betoog van [appellant] dat, gelet op de opmerking van de Franse School ter zitting van de rechtbank dat de garagedeur, gelegen tussen de percelen Kerklaan 117a en Kerklaan 115, nooit is gebruikt en ook nooit zal worden gebruikt om leerlingen toegang te geven, de Franse School er geen bezwaar tegen zou moeten hebben dat een voorschrift aan de vergunning wordt verbonden om te voorkomen dat die toegang wordt gebruikt, mist feitelijke grondslag. Aan de vergunning is immers het voorschrift verbonden dat deze garagedeur niet mag worden gebruikt voor het brengen en halen van kinderen.

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in het besluit van 4 mei 2018 niet is ingegaan op de kenmerken van het gebruik van het pand als bso. Volgens [appellant] blijkt onder meer niet wanneer de bso in gebruik is en hoeveel kinderen daarvan gebruik maken.

7.1.    Uit de bouwtekening van 16 maart 2017 blijkt dat maximaal 50 personen, waarvan 45 kinderen, van de bso gebruik zullen maken. Verder blijkt daaruit dat de bso 's ochtends en direct na schooltijd in gebruik is. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft het college nader toegelicht dat de bso vanaf 7:00 uur open mag zijn. Tijdens de zitting van de Afdeling heeft de Franse School nader toegelicht dat tot uiterlijk 18:30 uur van de bso gebruik kan worden gemaakt. De bso is in het weekend gesloten. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat onvoldoende duidelijkheid over het gebruik van het perceel als bso bestaat.

    Het betoog faalt.

8.    Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omgevingsvergunning niet tot doel heeft om het aantal leerlingen te vergroten, overweegt de Afdeling als volgt. Het gebouw op het perceel werd in de bestaande situatie overeenkomstig de bestemming gebruikt als kantoor. De omgevingsvergunning staat toe dat het gebouw wordt gebruikt als lunchruimte en bso. Met de door [appellant] bestreden overweging heeft de rechtbank slechts in algemene zin overwogen dat de omgevingsvergunning niet tot doel heeft om het aantal leerlingen te vergroten. Uit die overweging blijkt niet dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met de omgevingsvergunning het aantal personen dat in het gebouw kan verblijven zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie.

    Het betoog faalt.

Verkeer

9.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in de te verwachten verkeersoverlast aanleiding had moeten zien om de omgevingsvergunning te weigeren. Hij voert daartoe aan dat het brengen en halen van kinderen een enorme belemmering oplevert die zich manifesteert ter hoogte van zijn woning en dat de aanwezige toezichthouder er niet in slaagt de doorstroom te waarborgen.

9.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellant] voornamelijk overlast ervaart van het brengen en halen van kinderen naar school. De verkeersbewegingen die door de bestaande school worden gegenereerd, liggen in deze procedure echter niet ter beoordeling voor. Deze procedure heeft alleen betrekking op het gebruik van het grijze hek voor het brengen en halen van maximaal 45 kinderen van de bso en dus de verkeersbewegingen die door dat gebruik worden gegenereerd.

    De Afdeling overweegt ten eerste dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de door [appellant] vermelde verkeersonveilige situaties die ontstaan door het niet naleven van verkeersregels, zoals tegen het verkeer in fietsen, in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Of er in strijd met de verkeerswetgeving wordt gehandeld, is een kwestie van handhaving. Dat neemt niet weg dat het aangevraagde gebruik zodanige verkeersproblemen met zich zou kunnen brengen dat daarin aanleiding moet worden gezien de vergunning te weigeren. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. De Afdeling overweegt daartoe als volgt.

    De Kerklaan is een eenrichtingsweg. Het verkeer passeert eerst het grijze hek en vervolgens de woning van [appellant]. Gelet hierop, en gelet op de afstand van 20 m tussen het hek en de woning van [appellant] en de omstandigheid dat tijdens het brengen en halen van de kinderen het verkeer, mede door de toezichthouder die volgens de Franse School aanwezig is, slechts kortstondig stilstaat, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen bijzondere indicatie aanwezig is dat vergunningverlening zal leiden tot onaanvaardbare verkeersoverlast.

    Het betoog faalt.

Geluid

10.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college vanwege de te verwachten geluidhinder in redelijkheid de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Hij betoogt daartoe dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer als uitgangspunt kunnen dienen, zoals is gebeurd in het door het college overgelegde rapport 'Akoestisch onderzoek, Uitbreiding Lycée Français, Kerklaan 117' van 27 september 2018, omdat het hier gaat om de vraag of van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. Hij voert verder aan dat in het akoestisch onderzoek had moeten worden uitgegaan van een bronvermogen van schreeuwende kinderen van 110 dB(A) en van het maximale gebruik dat van het terrein kan worden gemaakt. Hij voert verder aan dat het geluid niet alleen op de gevel op de begane grond, maar ook op de eerste verdieping en in de tuin moet worden gemeten.

10.1.    Het college heeft in de beroepsfase een akoestisch onderzoek laten uitvoeren, waarvan de resultaten zijn neergelegd in voormeld rapport van 27 september 2018. [appellant] heeft in hoger beroep een second opinion van 24 januari 2019 van Cauberg Huygen overgelegd.

10.2.    De deskundige van het college is uitgegaan van een gemiddeld bronvermogen van spelende kinderen van 85 d(B)A en een maximaal bronvermogen van 107 dB(A). De door [appellant] ingeschakelde deskundige heeft dat ook gedaan. [appellant] heeft daarom op de zitting van de Afdeling zijn opmerking dat had moeten worden uitgegaan van een maximaal bronvermogen van 110 dB(A), laten vallen.

10.3.    De deskundige van het college is bij het akoestisch onderzoek uitgegaan van 165 spelende kinderen die gedurende de dagperiode twee uur op het perceel buiten spelen. Niet valt in te zien dat, zoals [appellant] betoogt, in het onderzoek niet is uitgegaan van het maximale gebruik dat met de vergunning mogelijk wordt gemaakt. Ook Cauberg Huygen, de door [appellant] ingeschakelde deskundige, is van dit gebruik is uitgegaan. Hierbij is nog van belang dat, zoals hiervoor onder overweging 5 is uiteengezet, het vergunde gebruik tijdens de lunchtijd is beperkt tot maximaal 140 kinderen en tijdens het gebruik als bso tot maximaal 45 kinderen.

10.4.    De deskundige van het college heeft voor de in het onderzoek gehanteerde geluidgrenswaarden aangesloten bij de waarden die in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer staan. Cauberg Huygen is van dezelfde grenswaarden uitgegaan, zij het dat in de second opinion in zoverre is verwezen naar de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Aangezien beide deskundigen van dezelfde grenswaarden zijn uitgegaan, behoeft het verdere betoog van [appellant] op dit punt geen bespreking meer.

10.5.    Beide deskundigen komen ter hoogte van de achtergevel op de begane grond van de woning van [appellant] tot een overschrijding van de grenswaarde van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. In het door het college overgelegde rapport is die overschrijding 0,6 dB(A) en in het rapport van Cauberg Huygen is die overschrijding 2 dB(A). Cauberg Huygen heeft, anders dan het college, ook het geluidniveau gemeten op de achtergevel ter hoogte van de eerste verdieping van de woning, omdat [appellant] de eerste verdieping als kantoor gebruikt, en in de tuin van de woning. Volgens Cauberg Huygen wordt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de eerste verdieping en in de tuin overschreden. Op de eerste verdieping wordt volgens Cauberg Huygen ook het maximale geluidniveau overschreden. Het college heeft aangegeven dat aan de buitenruimte bij de woning en het bedrijfsmatig gebruik van de verdieping een zekere mate van bescherming toekomt, maar dat in dit geval sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

    De Afdeling overweegt dat zij met de rechtbank geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, vanwege de overschrijding van de geluidgrenswaarden, geen sprake is van een zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat dat de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd. De Afdeling acht hierbij ten eerste van belang dat in het rapport van Cauberg Huygen, net zoals in het rapport van het college, is geconcludeerd dat, ondanks de gemeten overschrijding van de geluidgrenswaarde van 50 dB(A) ter hoogte van de gevel op de begane grond van de woning van [appellant], wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. Verder acht de Afdeling van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, in beide onderzoeken is uitgegaan van het worst case scenario dat er 165 kinderen twee uur buiten spelen, terwijl deze situatie zich in de vergunde situatie niet voor zal doen. Ook is van belang dat op het perceel een bedrijfsbestemming rust en een willekeurig ander bedrijf, met inachtneming van de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer, ook een hoge geluidbelasting kan hebben. Tenslotte geldt dat de eigen keuze van [appellant] om op de eerste verdieping van zijn woning kantoor te houden, er niet toe leidt dat aan die eerste verdieping extra bescherming voor geluid van buiten toekomt.

    Gelet op het voorgaande, faalt het betoog.

11.    Wat betreft het betoog van [appellant] dat het risico op een terroristische aanslag betrokken had moeten worden bij de beoordeling of het gebruik van het perceel leidt tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat, heeft de rechtbank terecht overwogen dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Er bestaat reeds hierom geen grond voor het oordeel dat het college dit risico bij de beoordeling had moeten betrekken.  

    Het betoog faalt.

12.    [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de herinrichting van het schoolplein. Die herinrichting, die mogelijk gevolgen kan hebben voor het woon- en leefklimaat van [appellant], is in deze procedure niet aan de orde. De rechtbank is terecht tot het zelfde oordeel gekomen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

13.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2020

473.