Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:100

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2020
Datum publicatie
15-01-2020
Zaaknummer
201901439/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht het uitwerkingsplan "Ravelijnstraat" vastgesteld. Het plangebied wordt begrensd door de Halvemaanstraat, de Ravelijnstraat, het Erfprinsbastion, de Hoge Fronten en Fort Willem. Het plan is een uitwerking van de bestemming "Wonen - Uit te werken" in het bestemmingsplan "Maastricht - West". Het uitwerkingsplan voorziet in het realiseren van maximaal twaalf vrijstaande woningen, verspreid over twee clusters. Aan andere delen van het plangebied is een groenbestemming toegekend. Verder is aan het gehele plangebied de dubbelbestemming "Waarde - Maastrichts Erfgoed" toegekend. Ten noorden van het plangebied bevindt zich de woonwijk "De Ravelijn". Deze wijk dateert uit de jaren '50 van de vorige eeuw en diende oorspronkelijk als huisvesting en heropvoedingsinstituut voor sociaal zwakkere gezinnen. Mullener Vastgoed B.V. is de betrokken projectontwikkelaar van de twaalf woningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2020/7
OGR-Updates.nl 2020-0014
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901439/1/R1.

Datum uitspraak: 15 januari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Bewonersvereniging Ravelijn en anderen, gevestigd te Maastricht,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2018 heeft het college het uitwerkingsplan "Ravelijnstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Bewonersvereniging Ravelijn en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bewonersvereniging Ravelijn en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2019, waar Bewonersvereniging Ravelijn en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.H.J. Verheijden, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat te Eindhoven, en [gemachtige], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plangebied wordt begrensd door de Halvemaanstraat, de Ravelijnstraat, het Erfprinsbastion, de Hoge Fronten en Fort Willem. Het plan is een uitwerking van de bestemming "Wonen - Uit te werken" in het bestemmingsplan "Maastricht - West", vastgesteld door de raad van de gemeente Maastricht op 18 september 2012 (hierna: het moederplan). Het uitwerkingsplan voorziet in het realiseren van maximaal twaalf vrijstaande woningen, verspreid over twee clusters. Aan andere delen van het plangebied is een groenbestemming toegekend. Verder is aan het gehele plangebied de dubbelbestemming "Waarde - Maastrichts Erfgoed" toegekend. Ten noorden van het plangebied bevindt zich de woonwijk "De Ravelijn". Deze wijk, ook wel aangeduid als "de woonschool", dateert uit de jaren '50 van de vorige eeuw en diende oorspronkelijk als huisvesting en heropvoedingsinstituut voor sociaal zwakkere gezinnen. Mullener Vastgoed B.V. is de betrokken projectontwikkelaar van de twaalf woningen.

2.    De appellanten bestaan uit Bewonersvereniging Ravelijn, Buurtnetwerk Brusselsepoort en omwonenden van woonwijk "De Ravelijn". Zij vrezen dat de woningbouwontwikkeling leidt tot aantasting van de cultuurhistorische waarden van de woonschool en het rijksmonument Hoge Fronten, alsmede van het woon- en leefklimaat van de omwonenden.

Toetsingskader

3.    Wanneer in een bestemmingsplan een uitwerkingsplicht is opgenomen, dient het college van burgemeester en wethouders in beginsel een uitwerkingsplan vast te stellen. In het kader van een beroep tegen een uitwerkingsplan kan ter beoordeling staan of dit plan is voorbereid en genomen in strijd met het recht, daaronder begrepen of de uitgewerkte bestemming strookt met de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan en, voor zover die regels daartoe de ruimte laten, met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij geldt de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven.

Omvang van het geding

4.    De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan "Maastricht-West", met de uitspraak van de Afdeling van 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:284, onherroepelijk is geworden. Gezien het toetsingskader en het feit dat het moederplan onherroepelijk is en in deze procedure niet meer ter beoordeling voorligt, overweegt de Afdeling dat alleen gronden gericht tegen het uitwerkingsplan ter beoordeling voorliggen. Ook de betogen over de persoonlijke kennisgeving aan Bewonersvereniging Ravelijn en anderen, de voorgeschiedenis van het moederplan, de bezwaren tegen eventuele ontwikkelingen buiten het plangebied, de sloop van de garageboxen, de geluidoverlast vanwege bouwwerkzaamheden en de omgevingsvergunning ten behoeve van de kap van bomen kunnen in deze procedure niet aan de orde worden gesteld, aangezien deze betogen niet zien op het uitwerkingsplan.

Ingetrokken beroepsgrond

5.    Ter zitting hebben Bewonersvereniging Ravelijn en anderen hun beroepsgrond over ongeoorloofde staatssteun ingetrokken.

Procedureel

Gronden die niet in zienswijzefase naar voren zijn gebracht

6.    Voor zover het college stelt dat enkele beroepsgronden, zoals de beroepsgrond over de milieueffectrapportage, te laat zijn aangevoerd door Bewonersvereniging Ravelijn en anderen, omdat deze pas in beroep en niet reeds in de zienswijzen naar voren zijn gebracht, overweegt de Afdeling dat binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden geen rechtsregel eraan in de weg staat dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.

    Het verweer slaagt niet.

Burgerparticipatie

7.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen stellen dat de gemeente met hen in overleg had moeten treden over het project. Er zijn ten onrechte onvoldoende mogelijkheden tot participatie geweest. In dat verband stellen zij dat burgers selectief zijn geïnformeerd en vijandig zijn bejegend. Ook is de informatievoorziening van de zijde van de projectontwikkelaar en de gemeente tijdens de procedure niet voldoende geweest. De door de projectontwikkelaar georganiseerde informatieavond werd verplaatst naar een andere locatie en was enkel toegankelijk voor genodigden, aldus Bewonersvereniging Ravelijn en anderen.

7.1.    De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is voorbereid. In overeenstemming met deze procedure zijn de omwonenden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. Voor zover Bewonersvereniging Ravelijn en anderen stellen dat de omwonenden voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan bij de besluitvorming hadden moeten worden betrokken, overweegt de Afdeling dat het bieden van inspraak, door appellanten burgerparticipatie genoemd, voorafgaand aan de terinzagelegging van een ontwerpplan, geen onderdeel uitmaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening geregelde uitwerkingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de uitwerkingsplanprocedure en het uitwerkingsplan.

    Dat daarnaast de informatievoorziening door de projectontwikkelaar volgens Bewonersvereniging Ravelijn en anderen gebrekkig is, is - wat daar overigens ook van zij - in dit kader niet relevant. De aard en inhoud van de informatievoorziening buiten de wettelijke uitwerkingsplanprocedure door de projectontwikkelaar is in dit verband niet doorslaggevend. In hetgeen Bewonersvereniging Ravelijn en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college in dit geval in strijd met artikel 3:2 van de Awb onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld.

    Het betoog slaagt niet.

Belangenverstrengeling

8.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen stellen dat er sprake is van belangenverstrengeling. In dit verband stellen Bewonersvereniging Ravelijn en anderen dat het college en de projectontwikkelaar gezamenlijk optrekken.

8.1.    Artikel 2.4, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid."

8.2.    De Afdeling ziet in hetgeen Bewonersvereniging en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zijn taak met vooringenomenheid heeft vervuld. Bewonersvereniging Ravelijn en anderen hebben geen concrete feiten of omstandigheden aangedragen die aanleiding geven voor het oordeel dat het college zich bij de besluitvorming alleen de belangen van de projectontwikkelaar heeft aangetrokken.

    Het betoog slaagt niet.

Aanvullende zienswijzen

9.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen betogen dat een aantal door hen ingediende aanvullende zienswijzen ten onrechte door het college buiten beschouwing zijn gelaten. Ook stellen zij dat deze zienswijzen ten onrechte niet op een later moment door het college zijn beantwoord.

9.1.    De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen liep van 20 juli 2018 tot en met 31 augustus 2018. Bewonersvereniging Ravelijn en anderen hebben hun zienswijze binnen deze termijn naar voren gebracht. Hun nadere zienswijzen van 14 december 2018 zijn niet binnen die termijn ingediend. Hoewel er geen rechtsregel is die zich ertegen verzet dat een zienswijze na afloop van de termijn nader wordt gemotiveerd, betreft het in dit geval aanvullende zienswijzen die het college, gelet op het late tijdstip van indienen en gezien het feit dat deze zienswijzen enkele dagen voor de vaststelling van het uitwerkingsplan werden ingediend, niet meer behoefde mee te nemen in de besluitvorming.

    Het betoog slaagt niet.

Inhoudelijk

Uitwerkingsregel

10.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen betogen dat het uitwerkingsplan niet voldoet aan artikel 16, lid 16.2, onder b, van de planregels van het moederplan.

10.1.    Artikel 16, lid 16.2, aanhef en onder b, van de planregels van het moederplan luidt: "Burgemeester en Wethouders werken de in lid 16.1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende regels:

    […];

    b. Het uitwerkingsplan niet wordt vastgesteld voordat er een definitief inzicht bestaat in de gewenste ruimtelijke en functionele invulling van het gebied.

    […]."

10.2.    De Afdeling overweegt dat uit het vastgestelde uitwerkingsplan en de stedenbouwkundige opzet die voor het plan als uitgangspunt is genomen, duidelijk blijkt wat de visie van het college is met betrekking tot de ruimtelijke en functionele invulling van het plangebied. Verder kan de uitwerkingsregel in artikel 16, lid 16.2, aanhef en onder b, van het moederplan niet anders worden begrepen dan dat het college als orgaan, belast met het vaststellen van het uitwerkingsplan, bepaalt welke definitieve ruimtelijke en functionele invulling van het plangebied gewenst is. Met de door het college gewenste definitieve ruimtelijke en functionele invulling van het gebied is niet bedoeld dat voldoende draagvlak onder omwonenden voor een dergelijke invulling moet bestaan, voordat een uitwerkingsplan door het college kan worden vastgesteld. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met artikel 16, lid 16.2, aanhef en onder b, van de regels van het moederplan.

    Het betoog slaagt niet.

Ladder voor duurzame verstedelijking

11.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen betogen dat de ontwikkeling waarin het plan voorziet in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro), waarin de ladder voor duurzame verstedelijking is neergelegd. Volgens hen is de behoefte aan de luxe woningen niet aangetoond.

11.1.    Artikel 1.1.1, derde lid, van het Bro luidt: "In hoofdstuk 3 van dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt onder een bestemmingsplan mede begrepen een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet alsmede een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3 van de wet."

    Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

11.2.    In paragraaf 3.3 van de plantoelichting is aandacht besteed aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierin is toegelicht dat het plan voorziet in een nichemarkt. De in het plan voorziene woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte aan luxe woningen in een rustig woonmilieu in de directe nabijheid van de binnenstad van Maastricht. Dergelijke woningen op (zeer) ruime kavels zijn op korte afstand van de binnenstad niet tot nauwelijks voorradig, aldus de plantoelichting. Volgens het college heeft de voorziene woningbouw ook geen onevenredige gevolgen voor de leegstand binnen Maastricht en leidt het plan in zoverre ook niet tot een aantasting van het woon- en leefklimaat elders binnen Maastricht. Ook heeft het college toegelicht dat de voorziene woningbouwontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied.

11.3.    In hetgeen door Bewonersvereniging Ravelijn en anderen is aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op de hierboven weergegeven toelichting, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Dat er mogelijk óók of méér behoefte bestaat aan een ander type woningen dan het plan mogelijk maakt, zoals Bewonersvereniging Ravelijn en anderen betogen, maakt nog niet dat het college niet voor de in het plan voorziene woningbouwontwikkeling heeft mogen kiezen.

    Het betoog slaagt niet.

Woonschool De Ravelijn

12.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen stellen dat het plan voor een aantasting van de woonschool "De Ravelijn" zorgt. In dat verband stellen zij dat er in het plan ten onrechte niet is ingegaan op de beschermde status van de woonschool. Ook zorgt het plan volgens hen voor een onnodig scherp contrast met de woonschool.

    Voorts stellen Bewonersvereniging Ravelijn en anderen dat de geïsoleerde ligging van de woonschool gerespecteerd dient te worden.

12.1.    Het college stelt, onder verwijzing naar paragraaf 2.4 van de plantoelichting en de verbeelding, dat de woonschool als cultuurhistorisch attentiegebied is aangemerkt in het moederplan. Daarnaast wordt de geïsoleerde ligging volgens het college als een belangrijk kenmerk van de woonschool aangemerkt. De geïsoleerde ligging wordt volgens het college niet onevenredig nadelig beïnvloed door het bouwplan. De houtsingel aan de Halvemaanstraat blijft behouden en wordt verdicht, de gronden tussen de Halvemaanstraat en de woonbebouwing hebben de bestemming "Groen" gekregen en ten zuiden van deze houtsingel liggen de gronden met de bestemming "Wonen", waarbij de nieuwbouwwoningen alleen binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak mogen worden gerealiseerd. De nieuwbouwwoningen worden daarnaast volgens het college georiënteerd naar de nieuwe ontsluitingsweg en liggen met de tuinzijde in de richting van de woonschool. De nieuwbouwwoningen zijn op ruime afstand tot de vestingwerken alsmede tot de bebouwing van de voormalige woonschool geprojecteerd, aldus het college.

12.2.    Niet in geschil is dat de geïsoleerde ligging van de woonschool, die de status van gemeentelijk monument heeft, een wezenlijk kenmerk ervan is. Daarnaast merkt de Afdeling op dat van een geheel geïsoleerde ligging geen sprake is, gelet op de aanwezigheid van woningen ten westen van de woonschool. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college - gelet op de houtsingel en de ruime onbebouwde zone tussen de in het plan voorziene woningbouw en de woonschool - voldoende rekening gehouden met de cultuurhistorische waarde van woonschool De Ravelijn.

    Het betoog slaagt niet.

Aantasting schootsvelden

13.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen betogen dat het plan ten onrechte is gesitueerd op de schootsvelden van de Hoge Fronten en Fort Willem, waardoor deze aangetast zullen worden. Het overleg dat de gemeente hierover met verschillende instanties heeft gevoerd is ten onrechte niet in de stukken terug te vinden, aldus Bewonersvereniging Ravelijn en anderen.

13.1.    Artikel 6 van de planregels luidt: "De regels van de dubbelbestemming 'Waarde - Maastrichts Erfgoed' van het moederplan zijn van overeenkomstige toepassing."

13.2.    Artikel 18, lid 18.2.1.1, aanhef en onder c, van de planregels van het moederplan luidt: "Op de voor 'Waarde - Maastrichts erfgoed' aangewezen gronden met gemeentelijke monumenten zoals bedoeld in artikel 18.1.2 onder a tot en met d, alsmede ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorisch attentiegebied' zoals bedoeld in artikel 18.1.2 onder e mag uitsluitend worden gebouwd indien en voor zover:

    c. de bouwplannen niet strijdig zijn met de in de cultuurhistorische waardestelling toegekende waarden en toepasselijke richtlijnen, zoals vervat in de als bijlagen opgenomen rapporten "Inventarisatie bestemmingsplan Maastricht West (oktober 2010), "Archeologische en ruimtelijke karakteristiek bestemmingsplan Maastricht West (25 januari 2011)" en "Parochiewijken, Stedenbouwkundige karakteristiek t.b.v. MPE Maastricht (november 2010)" en worden uitgevoerd met inachtneming van vorenbedoelde richtlijnen".

13.3.    De Afdeling stelt vast dat in het moederplan de bestemming "Wonen - Uit te werken", de dubbelbestemming "Waarde - Maastrichts Erfgoed" en de functieaanduiding "specifieke vorm van waarde -cultuurhistorisch attentiegebied" aan het plangebied zijn toegekend.

13.4.    Niet in geschil is dat het plangebied is gelegen binnen de schootsvelden van de Hoge Fronten en Fort Willem. In de "Inventarisatie bestemmingsplan Maastricht West (oktober 2010),

"Archeologische en ruimtelijke karakteristiek bestemmingsplan Maastricht West (25 januari 2011)" en "Parochiewijken, Stedenbouwkundige karakteristiek t.b.v. MPE Maastricht (november 2010)" met betrekking tot dit attentiegebied, is beschreven dat de schootsvelden zoveel mogelijk gevrijwaard dienen te blijven van bebouwing.

13.5.    Het college heeft toegelicht dat er door de concentratie van bebouwing in het plangebied aan de noordelijke en noordwestelijke rand, het overige deel van het plangebied gevrijwaard blijft van bebouwing en deel kan gaan uitmaken van het Frontenpark, dat een groene gordel zal gaan vormen aan de noordwestelijke buitenrand van de binnenstad, met inbegrip van de Hoge en Lage Fronten, Fort Willem en de overige onbebouwde gronden in het voormalige schootsveld. Gelet op deze toelichting heeft het college zich, naar het oordeel van de Afdeling, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de genoemde richtlijnen niet in de weg staan aan het toestaan van bebouwing in het plan. De Afdeling oordeelt daarom dat het college het plan overeenkomstig artikel 18 van de planregels van het moederplan heeft vastgesteld.

    Het betoog slaagt niet.

M.e.r.-beoordeling

14.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen stellen dat er ten onrechte geen vormvrije m.e.r.-beoordeling is verricht.

14.1.    Onder verwijzing naar haar uitspraken van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253, overweegt de Afdeling dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

14.2.    Naar het oordeel van de Afdeling kan de ontwikkeling van de twaalf vrijstaande woningen die in het plan is voorzien, gelet op de omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, behoefde er geen m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.

    Het betoog slaagt niet.

Water

15.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen betogen verder dat een gedegen onderzoek naar de riolering en reeds bestaande wateroverlast ontbreekt.

15.1.    De Afdeling stelt voorop dat het plan niet hoeft te voorzien in een oplossing voor bestaande wateroverlast. Ook hoeft in het plan niet de inrichting van het rioleringssysteem te worden geregeld. In paragraaf 3.4.7 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect water. Daarbij is aandacht besteed aan waterveiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit en verdroging. Ter zitting is voorts door het college toegelicht dat het plangebied zal worden verhoogd en richting het oosten, van de gebouwde omgeving af, zal worden afgewaterd. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het aspect water voldoende rekening is gehouden en dat niet voor onaanvaardbare wateroverlast als gevolg van het plan behoeft te worden gevreesd.

    Het betoog slaagt niet.

Geluidhinder

16.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen betogen dat er bij het onderzoek naar geluidhinder enkel is onderzocht of sprake is van geluidhinder voor de toekomstige bewoners van de voorziene woningen. Volgens hen is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de geluidhinder die de huidige omwonenden zullen ondervinden als gevolg van de extra verkeersbewegingen.

16.1.    Het college stelt dat de in het plan voorziene woningbouwontwikkeling niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het akoestische klimaat van de omwonenden. Volgens het college is de toename van het verkeer relatief klein, omdat het plan in maximaal twaalf nieuwe woningen voorziet en de ontsluiting van het plangebied, die door De Ravelijn loopt, niet als doorgaande weg zal gaan dienen. De nieuwe weg die op de zuidoostelijke hoek van de Halvemaanstraat zal worden ontsloten, krijgt een eenrichtingsregime. De verkeersintensiteit op deze nieuwe weg is daarbij gering, aangezien slechts negen van de twaalf woningen via deze weg worden ontsloten, aldus het college.

16.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersgeneratie die wordt veroorzaakt door de bouw van maximaal twaalf woningen en de ontsluiting van het plangebied op de Halvemaanstraat, niet zodanig is dat daardoor het akoestische klimaat van omwonenden op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Onder deze omstandigheden bestond er geen noodzaak voor een akoestisch onderzoek als door Bewonersvereniging Ravelijn en anderen gewenst.

    Het betoog slaagt niet.

Natuur

17.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen betogen dat er, ten behoeve van de uitvoering van het project, een ontheffing is vereist op basis van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) aangezien het project grenst aan het rijksmonument Hoge Fronten. Op voorhand kan volgens Bewonersvereniging Ravelijn en anderen niet gesteld worden dat deze ontheffing zal worden verleend.

17.1.    De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat het college het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

17.2.    Ter zitting is door het college en de projectontwikkelaar toegelicht dat de ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb naar verwachting zal worden verleend door het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg. In hetgeen Bewonersvereniging Ravelijn en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze ontheffing bij voorbaat niet verleend zal kunnen worden. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    Het betoog slaagt niet.

Bodem

18.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen betogen dat bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen aandacht is besteed aan het aspect bodemverontreiniging. Zij wijzen erop dat bij de vergunningverlening de geldende wet- en regelgeving inzake bodemsanering dient te worden nageleefd.

18.1.    De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat het college het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

18.2.    In paragraaf 3.4.1 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect bodem. Uit het rapport "Econsultancy, Rapportage verkennend en

aanvullend bodemonderzoek (incl. asbest), Groengebied Ravelijn te Maastricht", van 15 mei 2018, volgt dat er voorafgaand aan eventuele grondwerkzaamheden of het doorlopen van een Wet bodembeschermingsprocedure met een nader bodemonderzoek de omvang van de verontreiniging nader in beeld dient te worden gebracht. Zo nodig dient er via een besluit bepaald te worden of ernstige verontreinigingen gesaneerd moeten worden.

    De Afdeling ziet in het summiere betoog van Bewonersvereniging Ravelijn en anderen geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanwezige bodemverontreiniging op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

    Het betoog slaagt niet.

Exploitatiekosten en haalbaarheid plan

19.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen stellen dat het plan onvoldoende financieel is onderbouwd en dat het onderzoek naar de haalbaarheid van het plan onzorgvuldig is.

19.1.    In het kader van een beroep tegen een uitwerkingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd.

19.2.    In hoofdstuk 5 van de plantoelichting is de economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Hieruit blijkt dat met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst is gesloten waarin het kostenverhaal geregeld is, de exploitatiekosten daarmee anderszins verzekerd zijn en een exploitatieplan niet noodzakelijk is. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan uitvoerbaar is. Het betoog van Bewonersvereniging Ravelijn en anderen dat het haalbaarheidsonderzoek onzorgvuldig is, is niet nader onderbouwd en slaagt alleen al daarom niet.

    Het betoog slaagt niet.

Verwijzing naar zienswijzen

20.    Bewonersvereniging Ravelijn en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Bewonersvereniging Ravelijn en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

    Het betoog slaagt niet.

Conclusie

21.    Het beroep is ongegrond.

22.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. Van Loo

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020

418-928.