Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:996

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-05-2019
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
201806465/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806465/1/V3.

Datum uitspraak: 3 mei 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 30 juli 2018 in zaak nr. NL18.12311 in het geding tussen:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 30 juli 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat te Nieuw-Vennep, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 13 februari 2019 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij in Griekenland internationale bescherming geniet (artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000; hierna: de Vw 2000). Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2019:995, heeft de Afdeling ook op het hoger beroep van de echtgenoot van de vreemdeling beslist.

2.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3.    De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het besluit van 25 juni 2018 ten onrechte niet heeft beoordeeld of het vertrek van de vreemdeling naar Griekenland een risico op aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor haar gezondheid oplevert. De staatssecretaris voert hierover onder meer aan dat de vreemdeling voor die beoordeling een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 kan indienen.

3.1.    De onder 3 vermelde beoordeling is een beoordeling als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127. Uit dat arrest volgt dat als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvan voor een overdracht aantonen, de staatssecretaris bij het nemen van een overdrachtsbesluit krachtens de Dublinverordening (PB 2013, L 180) moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Het is niet in overeenstemming met dat arrest om die beoordeling pas te maken nadat de staatssecretaris een overdrachtsbesluit genomen heeft (zie de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2986).

3.2.    De staatssecretaris betoogt ten onrechte dat de beoordeling als bedoeld in het arrest C.K. alleen van belang is voor de beoordeling van overdrachtsbesluiten krachtens de Dublinverordening. De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4314, immers overwogen dat die beoordeling ook van belang is voor de beoordeling van een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.

3.3.    De staatssecretaris betoogt echter terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij bij het niet-ontvankelijk verklaren van een asielaanvraag ook een beoordeling als bedoeld in het arrest C.K. moet maken. Een betoog in het kader van dat arrest kan namelijk niet leiden tot verlening van een asielvergunning (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2815). Zo'n betoog gaat immers over de medische situatie van een vreemdeling in verband met de feitelijke overdracht of uitzetting. Die situatie houdt geen verband met de vraag of de vreemdeling verdragsvluchteling is of een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000. De staatssecretaris is dan ook niet gehouden om in het kader van een afwijzing van een asielaanvraag een beoordeling als bedoeld in het arrest C.K. te maken. Dat geldt ook voor het niet-ontvankelijk verklaren van een asielaanvraag zoals in deze zaak aan de orde is, omdat dat voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Vw 2000 gelijkgesteld wordt met een afwijzing (artikel 30a, tweede lid, van die wet).

3.4.    Zoals volgt uit 3.2, is een C.K.-beoordeling relevant in het kader van de beoordeling of de vreemdeling met toepassing van artikel 64 in aanmerking komt voor uitstel van vertrek. Dat doet de staatssecretaris in bepaalde gevallen ambtshalve (artikel 6.1e, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000). De staatssecretaris betoogt echter terecht dat hij bij het niet-ontvankelijk verklaren van een asielaanvraag niet ambtshalve beoordeelt of die bepaling van toepassing is (artikel 6.1e, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000). De vreemdeling kan daarvoor zelf kosteloos een aanvraag doen. Als de staatssecretaris die aanvraag afwijst, kan de vreemdeling daartegen beroep instellen. Daarmee is gewaarborgd dat de staatssecretaris een betoog in het kader van het arrest C.K. beoordeelt en dat de rechter die beoordeling kan toetsen.

3.5.    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Wat de staatssecretaris voor het overige heeft aangevoerd, hoeft daarom niet te worden besproken. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Over het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 25 juni 2018 overweegt de Afdeling dat, voor zover met wat hiervoor is overwogen niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en wat in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen daarom buiten het geding.

5.    Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.    Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft de staatssecretaris bij besluit van 13 februari 2019 opnieuw beslist op de asielaanvraag van de vreemdeling. Door de vernietiging van die uitspraak is de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen. Het besluit wordt daarom vernietigd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1901). De gronden van beroep die de vreemdeling tegen dit besluit naar voren brengt, hoeven dan ook niet meer te worden besproken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 30 juli 2018 in zaak nr. NL18.12311;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 13 februari 2019, V-nummers […] en […].

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Van Leeuwen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2019

373-848.

 

BIJLAGE

 

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 29

1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; of

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade […].

[…]

Artikel 30a

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:

a. de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet;

[…]

2. Het besluit een aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet gelijkgesteld met een afwijzing.

[…]

Artikel 64

Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 6.1e

1. Bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ambtshalve beoordeeld of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Wet, tenzij op grond van artikel 3.6a, eerste lid, alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning is verstrekt.

2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 van de Wet, niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a van de Wet, is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid onder g, j of k van de Wet of buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c van de Wet.

[…]