Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:983

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
201802358/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:2489, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802358/1/V3.

Datum uitspraak: 29 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 februari 2018 in zaak nr. 16/26721 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 21 oktober 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van der Wielen, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Aangevallen uitspraak

1.    De rechtbank heeft overwogen dat de voor de vreemdeling noodzakelijke medicijnen Levetiracetam en Clopidogrel (hierna: de medicijnen) volgens het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 22 maart 2016, exclusief verkrijgbaar zijn bij een private apotheek. Volgens de rechtbank moet ervan worden uitgegaan dat dit betekenis heeft voor de verkrijgbaarheid en met name de prijs van de medicijnen. Daarom valt het volgens de rechtbank zeer te betwijfelen of de vreemdeling toegang heeft tot de voor haar medisch noodzakelijke behandeling in Ghana en moet de staatssecretaris, gelet op het arrest van het EHRM van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, die twijfel wegnemen door nader onderzoek te doen naar de kosten van de medicijnen, waarbij hij ook moet toelichten wat de exclusieve verkrijgbaarheid van de medicijnen bij een private apotheek voor de vreemdeling betekent.

Grief

2.    De enige grief is gericht tegen de onder 1 weergegeven overwegingen. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het arrest Paposhvili. In dat verband voert hij onder meer aan dat het aan de vreemdeling is om aan te tonen wat de kosten van de medicijnen in Ghana zijn en dat zij dat niet heeft gedaan met de enkele stelling dat de medicijnen verkrijgbaar zijn bij een private apotheek.

Beoordeling

3.    Tussen partijen is niet in geschil dat de vreemdeling voor haar medische klachten een geschikte medische behandeling en toegang tot die behandeling nodig heeft om te voorkomen dat haar uitzetting in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM. Volgens het BMA-advies van 22 maart 2016 en de BMA-nota van 30 augustus 2016 is die behandeling aanwezig in Accra, Ghana.

3.1.    In het arrest Paposhvili heeft het EHRM als volgt overwogen:

"183. The Court considers that the "other very exceptional cases" within the meaning of the judgment in N. v. the United Kingdom (§ 43) which may raise an issue under Article 3 should be understood to refer to situations involving the removal of a seriously ill person in which substantial grounds have been shown for believing that he or she, although not at imminent risk of dying, would face a real risk, on account of the absence of appropriate treatment in the receiving country or the lack of access to such treatment, of being exposed to a serious, rapid and irreversible decline in his or her state of health resulting in intense suffering or to a significant reduction in life expectancy. The Court points out that these situations correspond to a high threshold for the application of Article 3 of the Convention in cases concerning the removal of aliens suffering from serious illness.

[…]

186. In the context of these procedures, it is for the applicants to adduce evidence capable of demonstrating that there are substantial grounds for believing that, if the measure complained of were to be implemented, they would be exposed to a real risk of being subjected to treatment contrary to Article 3 (see Saadi, cited above, § 129, and F.G. v. Sweden, cited above, § 120). In this connection it should be observed that a certain degree of speculation is inherent in the preventive purpose of Article 3 and that it is not a matter of requiring the persons concerned to provide clear proof of their claim that they would be exposed to proscribed treatment (see, in particular, Trabelsi v. Belgium, no. 140/10, § 130, ECHR 2014 (extracts))."

3.2.    Zoals volgt uit de uitspraak van 28 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2629, heeft de Afdeling uit punt 183 van het arrest Paposhvili afgeleid dat het EHRM heeft benadrukt dat de drempel voor een beroep op artikel 3 van het EVRM in zaken die gaan over het uitzetten van ernstig zieke vreemdelingen, onverminderd hoog blijft. Uit punt 186 van het arrest Paposhvili heeft de Afdeling afgeleid dat het aan een vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt en dat het, eerst als die vreemdeling dit bewijs, mede in relatie tot de feitelijke toegankelijkheid tot de voor hem noodzakelijke medische behandeling, heeft geleverd, aan de nationale autoriteiten van de uitzettende staat is om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen. Dit betekent dat de vreemdeling moet aantonen wat de kosten van de voor hem noodzakelijke behandeling in het land van herkomst zijn. Verder moet de vreemdeling, als hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen voor hem feitelijk niet toegankelijk is, dat aannemelijk maken.

3.3.    De staatssecretaris voert terecht aan dat de vreemdeling, met de enkele stelling dat de medicijnen slechts verkrijgbaar zijn bij een private apotheek, niet heeft aangetoond wat de daadwerkelijke kosten zijn van de volgens het BMA in Accra aanwezige behandeling. Alleen al daarom slaagt de grief.

Conclusie hoger beroep

4.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 21 oktober 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Beroep

5.    De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat zij de medicijnen bij in ieder geval vier verschillende apotheken in Accra zal moeten ophalen. Nu uit het BMA-advies blijkt dat zij voor langere afstanden een duwrolstoel nodig heeft en zij daarnaast geen zorgnetwerk in Ghana heeft omdat haar ouders zijn overleden, zijn de medicijnen volgens de vreemdeling voor haar niet feitelijk toegankelijk.

5.1.    Anders dan de vreemdeling stelt, blijkt uit het BMA-advies dat de medicijnen verkrijgbaar zijn bij twee apotheken in Accra. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij geen hulp van familieleden of derden kan inschakelen om de medicijnen bij de apotheken op te halen. In dit verband is van belang dat de vreemdeling heeft gesteld dat twee volwassen dochters van haar in Ghana wonen.

De grond faalt.

6.    De vreemdeling heeft in beroep verder betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte heeft afgezien van het horen in de bezwaarprocedure.

6.1.    Zoals onbestreden is vermeld in het besluit van 21 oktober 2016, hebben de vreemdeling en haar gemachtigde de staatssecretaris op 18 oktober 2016 laten weten dat zij afzien van de geplande hoorzitting. Nu de vreemdeling en haar gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord in de bezwaarprocedure, maar zelf de keuze hebben gemaakt daarvan af te zien, slaagt het betoog niet.

De grond faalt.

Conclusie beroep

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 februari 2018 in zaak nr. 16/26721;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2019

154-839.