Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:977

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
201901728/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 24 januari 2019 besloten een ondergrondse container voor restafval (hierna: ORAC) te plaatsen op of bij [locatie] te Ommeren (locatie B063R).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901728/1/A1.

Datum uitspraak: 29 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker], wonend te Ommeren, gemeente Buren, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Ommeren, gemeente Buren,

en

het dagelijks bestuur van Avri (hierna: het dagelijks bestuur),

verweerder.

Procesverloop

Het dagelijks bestuur heeft bij besluit van 24 januari 2019 besloten een ondergrondse container voor restafval (hierna: ORAC) te plaatsen op of bij [locatie] te Ommeren (locatie B063R).

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 maart 2019, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. E.M. Uittewaal, advocaat te Ochten, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.B. van Doorn en D. Post, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [verzoeker] woont op het adres [locatie] te Ommeren. Het besluit van 24 januari 2019 voorziet in de plaatsing van een ORAC in de nabijheid van zijn woning. [verzoeker] is het niet eens met de aanwijzing van de locatie. Hij heeft een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat het dagelijks bestuur tot de plaatsing van de ORAC zal overgaan voordat het op zijn bezwaren heeft beslist.

2.    [verzoeker] betoogt dat het dagelijks bestuur niet locatie B063R heeft kunnen aanwijzen voor de plaatsing van een ORAC. Hij voert aan dat onder de gekozen locatie een riolering aanwezig is, dat meer geschikte alternatieve locaties aanwezig zijn in het dekkingsgebied, dat stankoverlast zal ontstaan en dat de afstand tot de erfgrens in afwijking van de door het dagelijks bestuur op 19 april 2018 vastgestelde Richtlijnen voor het plaatsen van inzamelvoorzieningen minder dan 2,00 m bedraagt. Verder betoogt [verzoeker] dat de gekozen locatie niet verkeersveilig is en dat de gekozen locatie een belemmering zal opleveren voor het bereiken van zijn inrit.

3.    Het dagelijks bestuur heeft ter zitting van de voorzieningenrechter nader toegelicht dat de ORAC niet zal worden geplaatst op de op kaart weergegeven locatie, omdat daar een riolering aanwezig is, maar dat de ORAC enkele meters zal worden verplaatst. Volgens het dagelijks bestuur is het de bedoeling dat de ORAC op een afstand van 5,95 m van het perceel van [verzoeker] zal worden geplaatst. Deze andere locatie is evenwel niet opgenomen in de tekening bij het besluit van 24 januari 2019. Het betoog van [verzoeker] dat onder de gekozen locatie een riolering aanwezig is terecht voorgedragen en onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding het besluit van 24 januari 2019 te schorsen.

4.    Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

5.    Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het dagelijks bestuur van Avri van 24 januari 2019, kenmerk UIT-18-00568 tot zes weken nadat het dagelijks bestuur van Avri het te nemen besluit op het bezwaar van [verzoeker] bekend heeft gemaakt;

II.    veroordeelt het dagelijks bestuur van Avri tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.064,90 (zegge: duizendvierenzestig euro en negentig cent), waarvan € 1.024,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat het dagelijks bestuur van Avri aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Vermeulen

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2019

700.