Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:975

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
201807942/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2017 heeft de burgemeester twee overzichten met verwerkte persoonsgegevens verstrekt aan [verzoeker A] en [verzoeker B].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807942/2/A3.

Datum uitspraak: 29 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend te [woonplaats],

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 augustus 2018 in zaak nr. 18/1138 in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B]

en

de burgemeester van Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2017 heeft de burgemeester twee overzichten met verwerkte persoonsgegevens verstrekt aan [verzoeker A] en [verzoeker B].

Bij uitspraak van 20 augustus 2018 heeft de rechtbank het beroep dat door [verzoeker A] en [verzoeker B] is ingesteld tegen het niet tijdig door de burgemeester nemen van een besluit op bezwaar gegrond verklaard, de burgemeester opgedragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit op bezwaar te nemen en bepaald dat de burgemeester een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00.

Tegen deze uitspraak hebben onder meer [verzoeker A] en [verzoeker B] hoger beroep ingesteld.

[verzoeker A] en [verzoeker B] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 maart 2019, waar [verzoeker A] en [verzoeker B], in de persoon van [verzoeker A], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. B. Timmermans, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    [verzoeker A] en [verzoeker B] verzoeken om bij wijze van voorlopige voorziening de door de burgemeester verschuldigde dwangsom vast te stellen op een hoger bedrag dan de rechtbank heeft gedaan. Zij stellen dat deze hogere dwangsom nodig is omdat de burgemeester nog altijd geen besluit heeft genomen op i) hun bezwaarschrift van 23 januari 2018, ii) het verzoek om verwijdering van persoonsgegevens dat zij in dat bezwaarschrift hebben opgenomen en iii) hun verzoek van 19 maart 2018 om verwijdering van persoonsgegevens.

3.    Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter stellen [verzoeker A] en [verzoeker B] ten onrechte dat de burgemeester deze drie besluiten nog altijd niet heeft genomen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.1.    Het bezwaarschrift van 23 januari 2018 is gericht tegen een besluit van de burgemeester van 21 december 2017. Bij dit besluit heeft de burgemeester twee overzichten van verwerkte persoonsgegevens verstrekt aan [verzoeker A] en [verzoeker B]. Dit besluit is een vervolg op een besluit van 27 oktober 2017, waarbij een verzoek van [verzoeker A] en [verzoeker B] om mee te delen welke hen betreffende persoonsgegevens worden verwerkt, is ingewilligd en waarbij is toegezegd dat overzichten van verwerkte persoonsgegevens zullen worden nagezonden. Tegen het besluit van 27 oktober 2017 hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] bij brief van 20 november 2017 bezwaar gemaakt. In zijn besluit van 2 mei 2018 is de burgemeester zowel op het bezwaarschrift van 20 november 2017 als op het bezwaarschrift van 23 januari 2018 ingegaan. In het besluit staat dat de brief van 20 november 2017 is aangemerkt als bezwaarschrift en de brief van 23 januari 2018 als aanvulling van de gronden van het bezwaar. In de motivering van het besluit is de burgemeester ook ingegaan op de gronden die zijn opgenomen in de brief van 23 januari 2018 en die zijn gericht tegen het besluit van 21 december 2017. Dat de burgemeester, naar [verzoeker A] en [verzoeker B] stellen, in de motivering van het besluit ten onrechte niet is ingegaan op een passage uit het bezwaarschrift van 23 januari 2018, maakt niet dat hij in zoverre nog een besluit op het bezwaarschrift moet nemen. Voor zover [verzoeker A] en [verzoeker B] zich niet kunnen verenigen met het besluit en de motivering daarvan, kunnen zij dat in de procedure tegen dat besluit aan de orde stellen.

3.2.    In het bezwaarschrift van 23 januari 2018 vragen [verzoeker A] en [verzoeker B] om verwijdering van persoonsgegevens die volgens hen onjuist zijn. Hierover heeft de burgemeester zich in het besluit van 2 mei 2018 op het standpunt gesteld dat het verwijderen of corrigeren van persoonsgegevens de reikwijdte van de heroverweging in bezwaar te buiten gaat. Hiermee heeft de burgemeester ook op dit onderdeel van het bezwaarschrift een besluit genomen.

3.3.    [verzoeker A] en [verzoeker B] hebben het verzoek om verwijdering van persoonsgegevens herhaald en nader toegelicht bij brief van 19 maart 2018. Bij besluit van 14 juni 2018, verzonden op 16 juli 2018, is beslist op dit verzoek. Dat dit besluit, naar [verzoeker A] en [verzoeker B] stellen, gebrekkig is, laat onverlet dat het een besluit is op het verzoek. De gestelde gebreken kunnen aan de orde komen in een procedure tegen het besluit.

4.    Omdat de burgemeester naar voorlopig oordeel de drie in overweging 2 vermelde besluiten reeds heeft genomen, is er geen aanleiding om de burgemeester door middel van een hogere dwangsom te bewegen om alsnog besluiten te nemen. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5.    De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, onder meer omdat naar voorlopig oordeel het besluit van 14 juni 2018 met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht alsnog in het geding moet worden betrokken.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Herweijer

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2019

640.