Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:973

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
201808273/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:12329, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 augustus 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2019/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808273/1/V1.

Datum uitspraak: 28 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 oktober 2018 in zaak nr. NL18.15894 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover de staatssecretaris daarbij heeft geweigerd om aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.W.B. van Twist, advocaat te Dordrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    In rechte staat vast dat de staatssecretaris eerder op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen. Verder staat vast dat de staatssecretaris de vreemdeling niet uit Nederland verwijdert wegens een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar het land van herkomst, te weten Rusland, en dat daarmee sprake is van een duurzaam uitzettingsbeletsel.

De vreemdeling wil een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid in paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). Om die te verkrijgen heeft hij een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

Het hoger beroep gaat alleen over de vraag of de staatssecretaris bevoegd was om in het kader van een opvolgende asielprocedure ambtshalve te beoordelen of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

De aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris meent de onder 2. genoemde bevoegdheid te kunnen ontlenen aan artikel 3.6b, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), maar dat dit onjuist is, omdat de verwijzing in dit artikel naar artikel 3.6a, eerste lid, van het Vb 2000 maakt dat alleen bij afwijzing van een eerste asielaanvraag ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend en het in dit geval om een opvolgende asielaanvraag gaat. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de nota van toelichting, blz. 19; Stb. 2013, 580, waar staat dat bij een tweede of volgende asielaanvraag wordt gestreefd naar een versnelde afdoening en dat alleen nog wordt gekeken of er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Als zowel een asielnovum als een humanitair-regulier novum worden ingebracht, komen deze niet in dezelfde toets aan de orde. Er zullen dan twee aparte vervolgaanvragen moeten worden ingediend, aldus de nota van toelichting.

De rechtbank heeft daaraan de conclusie verbonden dat de vreemdeling met zijn beroep niet kan bereiken wat hij beoogt. Gelet op zijn brief van 12 november 2017 aan de staatssecretaris moet het beroep daarom worden opgevat als gericht tegen de weigering van de staatssecretaris om te beslissen op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op tijdelijke humanitaire gronden, waarop hij ten onrechte niet heeft beslist. Vervolgens heeft de rechtbank de staatssecretaris opgedragen alsnog een besluit te nemen op deze reguliere aanvraag.

De grief

4.    De enige grief is gericht tegen de onder 3. weergegeven overwegingen. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat hij met zijn besluit van 29 augustus 2018 heeft gehandeld in lijn met wat de Afdeling in haar uitspraak van 15 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3779, heeft overwogen over zijn bevoegdheid om de beoordeling of het aan een 1F-er blijvend onthouden van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd disproportioneel is, te verrichten in het kader van een asielprocedure. Bovendien heeft de rechtbank een onjuiste uitleg gegeven aan de na die uitspraak in werking getreden regelgeving. Daarbij heeft de staatssecretaris erop gewezen dat het in paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vc 2000 neergelegde duurzaamheidsvereiste slechts aan de orde kan zijn bij een opvolgende asielaanvraag. Daarnaast betoogt de staatssecretaris over de reikwijdte en strekking van artikel 3.6b van het Vb 2000 dat dit artikel hem een algemene bevoegdheid tot een ambtshalve vergunningverlening geeft die niet wordt ingeperkt door de artikelen 3.6 en 3.6a van het Vb 2000. Met de term 'onverminderd' in artikel 3.6b wordt bedoeld dat bij afwijzing van een eerste asielaanvraag de procedure van artikel 3.6a moet worden gevolgd, maar wordt niet bedoeld dat alleen bij afwijzing van een eerste asielaanvraag ambtshalve in die procedure een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd mag worden verleend, aldus de staatssecretaris.

4.1.    Aan het onder 3. vermelde citaat uit de nota van toelichting in Stb. 2013, 580, kan geen dragend argument worden ontleend, alleen al omdat die passage is opgenomen onder het kopje 'Vervolgaanvraag asiel en samenloop met reguliere aanvraag'. In dit geval is de aanvraag gedaan in de vorm van een asielaanvraag. Volgens de nota van toelichting, blz. 35, is met artikel 3.6b van het Vb 2000 in algemene zin geregeld wanneer krachtens dit artikel ambtshalve vergunningverlening mogelijk is. De Afdeling onderschrijft dan ook de lezing van de staatssecretaris dat de term 'onverminderd' in artikel 3.6b van het Vb 2000 betekent dat bij afwijzing van een eerste asielaanvraag de vereisten van artikel 3.6a van het Vb 2000 onverkort van toepassing zijn, en dat daarnaast voor hem de algemene bevoegdheid bestaat ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen in de gevallen omschreven in artikel 3.6b van het Vb 2000. In het concrete geval van een opvolgende asielaanvraag betekent dit, in lijn met de onder 4. genoemde uitspraak van 15 juli 2011, dat de staatssecretaris, bevoegd is in zijn besluit op zo'n aanvraag te beoordelen of aan de in paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vc 2000 neergelegde beleidsvereisten is voldaan. Dat heeft de staatssecretaris in het besluit van 29 augustus 2018 gedaan.

De grief slaagt.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen overweegt de Afdeling als volgt.

In het beroep

6.     Het beroep gaat over de vraag of de staatssecretaris in het besluit van 29 augustus 2018 toereikend heeft gemotiveerd waarom het onthouden van een verblijfsvergunning niet disproportioneel is in de zin van paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vc 2000.

6.1.    De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris zijn individuele omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen. Daarbij heeft de vreemdeling gewezen op een gedoogd verblijf van meer dan elf jaar, gerekend vanaf de datum van de eerste asielaanvraag, de zorg en opvoeding van zijn dochter in Nederland, haar rechtmatig verblijf in Nederland, zijn slechte gezondheid, die blijkt uit zijn medicijngebruik, zijn banden met Nederland, de beheersing van de Nederlandse taal en inburgering, de aansluiting bij de Jehova's Getuigen en zijn activiteiten in de worstelsport. Daarnaast heeft hij gewezen op de problemen die hij ondervindt van het verstoken zijn van een verblijfstitel, waaronder het ontbreken van een ziektekostenverzekering, het verbod deel te nemen aan het arbeidsproces en zijn financiële afhankelijkheid van zijn dochter, die is aangewezen op studiefinanciering. Ook betoogt de vreemdeling dat zijn gehele familie in Nederland woont en hij niemand in Rusland heeft.

6.2.    De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 29 augustus 2018 op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien niet zo uitzonderlijk zijn dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. De omstandigheid dat de vreemdeling geen legale arbeid kan verrichten is een beoogd gevolg van zijn verblijfsstatus. Dat geldt ook voor het feit dat hij geen ziektekostenverzekering kan afsluiten. Over de medische problematiek heeft de staatssecretaris het standpunt ingenomen dat uit artikel 10, tweede lid, van de Vw 2000 volgt dat de vreemdeling, zolang hij in Nederland verblijft, voor medisch noodzakelijke zorg in aanmerking komt. Over de dochter van de vreemdeling heeft de staatssecretaris opgemerkt dat zij inmiddels meerderjarig is en geacht wordt zich zelfstandig staande te kunnen houden. Niet is gebleken dat zij in bijzondere mate afhankelijk is van de zorg van de vreemdeling, aldus de staatssecretaris. Verder heeft de staatssecretaris erop gewezen dat het uit artikel 3 van het EVRM voortvloeiende uitzettingsbeletsel meebrengt dat de vreemdeling, zolang daarvan sprake is, niet van zijn dochter zal worden gescheiden. Schending van artikel 8 van het EVRM doet zich dan ook niet voor, aldus de staatssecretaris.

6.3.    Op de onder 6.2. omschreven wijze heeft de staatssecretaris alle door de vreemdeling gestelde belangen voldoende kenbaar betrokken bij de beoordeling of zich de uitzonderlijke situatie voordoet dat het onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Bij afweging van deze belangen tezamen tegen het algemeen belang dat Nederland geen vluchthaven wordt voor personen op wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, heeft de staatssecretaris niet ten onrechte aan het algemeen belang meer gewicht toegekend.

De beroepsgrond faalt.

6.4.     Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 oktober 2018 in zaak nr. NL18.15894;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J. van Eck en  mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Groeneweg

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2019

32.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 14

1. Onze minister is bevoegd:

(..)

e. ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen

(..)

3. (..) Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ambtshalve verlening (..)

Artikel 16

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:

(..)

d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

(..)

Artikel 30a

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:

(..)

d. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waarbij door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin  geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag;

(..)

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.6

1. Bij afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan alsnog ambtshalve een dergelijke verblijfsvergunning worden verleend:

(..)

e. onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in artikel 3.48, tweede lid, onder b;

(..)

Artikel 3.6a

1. Bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel  voor bepaalde tijd kan alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend:

(..)

c. onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden als bedoeld in artikel 3.48, tweede lid, onder b.

(..)

Artikel 3.6b

Onverminderd de artikelen 3.6 en 3.6a kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve worden verleend:

a. onder een beperking verband houdend met (..) tijdelijke humanitaire gronden (..);

(..)

Artikel 3.48

1. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling die

(..)

2. De verblijfsvergunning kan voorts worden verleend aan:

(..)

b. andere vreemdelingen dan bedoeld in het eerste lid.

(..)

4.  Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.

Artikel 3.77

1. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien:

a. er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag;

(..)

Vreemdelingencirculaire 2000

Paragraaf C2/7.10.2.6 Duurzaamheid en proportionaliteit

Indien aan de vreemdeling op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, maar tegelijkertijd aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM beoordeelt de IND alle volgende omstandigheden:

(..)

b. of de gevolgen voor de vreemdeling van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn, afgewogen tegen de belangen van de Staat om artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag te handhaven.

(..)

Ad b.

De IND neemt disproportionaliteit aan indien de vreemdeling aantoont dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt.

Indien de vreemdeling disproportionaliteit heeft aangetoond en de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleent de IND krachtens artikel 3.6b, onder a, Vb ambtshalve een verblijfsvergunning onder de beperking humanitair tijdelijk op grond van artikel 3.48, tweede lid onder b, Vb.

(..).