Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:97

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
201803881/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:1928, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 september 2017 heeft de algemene raad het verzoek van [appellant] om voor het vak ‘Aansprakelijkheid en schadevergoeding’ in aanmerking te komen voor een vierde toetskans afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803881/1/A2.

Datum uitspraak: 16 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 maart 2018 in zaak nr. 18/468 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: de algemene raad).

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2017 heeft de algemene raad het verzoek van [appellant] om voor het vak ‘Aansprakelijkheid en schadevergoeding’ in aanmerking te komen voor een vierde toetskans afgewezen.

Bij besluit van 18 december 2017 heeft de algemene raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 maart 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De algemene raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2018, waar [appellant] en de algemene raad, vertegenwoordigd door mr. M.E. Veenboer, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellant] is op 22 augustus 2014 beëdigd als advocaat en voorwaardelijk ingeschreven op het tableau. Als onderdeel van de driejarige stage, die loopt tot 22 augustus 2017, is hij begonnen aan de beroepsopleiding voor advocaten.

    In het kader van deze beroepsopleiding heeft [appellant] op 21 juni 2016 en 29 oktober 2016 toetsen afgelegd in het keuzevak ‘Aansprakelijkheid en schadevergoeding’. Dit was het laatste onderdeel van de beroepsopleiding dat [appellant] nog moest behalen om de stage te kunnen voltooien. Deze toetsen zijn beoordeeld met een onvoldoende. Op 3 mei 2017 heeft hij de toets voor de derde keer afgelegd. Bij het besluit van 4 mei 2017 heeft de Examencommissie deze toets beoordeeld en het behaalde resultaat vastgesteld op onvoldoende. De Examencommissie heeft [appellant] vervolgens meegedeeld dat deze toets de derde toetskans was en dat hij geen herkansingsmogelijkheid meer heeft voor dit vak.

2.    Bij brief van 11 juli 2017 heeft [appellant] de algemene raad onder meer verzocht om een vierde toetskans voor het vak ‘Aansprakelijkheid en schadevergoeding’. Volgens hem leidt een strikte toepassing van de regels in zijn geval tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 3.19, negende lid, van de Verordening op de advocatuur (hierna: de Verordening).

    Bij het besluit van 6 september 2017, gehandhaafd bij het besluit van 18 december 2017, heeft de algemene raad het verzoek van [appellant] afgewezen.

    Volgens de algemene raad heeft [appellant] bewust gekozen voor het keuzevak ‘Aansprakelijkheid en schadevergoeding’, ondanks dat hij bestuursrechtelijk is afgestudeerd en werkzaam is in een voornamelijk bestuursrechtelijke overheidspraktijk. Hij heeft de toets voor het keuzevak drie maal afgelegd met een onvoldoende resultaat. De hoofdregel van artikel 3.19, zesde lid, van de verordening luidt dat per onderdeel van het examen ten hoogste drie maal een toets kan worden afgelegd. De tweede en de derde toetskans zijn bedoeld als een herkansing van de eerste toetskans. De beperking van het aantal toetskansen is ingegeven door het belang dat wordt gehecht aan de kwaliteit van de advocatuur en daarmee het bevorderen van een goede rechtsbedeling. Om die reden is de algemene raad zeer terughoudend met het verlenen van een extra toetskans en toepassing van de hardheidsclausule van artikel 3.19, negende lid. Slechts wanneer is gebleken van een onbillijkheid van overwegende aard, kan een extra toetskans worden aangevraagd.

    Alle belangen in onderlinge samenhang bezien is de algemene raad in zijn besluit van 18 december 2017 tot de conclusie gekomen dat onverkorte toepassing van artikel 3.19, zesde lid, onder de gegeven omstandigheden niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, zoals bedoeld in artikel 3.19, negende lid, van de Verordening.

Hoger beroep

3.    Het hoger beroep ziet op het oordeel van de rechtbank over de weigering van de algemene raad om [appellant] een vierde toetskans te geven voor het vak ‘Aansprakelijkheid en schadevergoeding’. Volgens de rechtbank heeft de algemene raad zich op standpunt mogen stellen dat geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij door de algemene raad onjuist is geïnformeerd over de mogelijkheid om op een later moment, na de geboorte van zijn derde kind, zijn laatste herkansingstoets af te leggen. Volgens [appellant] heeft de algemene raad hem voor de keuze gesteld de derde toets op 3 mei 2017 of op 3 juni 2017 te maken en daarbij nagelaten hem te wijzen op de mogelijkheid deze toets na 3 juni 2017 en voor 22 augustus 2017 af te leggen. Hij heeft zich genoodzaakt gevoeld om de toets te maken in een voor hem drukke en belastende periode. In dit verband noemt [appellant] de zorg voor zijn zwangere vrouw die omstreeks 27 juni 2017 zou bevallen van hun derde kind. Door hem onder deze omstandigheden te houden aan zijn toetsresultaat van 3 mei 2017 handelt de algemene raad in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [appellant] ook naar een uitspraak van het voormalige Curatorium Beroepsopleiding Advocatuur van 21 januari 2013. In deze zaak heeft het Curatorium geoordeeld dat het in strijd is met de zorgvuldigheid om de uitslag van een afgelegde derde toets te handhaven in het geval sprake is van onjuiste informatieverstrekking aan de zijde van de Orde, aldus [appellant].

5.    Artikel 3.19 van de Verordening luidt:

"[…]

6 De stagiaire kan per onderdeel ten hoogste drie maal een toets afleggen.

[…]

9 De algemene raad kan afwijken van het derde tot en met achtste lid in gevallen waarin toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard."

6.    Op 16 februari 2017 heeft de uitvoeringsorganisatie beroepsopleiding advocaten CPO/Dialogue, naar aanleiding van het verzoek van [appellant] de derde toets in het vak ‘Aansprakelijkheid en schadevergoeding’ vervroegd te mogen afleggen, hem meegedeeld dat hij in de gelegenheid wordt gesteld deze toets vóór 3 juni 2017 te maken. In deze mededeling staat dat [appellant] desgewenst op 3 mei 2017 een mondelinge toets kan afleggen en dat over de nieuwe toetsdatum niet kan worden gecorrespondeerd. Verder is vermeld dat indien [appellant] vragen mocht hebben, een nadere toelichting vanzelfsprekend zal worden gegeven.

    Zoals onder 1. is overwogen heeft [appellant] op 3 mei 2017 de toets voor de derde keer afgelegd en hiervoor een onvoldoende behaald.

7.    In de schriftelijke uiteenzetting van 27 juni 2018 heeft de algemene raad erkend dat [appellant] op 5 januari 2017 door de examencommissie van de Beroepsopleiding Advocaten onjuist is ingelicht door te melden dat de uitslag van de derde toets en eventuele bezwaarprocedure binnen de stagetermijn van drie jaar dient te vallen. De examencommissie heeft dit in een besluit van 27 maart 2017 over het bezwaar van [appellant] tegen de beoordeling van de tweede toets slechts gedeeltelijk hersteld door in dit besluit op te nemen dat de drie toetspogingen binnen de stageperiode moeten vallen. Hierbij is [appellant] ten onrechte meegedeeld dat dit inclusief de uitslag betreft.

    Uit deze gang van zaken trekt de Afdeling de conclusie dat de aan [appellant] gegeven informatie gebrekkig is geweest. Hieronder zal de Afdeling oordelen of dit gezien de overige hogerberoepsgronden van [appellant] met zich brengt dat de algemene raad hem een vierde toetskans moest geven.

8.    [appellant] is bestuursrechtelijk afgestudeerd en werkzaam in een hoofdzakelijk bestuursrechtelijke overheidspraktijk. Bij de beroepsopleiding heeft hij gekozen voor de leerlijn burgerlijk recht. De keuze om zich te verbreden heeft zich naar eigen zeggen tegen hem gekeerd. In zijn verzoek om een vierde toetskans van 11 juli 2017 verklaart [appellant] daarover dat de leerlijn burgerlijk recht hem wat betreft studiebelasting en diepgang erg is tegengevallen. Het door hem gekozen keuzevak ‘Aansprakelijkheid en schadevergoeding’ bleek een complex vak, dat volgens [appellant] uitsluitend voldoende beheerst kan worden wanneer ook een civiele praktijk wordt gevoerd.

    Bij e-mail van 2 januari 2017 heeft [appellant] bij de uitvoeringsorganisatie geïnformeerd over de mogelijkheid de derde toetskans voor het keuzevak eerder dan op 3 juni 2017, de reguliere tentamendatum, te mogen maken. In de beroepsprocedure haalt [appellant] zijn privésituatie aan als reden om de toets eerder te willen afleggen. Zijn echtgenote was zwanger en op 25 juni 2017 uitgerekend. Hij vond het geen prettig idee dat zijn derde en allesbeslissende toetskans drie weken voor de uitgerekende datum stond gepland. Tevens wilde hij zo snel mogelijk een einde maken aan de onzekerheid omtrent het al dan niet werkzaam kunnen blijven voor zijn werkgever.

    De wens van [appellant] de derde toets eerder dan op 3 juni 2017 af te leggen is dus mede ingegeven door persoonlijke en aan zijn loopbaan gerelateerde motieven. De uitvoeringsorganisatie is gezien eerdergenoemde mededeling van 16 februari 2017 hem hierin tegemoetgekomen.

    Indien [appellant] de toets bij nader inzien op een later moment had willen afleggen dan had hij, zoals de algemene raad op de zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, hierover contact kunnen opnemen met de uitvoeringsorganisatie, zoals hij dit ook heeft gedaan op 2 januari 2017. Dat in de mededeling van de uitvoeringsorganisatie van 16 februari 2017 staat dat over de nieuwe toetsdatum van 3 mei 2017 niet kan worden gecorrespondeerd doet hieraan niet af. In deze brief staat immers ook dat indien [appellant] vragen mocht hebben, een nadere toelichting vanzelfsprekend zal worden gegeven. In ieder geval was het gezien de wens van [appellant] om de toets eerder dan op 3 juni 2017 te mogen afleggen, niet zonder meer aan de algemene raad hem te wijzen op de mogelijkheid de toets ook later te kunnen afleggen.

    De algemene raad heeft ter zitting verklaard dat [appellant] in de periode vóór 3 mei 2017 nog de mogelijkheid had de algemene raad te verzoeken om een toetsdatum na de bevalling en voor het verstrijken van de stagetermijn op 22 augustus 2017. De algemene raad heeft zich hierbij op het standpunt mogen stellen dat [appellant] op basis van het besluit van 27 maart 2017 van deze mogelijkheid op de hoogte had kunnen zijn. Hoewel in dit besluit ten onrechte staat dat ook de uitslag van de toetspoging binnen de stageperiode moet vallen, wist [appellant] vanaf dat moment dat de laatste toetspoging binnen de stagetermijn moest vallen. Dat hij niet vóór 3 mei 2017 een verzoek heeft ingediend de toets later te mogen maken dient daarom voor zijn rekening te komen.

9.    In de door [appellant] genoemde zaak die heeft geresulteerd in de uitspraak van het Curatorium van 21 januari 2013 is geoordeeld dat appellante door het Bureau van de Orde niet juist is geïnformeerd over een laatste toetsdatum. In die zaak was aannemelijk dat appellante daarbij ten onrechte een specifieke datum als voor haar geldende laatste toetsdatum is voorgehouden en dat zij, daarvan uitgaande, voor haar derde toetskans niet heeft kunnen kiezen uit de twee voor haar nog resterende data, doch dat haar geen keuze meer werd gelaten en voor haar slechts de mogelijkheid overbleef de toets af te leggen op een voor haar niet passende datum. Volgens het Curatorium zou het in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel om appellante onder die omstandigheden te houden aan de uitkomst van de door haar afgelegde derde toets.

    In het geval van [appellant] is echter sprake van andere omstandigheden. [appellant] heeft in eerste instantie zelf verzocht de derde toets eerder dan op de reguliere datum van 3 juni 2017 te mogen maken. Hij is toen in de gelegenheid gesteld de toets mondeling te laten afnemen op 3 mei 2017 in plaats van schriftelijk op 3 juni 2017. Daarbij komt dat hij zich later op het standpunt heeft gesteld dat 3 mei 2017 geen passende datum was en ook geen verzoek heeft ingediend de toets later te mogen maken. Van een vergelijkbare situatie is geen sprake.

10.    Het voorgaande brengt de Afdeling tot het oordeel dat de omstandigheden rondom de derde toetskans niet van dien aard zijn geweest dat hantering van het maximale aantal toetskansen van drie in dit geval zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De algemene raad mocht het verzoek van [appellant] om een vierde toetskans voor het keuzevak dan ook afwijzen. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Conclusie

11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Slump    w.g. Bindels

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019

85-834.