Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:955

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
201807199/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 29 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:806) heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2016 in zaak nr. 15/2423, voor zover daarbij het beroep dat betrekking heeft op het berekeningsjaar 2014 ongegrond is verklaard, vernietigd, het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 10 maart 2015, voor zover daarbij het bezwaar, gericht tegen het besluit van 21 maart 2014, dat betrekking heeft op het berekeningsjaar 2014, ongegrond is verklaard, vernietigd en bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807199/1/A2.

Datum uitspraak: 27 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

en

de Belastingdienst/Toeslagen,

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 29 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:806) heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2016 in zaak nr. 15/2423, voor zover daarbij het beroep dat betrekking heeft op het berekeningsjaar 2014 ongegrond is verklaard, vernietigd, het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 10 maart 2015, voor zover daarbij het bezwaar, gericht tegen het besluit van 21 maart 2014, dat betrekking heeft op het berekeningsjaar 2014, ongegrond is verklaard, vernietigd en bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 4 juli 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] tegen het besluit van 21 maart 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.G. Plet, advocaat te Spijkenisse, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] heeft in 2014 voor haar kinderen [kind A] en [kind B] gebruik gemaakt van kinderopvang bij [kindercentrum]. Ten behoeve van deze opvang heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan haar voorschotten kinderopvangtoeslag verstrekt. De Belastingdienst/Toeslagen heeft deze voorschotten per 1 april 2014 stopgezet. Tussen partijen is in geschil of [appellante] de kosten van kinderopvang over 2014 heeft voldaan.

2.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 maart 2017, onder verwijzing naar haar uitspraak van 8 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:589),  geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de stopzetting van het voorschot voor het berekeningsjaar 2014 niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht en in strijd met de voor opschorting geldende regels heeft gehandeld. Dit leidt ertoe dat over de periode vóór de stopzetting en over de periode ná de stopzetting afzonderlijk moet worden bezien of is voldaan aan de voorwaarden om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen. In een geval als dit is het voldoende dat [appellante] aantoont dat zij de kosten over de periode waarover een voorschot was verstrekt, volledig heeft voldaan. Om ook een aanspraak te hebben over het gedeelte van het berekeningsjaar na het tijdstip van stopzetting, is het in dit geval voldoende dat [appellante] aantoont dat uitstel van betaling is verkregen bij [kindercentrum], dat sprake is van betalingsonmacht en dat het bedrag dat voor eigen rekening komt wel tijdig is betaald.

3.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in het besluit van 4 juli 2018 voor de periode voorafgaand aan de stopzetting op het standpunt gesteld dat [appellante] geen recht heeft op kinderopvangtoeslag, omdat zij over die periode niet alle kosten heeft voldaan. Uit de bankafschriften van [kindercentrum] volgt dat de door [appellante] gestelde betalingen niet allemaal zijn gedaan. [appellante] heeft aangetoond € 2.000,00 van de € 8.251,77 aan opvangkosten te hebben voldaan, terwijl aan haar € 6.821,00 aan voorschotten is uitbetaald. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich voor de periode na de stopzetting op het standpunt gesteld dat [appellante] over die periode geen recht heeft op kinderopvangtoeslag, omdat zij de kosten die zij zelf diende te dragen niet heeft voldaan. Uit de bankafschriften van [kindercentrum], waarvan de zus van [appellante] houder is, volgt dat vier van de zes door [appellante] aan het kindercentrum gedane betalingen door het kindercentrum zijn teruggestort. Dit betekent dat [appellante] slechts € 200,00 aan het kindercentrum heeft betaald. De dienst acht voorts niet aannemelijk dat [appellante] met het kindercentrum een betalingsregeling heeft gesloten. Naast het feit dat het kindercentrum door [appellante] betaalde bedragen heeft teruggestort acht de dienst van belang dat [appellante], die ook zelf werkzaam is bij het kindercentrum, voor het jaar 2013 en het eerste gedeelte van het jaar 2014 vermoedelijk valselijk opgemaakte bankafschriften heeft overgelegd.

Beroep

4.    [appellante] betoogt dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij over de periode voor de stopzetting niet alle kosten van kinderopvang heeft voldaan. In de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2016 in zaak nr. 15/2423 heeft de rechtbank overwogen dat uit de overgelegde stukken blijkt dat [appellante] over het berekeningsjaar 2014 een bedrag van € 11.838,78 aan kosten van kinderopvang heeft voldaan. Nu de Belastingdienst/Toeslagen geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen deze uitspraak staat volgens [appellante] in rechte vast dat zij dit bedrag aan kosten van kinderopvang heeft voldaan. Hiermee heeft zij in ieder geval de kosten van kinderopvang over de periode van januari tot en met maart 2014 voldaan. [appellante] voert verder aan dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat over het eerste gedeelte van 2014 valselijk opgemaakte bankafschriften zijn overgelegd.

4.1.    De kosten van kinderopvang over de maanden januari tot en met maart 2014 bedroegen volgens de door [appellante] overgelegde maandfacturen in totaal € 8.251,77. Anders dan [appellante] stelt heeft de Belastingdienst/Toeslagen voor de vaststelling van het bedrag aan kosten van kinderopvang dat zij over de periode voor de stopzetting aan het kindercentrum heeft voldaan niet uit hoeven gaan van het bedrag waarvan de rechtbank in de uitspraak van 30 mei 2016 in zaak nr. 15/2423 heeft overwogen dat [appellante] dat heeft overgemaakt naar het kindercentrum. Deze overweging is op zichzelf juist maar de rechtbank heeft daarbij niet betrokken en ook niet kunnen betrekken dat het kindercentrum bedragen aan [appellante] heeft teruggestort. Pas bij de heroverweging die tot het besluit van 4 juli 2018 heeft geleid, is aan het licht gekomen dat de bedragen zijn teruggestort. De rechtbank heeft voorts geen onderscheid gemaakt tussen de periode voor de stopzetting en de periode na de stopzetting. Uit de uitspraak van de rechtbank kan dan ook niet worden afgeleid aan welke periode het overgemaakte bedrag moeten worden toegerekend. [appellante] heeft met de door haar overgelegde bankafschriften niet aangetoond dat zij het bedrag van € 8.251,77 heeft betaald, zelfs als de bedragen waarvan de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt heeft gesteld dat deze niet zijn betaald zouden worden meegerekend. Derhalve kan in het midden blijven of de door [appellante] overgelegde bankafschriften valselijk zijn opgemaakt.

Het betoog faalt.

5.    [appellante] betoogt verder dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij over de periode na de stopzetting niet alle kosten van kinderopvang heeft voldaan. Zij stelt dat zij het bedrag dat voor eigen rekening komt, heeft voldaan. Voor de betaling van de overige kosten heeft zij uitstel van betaling van het kindercentrum gekregen, omdat aan haar kant sprake is van betalingsonmacht. Tenslotte stelt zij dat uit de uitspraak van de rechtbank Rotterdam in zaak nr. 15/2423 volgt dat zij een bedrag van € 11.838,78 aan kosten van kinderopvang heeft voldaan.

5.1.    De kosten van kinderopvang over de maanden april tot en met december 2014 bedroegen volgens de door [appellante] overgelegde maandfacturen in totaal € 21.414,31. Net als onder 4.1 over de periode voor de stopzetting is overwogen heeft de Belastingdienst/Toeslagen ook voor de vaststelling van het bedrag aan kosten van kinderopvang dat [appellante] over de periode nà de stopzetting aan het kindercentrum heeft voldaan niet uit hoeven gaan van het bedrag waarvan de rechtbank in de uitspraak van 30 mei 2016 in zaak nr. 15/2423 heeft overwogen dat [appellante] dat heeft overgemaakt naar het kindercentrum. [appellante] heeft ter zitting erkend dat het kindercentrum vier van de door haar over deze periode gedane betalingen heeft teruggestort. Het bedrag dat niet is teruggestort bedroeg in totaal € 200,00. Dit betekent dat [appellante] het bedrag dat voor eigen rekening komt niet heeft voldaan. Dat, zoals [appellante] ter zitting heeft gesteld, zij voor de terugbetaalde bedragen een lening met het kindercentrum heeft afgesloten laat dit onverlet.

Het betoog faalt.

Conclusie

6.    De conclusie van het voorgaande is dat [appellante] zowel over de periode voor de stopzetting als de periode na de stopzetting geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag en de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2014 aldus terecht heeft herzien naar nihil. Indien de Belastingdienst/Toeslagen overgaat tot terugvordering van de over 2014 uitgekeerde voorschotten en [appellante] door die terugvordering in de financiële problemen raakt, kan zij de Belastingdienst/Toeslagen verzoeken om een betalingsregeling.

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Komduur

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019

809.