Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:954

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
201703949/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:2454, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2016 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden en gebruik van een bedrijfspand op het perceel [locatie 1] te Ooltgensplaat (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2019-0071
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201703949/1/A1.

Datum uitspraak: 27 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellante B] en [appellant C], allen wonend dan wel gevestigd te Ooltgensplaat, gemeente Goeree-Overflakkee,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 4 april 2017 in zaken nrs. 17/1141, 17/1363 en 17/1362 in het geding tussen:

[appellant A], [appellante B] en [appellant C]

en

het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2016 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden en gebruik van een bedrijfspand op het perceel [locatie 1] te Ooltgensplaat (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 februari 2017 heeft het college het door [appellant A] en [appellant C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant A]) daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 30 september 2016 deels herroepen en de overige bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 april 2017 heeft de rechtbank het door [appellante B] tegen het besluit van 14 februari 2017 ingestelde beroep niet- ontvankelijk verklaard en het door [appellant A] en [appellant C] ingestelde beroep, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante B] en [appellant A] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante B], [appellant A], [belanghebbende] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2018, waar [appellant A], bijgestaan door mr. L. van Schie, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door F. ten Brinke en mr. J. den Braber, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. W.F. Schovers, advocaat te Prinsenbeek, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bouwplan betreft een uitbreiding van een bedrijfspand op een bedrijventerrein nadat de daarnaast gelegen bestaande loodsen zijn gesloopt.

In het bedrijfspand vindt een vorm van metaalbewerking plaats, te weten snij- en zetwerk aan staal. Het bestaande bedrijfspand heeft een oppervlak van 1278 m2 en een goot-/bouwhoogte van 6,95 m. Het bouwplan betreft een uitbreiding van het oppervlak met 1352 m2 en een verhoging van de goothoogte tot 10,00 m.

2.    [appellant A] exploiteert een bouwmarkt en een timmerbedrijf aan de [locatie 2] te Ooltgensplaat. In december verkoopt [appellant A] consumentenvuurwerk. Daarbij wordt ten hoogste 10.000 kg aan consumentenvuurwerk opgeslagen. Hiervoor is achter het bedrijfsgebouw een speciale vuurwerkopslagplaats met een verkooppunt, dat bereikbaar is via de weg die langs de zijkant van het bedrijfsgebouw loopt.

[appellant C] is eigenaar van een perceel aan de [locatie 3] te Ooltgensplaat waarop een loods staat die wordt gebruikt voor opslag. Deze loods staat naast de vuurwerkopslagplaats en is bereikbaar via de weg die ook het perceel van [appellant A] ontsluit. Aan de andere kant van de weg ligt het perceel van [belanghebbende] waarop het bouwplan is voorzien. Het bouwplan ligt (schuin) tegenover de vuurwerkopslagplaats en de loods. Het bouwplan is bereikbaar via dezelfde weg. [appellant A] en [belanghebbende] zijn samen eigenaar van die weg.

[appellant A] en [appellant C] vrezen dat zij door de beoogde uitbreiding in hun bedrijfsactiviteiten worden belemmerd. Volgens hen is onvoldoende aandacht besteed aan de veiligheidsaspecten en de milieubelasting van het bouwplan.

3.    Het wettelijk kader, voor zover niet vermeld in deze uitspraak, is opgenomen in de bijlage die behoort bij deze uitspraak.

Het hoger beroep van [appellante B]

4.    De rechtbank heeft het beroep van [appellante B] niet ontvankelijk verklaard. Vervolgens heeft [appellante B] hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. De Afdeling begrijpt hieruit dat [appellante B] betoogt dat de rechtbank haar beroep ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard.

5.    Niet in geschil is dat [appellante B] beroep heeft ingesteld bij de rechtbank, maar geen bezwaar heeft gemaakt bij het college. De rechtbank heeft daarom terecht het beroep van [appellante B], gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep van [appellante B] ongegrond is.

Het hoger beroep van [appellant A] en [appellant C]

6.    [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor het bouwplan geen aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is ingediend of een melding als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer heeft plaatsgevonden. Volgens [appellant A] is het aannemelijk dat er zodanige veranderingen in de bedrijfsvoering zullen ontstaan dat ten minste sprake is van een meldingsplicht als hiervoor bedoeld.

6.1.    Het college is bij het nemen van het besluit van 14 februari 2017 terecht uitgegaan van de door [belanghebbende] ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo. Daargelaten het antwoord op de vraag of in deze procedure relevant is of de door [appellant A] bedoelde melding is gedaan, heeft die melding blijkens de gedingstukken op 13 januari 2017 plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

7.    [appellant A] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college geen goed beeld heeft van de bedrijfsactiviteiten van [belanghebbende].

7.1.    Gezien de aanvraag zal in het bouwplan een vorm van metaalbewerking plaatsvinden, te weten snij- en zetwerk aan staal. Daarbij zullen er ook op beperkte schaal las-, zaag- en boorwerkzaamheden plaatsvinden. Verder voorziet het bouwplan in een productieoppervlak van in totaal 1990,64 m² en in een uitbreiding van het totale oppervlak van 1352 m2. Gelet op het vorenstaande zijn het college en de rechtbank uitgegaan van de juiste gegevens. Het betoog faalt.

8.    [appellant A] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet voorziet in een deugdelijke afvoer van het hemelwater.

8.1.    Volgens de bouwtekening met nummer 1602 FTO 10 die deel uitmaakt van de bij besluit van 14 februari 2017 gehandhaafde vergunning, wordt het hemelwater afgevoerd aan de zuidzijde van het bouwplan, aan de kant van de weg waarvan [appellant A] mede eigenaar is. Het water wordt vervolgens opgevangen door een grondleiding. Gelet hierop voorziet het bouwplan in een deugdelijke afvoer van het hemelwater. Het betoog faalt.

9.    [appellant A] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met artikel 2:4 van de Awb.

Hij voert daartoe aan dat de gemeente meerdere overeenkomsten heeft gesloten met de aanvrager om omgevingsvergunning, [belanghebbende] Volgens [appellant A] heeft de gemeente de met subsidie verworven gronden verkocht aan [belanghebbende] en heeft daaraan onder meer de voorwaarde verbonden dat er volgens een bestaand plan gebouwd moest gaan worden.

9.1.    [appellant A] heeft deze grond met de daaraan ten grondslag liggende feiten voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. [appellant A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij deze grond en de feiten waarop die grond berust niet in beroep heeft kunnen aanvoeren.

Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellant A] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

Het bestemmingsplan

10.    Ingevolge het bestemmingsplan "Ooltgensplaat Dorp" rust op het perceel de bestemming "Bedrijventerrein". Het bouwplan is daarmee in strijd, omdat niet wordt voldaan aan de minimale afstand tot de perceelgrens en de maximale goothoogte.

Het college heeft bij besluit van 30 september 2016 met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o , van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) gelezen in samenhang met artikel 4.4 van de planregels, voor zover het betreft de afstand tot de perceelgrens, en met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), voor zover het betreft de goothoogte, omgevingsvergunning verleend voor het bouwplan.

In het besluit op bezwaar van 14 februari 2017 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de productieoppervlakte voor het bewerken van metaal wordt overschreden, hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft aanleiding gezien om ook voor deze afwijking omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1o, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4.6, aanhef en onder a, van de planregels.

De afwijking van het bestemmingsplan m.b.t. de bedrijfsactiviteit

11.    [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was met toepassing van artikel 4.6, aanhef en onder a, van de planregels omgevingsvergunning te verlenen.

[appellant A] voert daartoe aan dat het advies van de DCMR milieudienst Rijnmond (hierna: DCMR) van 9 februari 2017 zulke gebreken vertoont dat het college dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. [appellant A] acht onwaarschijnlijk dat de geluidbelasting van het bedrijf vergelijkbaar is met die van een categorie 3.1 inrichting en dat de geluidbelasting in de omgeving zou voldoen aan de standaardgrenswaarden voor geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit terwijl de bedrijfsactiviteiten worden verdubbeld en de werktijden worden verruimd.

Volgens [appellant A] is het advies van DCMR geen deskundigenoordeel, omdat het college een groot deel van zijn bevoegdheden op het gebied van milieu gedelegeerd heeft aan DCMR en een lid van het college deel uitmaakt van het algemeen bestuur van de dienst.

Voorts acht [appellant A] het niet juist dat volgens dit advies slechts geluidsaspecten in het geding zijn. Een toetsing aan de overige milieuaspecten, zoals geur, (afval)stof, luchtkwaliteit, bodemverontreiniging, externe veiligheid en de gevolgen van de toename van de verkeersbewegingen, die van belang zijn voor een goed woon- en leefklimaat, ontbreekt.

Verder zijn volgens [appellant A] in het advies van DCMR de conclusies van het rapport van M+P raadgevende ingenieurs, opgesteld in opdracht van [belanghebbende], waarin is onderzocht wat de geluidbelasting is ten gevolge van de beoogde bedrijfsuitbreiding, niet getoetst. Tevens blijkt volgens [appellant A] uit het door hem overgelegde rapport van Opifex B.V.dat in dat rapport van M+P raadgevende ingenieurs alleen is ingegaan op de activiteiten in de bestaande inrichting en niet op de beoogde activiteiten waarop de verleende vergunning ziet.

Voor zover volgens [appellant A] al rekening mocht worden gehouden met het rapport van M + P raadgevende ingenieurs, is dit rapport niet meegenomen bij het nemen van het bestreden besluit.

Voorts voert [appellant A] aan dat in artikel 4.6, aanhef en onder a, van de planregels is bepaald dat daarmee louter bedrijfsactiviteiten kunnen worden toegestaan die niet worden genoemd in bijlage 1 van de planregels "de Staat van Bedrijfsactiviteiten". Nu de gevraagde vergunning betrekking heeft op een bedrijfsactiviteit die wel wordt genoemd in bijlage 1, kan in dit geval geen toepassing worden gegeven aan artikel 4.6 van de planregels, aldus [appellant A].

11.1.    Artikel 4.1 van de planregels luidt:

"De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijfsmatige activiteiten, behorende tot categorieën 1 t/m 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, opgenomen in bijlage 1 van deze regels;

[…]"

Artikel 4.6 luidt:

"Het bevoegd gezag is bevoegd om af te wijken van lid 4.1 voor andere bedrijfsactiviteiten dan genoemd in bijlage 1 van deze regels, met inachtneming van de volgende regels:

a. Er kan worden afgeweken voor een bedrijfsactiviteit die niet behoort tot de in lid 4.1 genoemde activiteiten, mits de betreffende bedrijfsactiviteit naar de feitelijke aard en (milieu-)invloed op de omgeving gelijk kan worden gesteld met bedrijfsactiviteiten als genoemd in lid 4.1. Alvorens de vergunning te verlenen, wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de milieudeskundige van de gemeente omtrent de aard van het bedrijf en de invloed daarvan op de omgeving, gelet op specifieke werkwijze en de verschijningsvorm en, voor zover vereist, getoetst aan de maatgevende milieuaspecten;

b. Er kan niet worden afgeweken van de in lid 4.5 genoemde bedrijfsactiviteiten."

11.2.    Niet in geschil is dat de activiteiten van [belanghebbende] vallen onder de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten gehanteerde omschrijving "overige metaal bewerkende industrie, inpandig" met SBI-1993 code 2852 en SBI-2008 codes 2562 en 3311. Volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten gaat het daarbij echter om bedrijven met een productieoppervlak tot 200 m2 die vallen onder categorie 3.1. Het bouwplan voorziet echter in een productieoppervlak van 1990,64 m². Het bedrijf van [belanghebbende] valt daarom niet onder de categorieën 1 t/m 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Gelet op artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels is het bouwplan in strijd met de ter plaatse geldende bestemming "Bedrijventerrein". De Afdeling zal daarom beoordelen of het college bevoegd is om met toepassing van artikel 4.6, aanhef en onder a, af te wijken van artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels.

11.3.    Het college heeft zich onder verwijzing naar het advies van DCMR op het standpunt gesteld dat de beoogde bedrijfsuitbreiding naar de feitelijke aard en (milieu-)invloed op de omgeving gelijk kan worden gesteld met bedrijfsmatige activiteiten, behorende tot categorieën 1 t/m 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 4.6, aanhef en onder a van de planregels.

11.4.    [appellant A] betoogt tevergeefs dat het advies van DCMR niet objectief en onpartijdig is en dat het daarom geen deskundigenoordeel is als bedoeld in artikel 4.6, onder a, van de planregels.

Het college heeft in de schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat DCMR een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid is en dat er geen hiërarchische relatie is tussen de gemeente en de medewerkers van DCMR. Gelet hierop brengt naar het oordeel van de Afdeling de omstandigheid dat het college een groot deel van zijn bevoegdheden op het gebied van milieu aan DCMR heeft gedelegeerd en een lid van het college deel uitmaakt van het algemeen bestuur van DCMR niet mee dat het college het advies van DCMR niet mocht aanmerken als een advies van de milieudeskundige van de gemeente als bedoeld in artikel 4.6, onder a, van de planregels.

11.5.    [appellant A] betoogt verder tevergeefs dat in dit advies ten onrechte geen rekening is gehouden met geur, (afval)stof, luchtkwaliteit, bodemverontreiniging, externe veiligheid en de gevolgen van de toename van de verkeersbewegingen. In artikel 4.6 van de planregels is bepaald dat alvorens de vergunning te verlenen, schriftelijk advies moet worden ingewonnen bij de milieudeskundige van de gemeente omtrent de aard van het bedrijf en de invloed daarvan op de omgeving, gelet op specifieke werkwijze en de verschijningsvorm en, voor zover vereist, getoetst aan de maatgevende milieuaspecten.

Volgens het advies van DCMR zijn de aard van het bedrijf en de invloed daarvan op de omgeving, gelet op de specifieke wijze en verschijningsvorm onderzocht. Op grond van dit onderzoek en de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen richtafstanden is gebleken dat indien aan de voor geluid ten opzichte van de bedrijfswoningen op het bedrijventerrein aan te houden afstand wordt voldaan, daarmee ook wordt voldaan aan de voor de andere milieuaspecten aan te houden afstanden waarvoor kortere normen gelden. In het advies is daarom geconcludeerd dat het geluid het maatgevende milieu aspect is als bedoeld in artikel 4.6 van de planregels. In het advies van DCMR wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek van M+P raadgevende ingenieurs B.V. Volgens dit akoestisch onderzoek voldoet de akoestische belasting die voortvloeit uit de bedrijfsuitbreiding  ruimschoots aan de niveaus die behoren bij een bedrijf uit categorie 3.1.

Aldus is met het advies van DCMR naar het oordeel van de Afdeling voldaan aan de in artikel 4.6 van de planregels gestelde eisen over het inwinnen van een schriftelijk advies.

11.6.    [appellant A] betoogt voorts tevergeefs dat het akoestisch onderzoek van M+P raadgevende ingenieurs B.V. niet nader is getoetst. [appellant A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zo’n nadere toets noodzakelijk is. Het betoog van [appellant A] dat in dit onderzoek alleen de huidige bedrijfssituatie is beoordeeld, leidt niet tot een ander oordeel. Uit hoofdstuk 4 van het onderzoeksrapport blijkt dat ook rekening is gehouden met de situatie na de uitbreiding van het bedrijfspand.

Naar het oordeel van de Afdeling mocht DCMR in zijn advies daarom uitgaan van het akoestisch onderzoek van M + P raadgevende ingenieurs B.V.

Verder is het betoog van [appellant A] dat met het rapport van M + P raadgevende ingenieurs in het besluit op bezwaar geen rekening is gehouden, niet juist. Omdat het DCMR advies is gebaseerd op het rapport van M + P raadgevende ingenieurs, is ook dit rapport ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.

11.7.    [appellant A] betoogt verder tevergeefs dat met artikel 4.6, aanhef en onder a, van de planregels louter bedrijfsactiviteiten behorende tot categorieën 1 t/m 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten kunnen worden toegestaan die daarin niet worden genoemd. Dit kan niet uit dit artikel worden afgeleid. In de Staat van Bedrijfsactiviteiten is geen omschrijving gegeven van het bedrijf van [belanghebbende] met een productieoppervlak van meer dan 200 m2. Gelet daarop is sprake van een andere activiteit als bedoeld in artikel 4.6, aanhef en onder a, van de planregels.

11.8.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is niet gebleken dat het advies van DCMR zulke gebreken vertoont dat het college dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. De stelling van [appellant A] dat het niet waarschijnlijk is dat een verdubbeling van de bedrijfsactiviteiten en een verruiming van de werktijden een gelijk milieueffect hebben op de omgeving, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat die stelling onvoldoende steun vindt in het DCMR advies.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college bevoegd is om met toepassing van artikel 4.6, aanhef en onder a, van de planregels omgevingsvergunning te verlenen.

De afwijking van het bestemmingsplan m.b.t. de goothoogte

12.    [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Bor omgevingsvergunning te verlenen voor de goothoogte van het bedrijfsgebouw.

Hij voert daartoe aan dat het bouwplan geen bijbehorend bouwwerk is als bedoeld in artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Volgens hem blijkt dit uit het Afwijkingsbeleid ruimtelijke ordening 2015" van de gemeente Goeree-Overflakkee. Volgens [appellant A] staat hierin dat daar waar vergunningsvrij bouwen voor bijbehorende gebouwen geen oplossing biedt, wordt teruggevallen op de regels die de ter plaatse geldende bestemming stelt.

Verder voert [appellant A] aan dat het bouwplan buiten de bebouwde kom ligt. Volgens [appellant A] ligt de bebouwing van het dorp duidelijk apart gesitueerd ten opzichte van de bedrijven, waaronder het bedrijf op het perceel. De bebouwing van het bedrijventerrein is voorts niet geconcentreerd en heeft geen samenhangende structuur, aldus [appellant A].Hij verwijst bij dit betoog onder andere naar een luchtfoto, de contourenkaart van Ooltgensplaat uit de gemeentelijke structuurvisie Goeree Overflakkee en het "Gebiedsprofiel ruimtelijke kwaliteit Goeree-Overflakkee" dat gedeputeerde staten van Zuid-Holland op 27 december 2012 heeft vastgesteld.

Voorts voert [appellant A] aan dat de beoogde uitbreiding te omvangrijk is om met toepassing van artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Bor van het bestemmingsplan te mogen afwijken.

12.1.    Artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Bor luidt:

"Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,

b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2."

12.2.    Het betoog van [appellant A] dat het bouwplan geen bijbehorend bouwwerk is als bedoeld in artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Bor, faalt. Naar het oordeel van de Afdeling is het bouwplan een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, zoals een bijbehorend bouwwerk in artikel 1, aanhef en eerste lid, van Bijlage II van het Bor is omschreven.

De verwijzing van [appellant A] naar het gemeentelijk beleid als neergelegd in de notitie "Afwijkingsbeleid ruimtelijke ordening 2015", leidt niet tot een ander oordeel omdat dit beleid niet relevant is voor de vraag wat een bijbehorend bouwwerk is als bedoeld in artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Bor.

12.3.    Verder kan het betoog van [appellant A] dat het bouwplan buiten de bebouwde kom ligt, hem evenmin baten.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:106 is het antwoord op de vraag of een perceel in de bebouwde kom is gelegen, van feitelijke aard, waarbij de aard van de omgeving bepalend is en van belang is waar de bebouwing nagenoeg feitelijk ophoudt.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat bestudering van de overgelegde kaarten en foto’s tot de conclusie leidt dat de bebouwing op het bedrijventerrein aansluit op de kern van het dorp.

Dat het bedrijventerrein waarop het bouwplan is voorzien in de door [appellant A] overgelegde contourenkaart een andere bestemming heeft dan de met rood gemarkeerde dorpskern en dat in de notitie "Gebiedsprofiel ruimtelijke kwaliteit Goeree-Overflakkee" is vermeld dat de ringdijk aan de zuidoostelijke kant van de dorpskern de definitieve grens vormt van het dorpsgebied, heeft de rechtbank terecht niet tot een ander oordeel gebracht.

Deze omstandigheden doen niet af aan de feitelijke aard van het gebied waarin het bouwplan is voorzien.

12.4.    Voorts kan het betoog van [appellant A] dat de beoogde uitbreiding te omvangrijk is, hem ook niet baten.

Aangezien het bouwplan is voorzien in de bebouwde kom, worden er in artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Bor voor de toepassing van dat artikel geen eisen gesteld aan de omvang van het bijbehorende bouwwerk.

12.5.    De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II bij het Bor omgevingsvergunning te verlenen voor de goothoogte van het bouwplan.

De afwijking van het bestemmingsplan m.b.t. de perceelgrens

13.    [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd is om met toepassing van artikel 4.4 van de planregels af te wijken van het bepaalde in artikel 4.2.1, aanhef en onder e van de planregels.

[appellant A] voert daartoe aan dat de brandveiligheid onvoldoende is beoordeeld. Volgens [appellant A] heeft het college zijn besluit niet kunnen baseren op het advies van ing. A.G. Stevens, specialist brandpreventie van de Veiligheidsdienst Rotterdam-Rijnmond dat is neergelegd in een rapport van 13 december 2016 en een e-mailbericht van Stevens van 10 februari 2017 aan een ambtenaar van de gemeente. Volgens [appellant A] zijn dit rapport en de e-mail te beknopt en ontbreken berekeningen. Het college heeft zich in strijd met artikel 3:9 van de Awb er niet van vergewist of dit onderzoek gedegen heeft plaatsgevonden. Voorts is niet gebleken of het bouwplan is aangepast aan de opmerkingen van de brandweer. Dat het onderzoek naar de brandveiligheid niet juist is uitgevoerd, blijkt volgens [appellant A] uit de onderzoeken die in zijn opdracht zijn verricht naar de brandveiligheid van het bouwplan en waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van Opifex B.V, een notitie van ing. J.M. Oosterbroek en de e-mail berichten van J. van der Ven.

Volgens [appellant A] is er onvoldoende gekeken naar de afstand van het bouwplan ten opzichte van het naastgelegen gebouw en de benodigde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag. Daardoor is niet uitgesloten dat de beoogde uitbreiding van het bedrijfsgebouw te dicht bij het pand en perceel van [appellant A] is gebouwd. Dit klemt volgens [appellant A] te meer omdat op het perceel van [appellant A] consumentenvuurwerk wordt opgeslagen en verkocht. Daarbij gaat het volgens [appellant A] niet alleen om de opslagruimte voor vuurwerk maar ook om de verkoopruimte en de route voor bezoekers en de bevoorrading voor vuurwerk.

13.1.    Artikel 4.2.1 van de planregels luidt:

"Ten aanzien van gebouwen gelden de volgende regels:

[…]

e. gebouwen dienen tenminste 3 m uit de perceelgrens te worden gebouwd;

[…]"

Artikel 4.4 luidt:

"Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid 4.2.1 onder e en toestaan dat de afstand van gebouwen tot de perceelgrens minder dan 3 m bedraagt, met inachtneming van de volgende regels:

a. de afstand van een gebouw tot de perceelgrens dient minimaal 2 m te bedragen;

b. voor het gestelde onder a geldt dat er voldaan moet worden aan de eisen van brandveiligheid zoals die door de brandweer zijn vastgelegd;

c. alvorens de omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend, dient de brandweer om advies gevraagd te worden."

13.2.    Het college heeft zijn standpunt dat het bouwplan voldoet aan de in het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit gestelde brandveiligheidseisen gebaseerd op het door ing. Stevens opgestelde rapport van 13 december 2016 en het door hem aan een gemeenteambtenaar gestuurde e-mailbericht van 10 februari 2017.

In dit rapport staat dat een positief advies kan worden gegeven mits de in de bijlage brandveiligheidsvoorwaarde 160FK7 genoemde punten in het bouwplan aangepast worden. Verder staat in het e-mailbericht dat in  aanvulling op het rapport van 13 december 2016 daarbij ook gekeken is naar de brandoverslag naar de buren. Volgens het bericht moeten er voor het realiseren van de nieuwbouw een tweetal bouwwerken worden gesloopt en staan er na realisering geen bouwwerken binnen een dusdanige afstand dat er extra aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen moeten worden genomen om over- of doorslag tegen te gaan.

13.3.    Naar het oordeel van de Afdeling ontbreken in het rapport van 13 december 2016 en het e-mailbericht van 10 februari 2017 de feiten en aannames waarop de conclusie is gebaseerd dat het bouwplan voldoet aan de in het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit gestelde brandveiligheidseisen. Zo staat in het rapport en het e-mailbericht niet of is uitgegaan van één of meerdere brandcompartimenten, of een vuurlastberekening is uitgevoerd, van hoeveel minuten weerstand is uitgegaan tegen branddoorslag en brandoverslag van het bouwplan naar de panden van [appellant A] en [appellant C] en waarop deze uitgangspunten zijn  gebaseerd.

Verder is onduidelijk of het bouwplan is aangepast naar aanleiding van de in bijlage 160FK7 genoemde maatregelen, hetgeen volgens het rapport als voorwaarde geldt voor een positief advies, en of deze aanpassingen door een ter zake deskundige zijn gecontroleerd.

Voorts wordt ook in relatie tot de vuurwerkopslag onvoldoende ingegaan op de in de notitie van Oosterbroek opgeworpen vragen of er eisen gelden ten aanzien van het materiaal waarvan de wand moet zijn opgebouwd die grenst aan het pand van [appellant A] en of er sprake moet zijn van brandwerende ramen.

Gelet op het vorenstaande ontbreken in het rapport en e-mailbericht gegevens die nodig zijn om de daarin neergelegde conclusie dat het bouwplan voldoet aan de in het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit gestelde brandveiligheidseisen, te controleren.

Aangezien het rapport en het e-mailbericht ten grondslag zijn gelegd aan het besluit op bezwaar, is dit besluit genomen in strijd met artikel 3:9 van de Awb en berust dit besluit op dit onderdeel niet op een deugdelijke motivering hetgeen in strijd is met artikel 7:12, eerste lid van de Awb.

Gelet daarop heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan artikel 4.4, aanhef en onder b, van de planregels.

De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

Ruimtelijke onderbouwing en belangenafweging

14.    [appellant A] heeft ter zitting zijn hoger beroepsgrond ingetrokken dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) en zijn hoger beroep in zoverre beperkt tot de grond dat het bouwplan in strijd is met de Verordening Ruimte 2014 van Zuid-Holland (hierna: de Verordening Ruimte).

15.    [appellant A] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen.

Hij voert daartoe aan dat dat in het bouwplan onvoldoende is rekening gehouden met de artikelen 2.2.1. en 2.1.1. van de  Verordening Ruimte.

Voorts voert [appellant A] aan dat het bouwplan niet voldoet aan de uitgangspunten van de regionale Structuurvisie Goeree-Overflakkee en de Bedrijventerreinenstrategie 2009-2020.

Verder voert hij aan dat het bouwplan de lichtinval op de percelen van [appellant A] en [appellant C] zal belemmeren en dat er een tunneleffect zal ontstaan door de hoogte van het bouwplan.

Voorts voert hij aan dat het bouwplan, gelet op de omvang, uit de toon valt bij zijn omgeving en dat de in het Vuurwerkbesluit geldende minimale veiligheidsafstanden niet in acht zijn genomen.

Verder voert hij aan dat het onzeker is of de hulpdiensten of leveranciers die willen laden en lossen de achterzijde van de bedrijven kan bereiken na de realisering van het bouwplan.

15.1.    Gelet op artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening Ruimte, gelezen in verbinding met de daarvan deel uitmakende bijlage 1, zien de artikelen 2.2.1 en 2.1.1, eerste lid, van die verordening ook op de omgevingsvergunning die in deze uitspraak wordt beoordeeld, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

Allereerst dient daarom te worden bezien of het bouwplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de Verordening Ruimte.

Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2316, moet aan het begrip "nieuwe stedelijke ontwikkeling" in de Verordening Ruimte dezelfde betekenis worden toegekend als in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Voorts heeft de Afdeling in de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 6.3 overwogen dat een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², dient deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Onder 6.4 heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat ook uitbreidingen van stedelijke ontwikkelingen, mits voldoende substantieel, kunnen worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.

Niet in geschil is dat het bouwplan voorziet in een uitbreiding van het bruto-vloeroppervlak met 1352 m2. Deze uitbreiding is, ook na de sloop van het oude gebouw, aanzienlijk groter dan 500 m² en leidt ertoe dat het bedrijfspand in omvang meer dan dubbel zo groot wordt. Naar het oordeel van de Afdeling voorziet het bouwplan daarom in  een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de Verordening Ruimte.

15.2.    Verder heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan past binnen de bestaande gebiedsidentiteit als bedoeld in artikel 2.2.1, aanhef en onder a, van de Verordening Ruimte. Het heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat in de kwaliteitskaart waar in dat artikel naar wordt verwezen, geen relevante richtpunten zijn vermeld over het perceel of zijn directe omgeving.

Verder heeft het terecht in aanmerking genomen dat het bouwplan past bij zijn omgeving, zijnde een bedrijventerrein, en dat dit bedrijventerrein voor wat betreft de maximale goot- en bouwhoogte past bij andere bedrijventerreinen die in de omgeving liggen. Bovendien heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat het bouwplan, bezien vanuit verschillende richtingen, het landschappelijke karakter van de omgeving niet onevenredig aan zal tasten.

15.3.     Voorts betoogt [appellant A] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met artikel 2.1.1, eerste lid, van de Verordening Ruimte.

Zoals hiervoor is overwogen voorziet het bouwplan in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de Verordening Ruimte. Het college diende derhalve in het besluit op bezwaar van 14 februari 2017 te verantwoorden dat aan de voorwaarden in artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening Ruimte wordt voldaan. Het college heeft dat niet gedaan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank niet onderkend dat in het besluit op bezwaar daarom onvoldoende rekening is gehouden met artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening Ruimte.

Dit betoog slaagt.

15.4.    Verder betoogt [appellant A] tevergeefs dat de Bedrijventerreinenstrategie 2009-2010 en de regionale Structuurvisie Goeree-Overflakkee aan de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg staan. Dit valt volgens [appellant A] af te leiden uit de volgende overwegingen in die Structuurvisie op de pagina’s 2 en 61. Daar staat: "Versterken van de  leefbaarheid en de economische vitaliteit door herstructurering, transformatie en ontwikkeling van woon- werkmilieus, passend binnen de kernkwaliteiten van het landschap."

Verder staat er onder het kopje Opgaven: "Herstructurering van verouderde bedrijventerreinen (…)"

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze passages uit de Structuurvisie niet aan de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg staan, reeds omdat het bedrijventerrein waar het bouwplan is voorzien al is geherstructureerd.

Verder staat naar het oordeel van de Afdeling ook de Bedrijventerreinenstrategie niet aan de verlening van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg. In deze strategie staat dat uitbreidingsplannen van bestaande bedrijven op bestaande bedrijventerreinen worden gehonoreerd. Niet in geschil is dat het bouwplan voorziet in een uitbreiding van een bestaand bedrijf op een bestaand bedrijventerrein.

15.5.    Verder betoogt [appellant A] tevergeefs dat het bouwplan de lichtinval op zijn perceel zal belemmeren en dat er een tunneleffect zal ontstaan door de hoogte van het bouwplan.

Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de zonlichtinval op de percelen van [appellant A] en [appellant C] niet onevenredig wordt belemmerd door het bouwplan. Daarbij heeft het in aanmerking kunnen nemen dat de panden van [appellant A] en [appellant C] zijn gelegen ten zuiden en ten zuidzuidwesten van het bouwplan waar de lichtinval weinig belemmering ondervindt door de draairichting van de zon.

Verder heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een optisch tunneleffect geen sprake zal zijn, omdat aan weerszijden van de weg waaraan het bouwplan zal worden gerealiseerd, geen bouwwerken zullen staan van gelijke hoogte.

15.6.    Voorts betoogt [appellant A] tevergeefs dat het bouwplan, gelet op de omvang, uit de toon valt bij zijn omgeving.

Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omvang van het bouwplan niet zodanig uit de toon valt bij zijn omgeving, dat het om die reden de gevraagde vergunning had moeten weigeren. Daarbij is van belang dat het bouwplan ligt op een bedrijventerrein dat is bedoeld voor de bouw van (omvangrijke) bedrijfsgebouwen en dat in de nabijheid van het bouwplan op de percelen Dorpsweg 10 en Dorpsweg 25 al gebouwen staan met een goothoogte van 10 m. Verder is van belang dat voor de weg waaraan het bouwplan zal worden gerealiseerd geen specifieke kwaliteiten in acht moeten worden genomen. Voorts is van belang dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat wanneer het bouwplan wordt bekeken vanaf de achterzijde van de percelen Molendijk 79-83, vanaf de Weipolderseweg en vanaf de Dorpsweg het landschappelijk karakter van de omgeving van het bouwplan niet onevenredig wordt aangetast.

15.7.    Verder kan het betoog van [appellant A] hem niet baten dat de in het Vuurwerkbesluit geldende minimale veiligheidsafstanden niet in acht zijn genomen. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat de inmiddels gesloopte loodsen aan de Dorpsweg 12, 14 en 16 voldeden aan de minimale afstandseisen als bedoeld in artikel 1.2a van Bijlage 3 bij het Vuurwerkbesluit. Gelet op bouwtekening 1602, die deel uitmaakt van de bij besluit van 14 februari 2017 gehandhaafde omgevingsvergunning, wijkt de bebouwingslijn van het bouwplan niet af van de bebouwingslijn van die gesloopte loodsen.

Het college heeft daarom deugdelijk gemotiveerd dat rekening is gehouden met de minimale afstandseisen als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit gelezen in verbinding met artikel 1.2a van Bijlage 3.

Het betoog van [appellant A] dat het bouwplan in de weg staat aan een eventuele verplaatsing van zijn vuurwerkopslag, kan niet leiden tot het ermee door hem beoogde doel, reeds omdat het bouwplan in dat opzicht geen verandering teweeg brengt ten opzichte van de daarvoor bestaande situatie.

15.8.    Voorts betoogt [appellant A] tevergeefs dat het onzeker is of de hulpdiensten of leveranciers die willen laden en lossen de achterzijde van de panden van [appellant A] kunnen bereiken na de realisering van het bouwplan. Het college heeft onder verwijzing naar tekening met nummer 1602, die deel uitmaakt van de bij besluit van 14 februari 2017 gehandhaafde vergunning, aannemelijk gemaakt dat de weg die ligt tussen het bouwplan en de panden van [appellant A] niet minder begaanbaar is voor hulpdiensten of leveranciers dan voor de realisering van het bouwplan.

Aldus worden de hulpdiensten of leveranciers door het bouwplan niet belemmerd om de achterzijde van de bedrijven te bereiken.

15.9.    Gelet op 15.3 heeft het college de gevraagde vergunning in redelijkheid niet kunnen verlenen.

Parkeren

16.    [appellant A] betoogt dat het college niet deugdelijk heeft onderbouwd dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeerplaatsen.

16.1.    Artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van Goeree-Overflakkee (hierna: de bouwverordening) luidt:

"Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte is niet overbemeten, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening wordt gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer."

Artikel 4.5.3. van de planregels luidt:

"Ten aanzien van de parkeren gelden de onderstaande parkeernormen:

a. bedrijven: 1,1 parkeerplaats per 100 m2 bvo;

b. kantoorruimte 1,5 parkeerplaats per 100 m2 bvo."

16.2.    Gelet op de aanvraag om omgevingsvergunning is de bruto-vloeroppervlakte van het bouwplan 2630 m². Hiervan bestaat 85,1 m² uit kantoorruimte en 2544,9 m² uit bedrijfsruimte. Dit betekent dat het bouwplan in ieder geval moet voorzien in 1,3 parkeerplaats voor de kantoorfunctie en 28 parkeerplaatsen voor de bedrijfsoppervlakte. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat op het onbebouwde terrein dat bij  het bouwplan hoort is voorzien in 30 parkeerplaatsen.

Naar het oordeel van de Afdeling voorziet het bouwplan hiermee in voldoende parkeerplaatsen als bedoeld in artikel 4.5.3 van de planregels, gelezen in samenhang met artikel 2.5.30, eerste lid van de bouwverordening.

Welstand

17.    [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het advies van de welstandscommissie niet is getoetst aan geldend beleid. Volgens [appellant A] was ten tijde van het besluit van 30 september 2016 geen welstandsnota van kracht. Dit gebrek is volgens [appellant A] in het besluit op bezwaar niet hersteld.

17.1.    Blijkens de gedingstukken heeft de gemeenteraad op 13 oktober 2016 de welstandsnota "Nota ruimtelijke kwaliteit" vastgesteld. Op 13 december 2016 heeft de welstandscommissie "Adviseurs ruimtelijke kwaliteit Dorp, Stad en Land" een positief welstandsadvies uitgebracht. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat dit welstandsadvies is gebaseerd op voormelde welstandsnota. Het betoog faalt.

Onmiddellijk uitspraak in hoofdzaak

18.    [appellant A] betoogt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak.

18.1.    Artikel 8:86 van de Awb kan worden toegepast indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Het gaat erom of de informatie die schriftelijk en ter zitting is verkregen van dien aard is dat mag worden aangenomen dat het verrichten van nader onderzoek in dat opzicht geen relevante nieuwe gegevens zou opleveren. Daarbij mag van partijen, die in de uitnodiging voor de zitting uitdrukkelijk op deze bevoegdheid moeten zijn gewezen - aan welk voorschrift hier is voldaan - , worden verwacht dat zij zich hebben voorbereid op eventuele afdoening van de hoofdzaak. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter op basis van de hem ter beschikking staande gegevens en het resultaat van het ter zitting gehouden onderzoek geen uitspraak heeft kunnen doen in de hoofdzaak.

Het betoog faalt.

Conclusie

19.    Het hoger beroep van [appellante B] is ongegrond.

Gelet op hetgeen is overwogen in 13.3 en 15.3 is het hoger beroep van [appellant A] en [appellant C] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het beroep van [appellant A] en [appellant C] tegen het besluit op bezwaar van 14 februari 2017 ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant A] en [appellant C] tegen het besluit van het college van 14 februari 2017 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit moet wegens strijd met de artikelen 3:9 en 7:12, eerste lid, van de Awb worden vernietigd.

20.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar van [appellant A] en [appellant C] slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

21.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellante B] ongegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van [appellant A] en [appellant C] gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2017 in zaak nr. 17/1362, voor zover het beroep van [appellant A] en [appellant C] ongegrond is verklaard;

IV.    verklaart het door [appellant A] en [appellant C] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

V.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee van 14 februari 2017, kenmerk Z-16-74026/95952;

VI.    bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant C] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.048,00 (zegge: tweeduizend achtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee aan [appellant A] en [appellant C] het door [appellant A] en [appellant C] betaalde griffierecht ten bedrage van € 834,00 (zegge: achthonderdvierendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Pieters

voorzitter    griffier    Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019

473-543

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 4.1, eerste lid, luidt:

"Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud van beheersverordeningen."

Verordening Ruimte 2014, zoals deze luidde ten tijde van belang

Artikel 1.1 (begripsbepalingen) luidt:

"In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

- ruimtelijke ontwikkeling: nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van bebouwing of grond;

- stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

(…)".

Artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder c, luidt:

"In deze verordening wordt, tenzij hierin anders is bepaald, onder bestemmingsplan mede verstaan omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, voor zover het betreft de in bijlage 1 van deze verordening genoemde situaties."

Artikel 2.1.1, eerste lid, luidt:

"Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;

b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte."

Het tweede lid luidt:

"Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening."

Het derde lid luidt:

"Gedeputeerde Staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale visie."

Artikel 2.2.1, aanhef en onder a, luidt:

"Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen).

(…) "

Vuurwerkbesluit

Artikel 4.3, eerste lid, luidt:

"Indien voor het desbetreffende gebied een bestemmingsplan geldt, gelden de veiligheidsafstanden, tenzij in bijlage 3 anders is aangegeven, vanaf de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012, van het gebouw waar vuurwerk wordt opgeslagen of bewerkt binnen een inrichting als bedoeld in artikel 2.2.1, 3.2.1 of 3A.2.1, tot aan de bestemmingsgrens."

Artikel 1.2a van Bijlage 3 bij het Vuurwerkbesluit luidt:

"Bij een inrichting waarin in totaal niet meer dan 10 000 kg consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn, dient, gemeten vanaf de bewaarplaats en de bufferbewaarplaats in voorwaartse richting, tot een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object en een geprojecteerd beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object een veiligheidsafstand van ten minste 8 meter in acht te worden genomen."