Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:953

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
201708318/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2017:6790, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2016 heeft het algemeen bestuur de door [appellante] gevraagde ontheffing object voor het tijdelijk mogen afmeren van de Yellow Submarine in openbaar water van de gemeente Amsterdam voor de locatie Bickersgracht 243 te Amsterdam voor de periode 4 februari 2016 tot en met 4 juni 2016 verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2019/42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201708318/1/A3.

Datum uitspraak: 27 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 september 2017 in zaken nrs. 16/5719, 16/5203 en 17/1348 in het geding tussen:

[appellante]

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum, thans: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Ten aanzien van de procedure die bij de rechtbank gevolgd is onder nummer 16/5719:

Bij besluit van 9 september 2015 heeft het algemeen bestuur het Aanwijzingsbesluit waterpercelen ter hoogte van Bickersgracht 243 en het openbaar water ter hoogte van Vierwindenstraat 139-145 vastgesteld.

Bij besluit van 31 augustus 2016 heeft het algemeen bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de procedure die bij de rechtbank gevolgd is onder nummer 16/5203:

Bij besluit van 22 maart 2016 heeft het algemeen bestuur de door [appellante] gevraagde ontheffing object voor het tijdelijk mogen afmeren van de Yellow Submarine in openbaar water van de gemeente Amsterdam voor de locatie Bickersgracht 243 te Amsterdam voor de periode 4 februari 2016 tot en met 4 juni 2016 verleend.

Bij besluit van 29 juni 2016 heeft het algemeen bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Ten aanzien van de procedure die bij de rechtbank gevolgd is onder nummer 17/1348:

Bij besluit van 19 september 2016 heeft het algemeen bestuur de door [appellante] gevraagde ontheffing object voor het tijdelijk mogen afmeren van de Yellow Submarine in openbaar water van de gemeente Amsterdam voor de locatie Bickersgracht 243 te Amsterdam voor de periode 4 juni 2016 tot en met 4 oktober 2016 geweigerd.

Bij besluit van 19 januari 2017 heeft het algemeen bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Beroep en hoger beroep

Bij uitspraak van 7 september 2017 heeft de rechtbank de door [appellante] ingestelde beroepen tegen de besluiten van 31 augustus 2016 en 19 januari 2017 ongegrond verklaard. Het door [appellante] ingestelde beroep tegen het besluit van 29 juni 2016 heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[belanghebbende], die op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) als derde-belanghebbende deel heeft genomen aan dit geding, heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. Nicolaï, advocaat te Amsterdam, vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.H.M. Buijs en mr. E.G. Blees, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] is een bedrijf dat schepen ontwerpt, vervaardigt, repareert en produceert. Tevens levert het zelf vervaardigde pompen en hydraulische installaties en verhuurt het schepen.

1.1.    Ten behoeve van de bedrijfsvoering van [appellante] heeft het algemeen bestuur op grond van artikel 2.4.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening op het binnenwater 2010 (hierna: Vob) op 17 februari 2011 het Aanwijzingsbesluit waterpercelen Bickersgracht 243 en Touwenterrein (hierna: oude aanwijzing) vastgesteld. Door deze aanwijzing behoeven bepaalde categorieën bedrijfsvaartuigen geen ligplaatsvergunning. De aanwijzing gold voor de volgende categorie bedrijfsvaartuigen:

‘Bedrijfsvaartuigen die ten dienste staan aan de exploitatie van dan wel ter plaatse in reparatie of in onderhoud worden genomen door [appellante]. […]’

Het algemeen bestuur heeft deze aanwijzing (hierna: oude aanwijzing) bij besluit van 9 september 2015 ingetrokken en vervangen door het Aanwijzingsbesluit waterpercelen ter hoogte van Bickersgracht 243 en het openbaar water ter hoogte van Vierwindenstraat 139-145 (hierna: nieuwe aanwijzing), omdat volgens het algemeen bestuur de formulering van de oude aanwijzing niet meer voldeed, om misverstanden over de aanwijzing te voorkomen en om te voorkomen dat vaartuigen die niet in reparatie zijn bij [appellante] op verkapte wijze ligplaats nemen in het waterperceel. De nieuwe aanwijzing geldt voor de volgende categorie bedrijfsvaartuigen:

a) Bedrijfsvaartuigen in beheer bij [appellante], die behoren tot de bedrijfsinventaris van het scheepsreparatiebedrijf en gebruikt worden om reparaties aan schepen te kunnen uitvoeren, zoals: een huisbok, werkkraan of dok. Uitdrukkelijk uitgesloten van deze categorie zijn bedrijfsvaartuigen die passen binnen het deel van de bedrijfsvoering van [appellante] dat ziet op verhuur of exploitatie van vaartuigen;

b) Bedrijfsvaartuigen die ter plaatse voor maximaal vier maanden in reparatie of in onderhoud worden genomen door [appellante] en die binnen een week na afmeren bij Waternet zijn aangemeld onder vermelding van de reden van afmeren en de geschatte tijdsduur van reparatie.’

Nadat [appellante] bezwaar had gemaakt, is het algemeen bestuur bij zijn standpunt gebleven en heeft het besloten niet van de nieuwe aanwijzing af te wijken. De rechtbank heeft vervolgens het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.2.    De Yellow Submarine is een vaartuig van 26,6 meter lang, 5 meter breed en gemeten vanaf de waterlijn 5 meter hoog. Omdat de Yellow Submarine gerepareerd moest worden, heeft het algemeen bestuur de gevraagde ontheffing object voor het tijdelijk mogen afmeren van de Yellow Submarine in de Bickersgracht te Amsterdam over de periode van 4 februari 2016 tot en met 4 juni 2016 verleend. Volgens [appellante] is de ontheffing onder protest aangevraagd omdat de Yellow Submarine een bedrijfsvaartuig is waarvoor een dergelijke ontheffing niet is vereist op grond van de nieuwe aanwijzing. Pas als te verwachten is dat het bedrijfsvaartuig langer dan vier maanden ter reparatie ligplaats zal innemen, is een vergunning vereist, aldus [appellante]. Het algemeen bestuur heeft bij het besluit op bezwaar zijn standpunt gehandhaafd.

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de vraag of de Yellow Submarine een bedrijfsvaartuig is, ook aan de orde is in de zaak, geregistreerd onder nummer 17/1348. [appellante] heeft daarom geen afzonderlijk belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, temeer omdat de periode waarvoor de ontheffing was verleend reeds was verstreken.

1.3.    De gevraagde ontheffing object voor het tijdelijk mogen afmeren van de Yellow Submarine voor de periode 4 juni 2016 tot en met 4 oktober 2016 heeft het algemeen bestuur geweigerd omdat een duidelijke tijdsplanning voor de werkzaamheden aan het vaartuig ontbrak. Verder heeft het algemeen bestuur aangegeven dat de werkzaamheden anders zijn dan bij de voorgaande ontheffing. De vrees bestaat dat de Yellow Submarine een vaste ligplaats inneemt aan de Bickersgracht, hetgeen het algemeen bestuur wil voorkomen.

De rechtbank heeft de weigering de ontheffing te verlenen rechtmatig geacht. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de Yellow Submarine geen bedrijfsvaartuig is maar een object, omdat uit de facturen en verklaringen die [appellante] heeft overgelegd niet blijkt dat de Yellow Submarine hoofdzakelijk gebruikt wordt voor de uitoefening van haar bedrijf.

Wettelijk kader

2.    De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

Het aanwijzingsbesluit

3.    [appellante] stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het algemeen bestuur de oude aanwijzing mocht intrekken en vervangen door de nieuwe aanwijzing. Zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte van doorslaggevend belang heeft geacht dat niet is gebleken dat in het overleg tussen [appellante] en het algemeen bestuur voorafgaand aan de oude aanwijzing uitdrukkelijk is gesproken over bedrijfsvaartuigen die ten dienste staan aan de activiteit scheepsverhuur. De oude aanwijzing was duidelijk en had ook betrekking op scheepsverhuur. Verder handelt het algemeen bestuur in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het is niet van belang wat de wil is geweest van een ambtenaar. Veel meer van belang is wat uit de tekst van het besluit voortvloeit. Daarnaast is het onredelijk om te bepalen dat vaartuigen slechts vier maanden ter reparatie mogen worden afgemeerd. De werkzaamheden kunnen soms uitlopen door bijvoorbeeld onvoorziene omstandigheden, aldus [appellante].

3.1.    Op grond van artikel 2.4.1, eerste lid, van de Vob is het verboden zonder vergunning met een bedrijfsvaartuig een ligplaats in te nemen. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, kan het college ten behoeve van specifieke categorieën bedrijfsvaartuigen ligplaatsen aanwijzen waarvoor de vergunningplicht niet geldt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, ligt daarin ook besloten de bevoegdheid om een aanwijzing te wijzigen.

3.2.    Het algemeen bestuur heeft aannemelijk gemaakt dat het met de oude aanwijzing heeft beoogd om slechts ligplaatsen voor bedrijfsvaartuigen aan te wijzen die ter reparatie bij [appellante] aanwezig waren. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM2632, volgde het algemeen bestuur een gedragslijn die inhield dat niet handhavend werd opgetreden tegen vaartuigen die zonder ligplaatsvergunning een ligplaats innamen bij een scheepsreparatiebedrijf om daar te worden gerepareerd. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2010 heeft het algemeen bestuur de gedragslijn willen vastleggen in een aanwijzingsbesluit voor [appellante]. Tegen deze achtergrond mag ervan worden uitgegaan dat de volzin in de oude aanwijzing in samenhang moet worden gelezen, in die zin dat het tweede deel betrekking heeft op de schepen die ter reparatie worden aangeboden en het eerste deel op de bedrijfsvaartuigen van [appellante] die nodig zijn voor de reparatie van de aangeboden schepen, en dus niet ziet op schepen voor de verhuur. Ook blijkt uit een brief van 16 juli 2013, behandeld door Q. Niessen, beleidsmedewerker water bij het stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam, gericht aan Waternet, dat in overleg tussen [appellante] en ambtenaren van de gemeente Amsterdam nooit is gesproken over scheepsverhuur door [appellante] en dat in gesprekken over de totstandkoming van de oude aanwijzing als voorbeelden van vergunningvrije bedrijfsvaartuigen een dekschuit, een sleepboot of een hijsbokje zijn genoemd. Voor grotere schepen die ter reparatie lagen bij [appellante] dienden volgens die brief wel nadere regels gesteld te worden. Daarbij heeft het algemeen bestuur toegelicht dat, zoals [appellante] terecht stelt, Niessen  weliswaar niet aanwezig was bij de gesprekken over de totstandkoming van de oude aanwijzing, maar dat hij wel betrokken was bij het overleg. [appellante] had dus kunnen weten dat het algemeen bestuur beoogd heeft het gebied aan te wijzen voor schepen die ter reparatie bij haar aangemeerd waren en niet voor schepen die bestemd waren voor de verhuur. Om onduidelijkheden te voorkomen heeft het algemeen bestuur de aanwijzing aangescherpt. Daarmee is de rechtszekerheid gediend.

3.3.    De Afdeling is verder van oordeel dat het algemeen bestuur in redelijkheid heeft kunnen bepalen dat een vaartuig dat ter reparatie een ligplaats heeft ingenomen die ligplaats vier maanden zonder vergunning mag innemen. Het is niet onredelijk dat het algemeen bestuur een termijn hanteert om te voorkomen dat vaartuigen op verkapte wijze ligplaats innemen in een waterperceel. De termijn van vier maanden is zelfs een verruiming ten opzichte van de oude aanwijzing, waarin het algemeen bestuur bepaald had dat na drie maanden toestemming gevraagd moest worden aan het algemeen bestuur om ligplaats in te nemen. Zoals uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van 28 april 2010 volgt, is het mogelijk voorschriften of beperkingen te verbinden aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.4.1, tweede lid, van de Vob. Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie volgt dat het algemeen bestuur al een gedragslijn hanteerde waarin niet werd opgetreden tegen vaartuigen die ter reparatie ligplaats innamen zonder vergunning voor een periode van drie maanden. Reparatiewerkzaamheden aan een vaartuig kunnen door omstandigheden uitlopen, maar niet is gebleken dat [appellante] in een dergelijke situatie geen ligplaatsvergunning kan verkrijgen indien zij daarvoor een goede verklaring geeft en concreet aangeeft binnen welke termijn de werkzaamheden worden afgerond. Ook heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat door die termijnstelling de bedrijfsexploitatie wordt geschaad.

3.4.    De rechtbank heeft gezien het voorgaande terecht geoordeeld dat het algemeen bestuur in redelijkheid het nieuwe aanwijzingsbesluit kon vaststellen.

Het betoog faalt.

Ontheffing voor het mogen afmeren van de Yellow Submarine

4.    [appellante] betoogt verder dat de rechtbank in procedurenummer 17/1348 ten onrechte heeft geoordeeld dat de Yellow Submarine geen bedrijfsvaartuig is. Omdat de Yellow Submarine wel een bedrijfsvaartuig is, had het vaartuig op grond van de nieuwe aanwijzing geen ligplaatsvergunning nodig en kon het vaartuig zonder vergunning ter reparatie worden afgemeerd, aldus [appellante].

Indien wel een ontheffing object voor het tijdelijk mogen afmeren van de Yellow Submarine nodig is, betoogt [appellante] dat het slechts nodig is te verklaren dat de Yellow Submarine in onderhoud is. Het gegeven dat het algemeen bestuur van mening is dat de werkzaamheden erg summier omschreven zijn, rechtvaardigt niet dat de aanvraag op die grond wordt afgewezen. Het algemeen bestuur had daarom op grond van artikel 4:5 van de Awb gelegenheid moeten geven de aanvraag aan te vullen, aldus [appellante].

4.1.    Zoals uit overweging 3.1 volgt, is het op grond van artikel 2.4.1, eerste lid, van de Vob verboden zonder vergunning met een bedrijfsvaartuig een ligplaats in te nemen. Met de nieuwe aanwijzing heeft het algemeen bestuur bepaald dat bedrijfsvaartuigen die ter reparatie in beheer zijn bij [appellante] geen ligplaatsvergunning behoeven op de Bickersgracht indien zij niet langer dan vier maanden een ligplaats innemen. Daarmee beoogt het algemeen bestuur te voorkomen dat vaartuigen op verkapte wijze ligplaats innemen in de Bickersgracht. Uit artikel 2.2.1 van de Vob volgt dat een bedrijfsvaartuig een vaartuig is, niet zijnde een zeeschip, binnenschip of dienstvaartuig, dat hoofdzakelijk gebruikt wordt voor de uitoefening van een reëel bedrijf of beroep met dat vaartuig dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten. Met het vereiste van een reëel bedrijf is bedoeld dat met een bedrijfsvaartuig moet kunnen worden voorzien in het levensonderhoud van de eigenaar van het vaartuig, zo volgt uit de toelichting op artikel 2.2.1.

4.1.1.    Dat de Yellow Submarine zelfstandig kan varen, dat toestemming is verkregen om passagiersvaarten te maken met de Yellow Submarine en dat het vaartuig een Europanummer heeft verkregen is, zoals uit overweging 4.1 volgt, geen aanleiding de Yellow Submarine aan te merken als een bedrijfsvaartuig. Van belang is dat met de Yellow Submarine een substantiële bijdrage wordt geleverd aan een gezonde financiële bedrijfsvoering van [appellante]. Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat er weliswaar vanaf de zomer van 2015 tot en met januari 2016 incidenteel tegen betaling is gevaren met de Yellow Submarine, maar dat dit onvoldoende inkomsten oplevert. Dat de Yellow Submarine al sinds 2010 met enige regelmaat ligplaats inneemt in de Bickersgracht om, naar de stelling van [appellante], te worden gerepareerd, maakt niet dat de Yellow Submarine wel als bedrijfsvaartuig dient te worden aangemerkt. Verder volgt uit een brief van [belanghebbende] van 7 juni 2017, gericht aan de rechtbank Amsterdam, dat er zelden reparaties aan de Yellow Submarine worden uitgevoerd. [appellante] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Gezien de lange periode waarover de Yellow Submarine al gerepareerd zou worden en het gegeven dat er geen indicaties zijn waaruit volgt dat de Yellow Submarine voldoende inkomsten opbrengt voor [appellante], is de Afdeling van oordeel dat de Yellow Submarine geen bedrijfsvaartuig is.

4.1.2.    [appellante] behoefde dus een ontheffing object voor het tijdelijk mogen afmeren van de Yellow Submarine, zoals zij die ook heeft aangevraagd. Anders dan [appellante] betoogt, heeft het algemeen bestuur in redelijkheid niet hoeven vragen om aanvullende gegevens om de aanvraag voor de ontheffing in behandeling te kunnen nemen. Het algemeen bestuur heeft, ondanks vragen aan [appellante], geen tijdsplanning gekregen van de uit te voeren werkzaamheden aan de Yellow Submarine. Ook ter zitting bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam op 19 oktober 2016, bij de rechtbank Amsterdam op 15 juni 2017 en bij de Afdeling op 26 oktober 2018 heeft [appellante] geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de tijd die de werkzaamheden in beslag zouden nemen. Niet valt in te zien waarom dat niet zou hebben gekund. Verder heeft het algemeen bestuur al vier maal een ontheffing verleend voor een periode van in totaal meer dan twaalf maanden ten behoeve van de Yellow Submarine om ligplaats te mogen innemen in de Bickersgracht. In redelijkheid valt daarom, zonder nadere toelichting van [appellante], niet in te zien waarom een dergelijk lange periode benodigd is om de Yellow Submarine te repareren.

4.2.    Het voorgaande betekent dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat de Yellow Submarine een ontheffing object voor het tijdelijk mogen afmeren behoefde en het algemeen bestuur in redelijkheid de ontheffing voor de Yellow Submarine heeft kunnen weigeren.

Het betoog faalt.

Belang [appellante] bij besluit van 29 juni 2016

5.    [appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank in procedurenummer 16/5203 ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het besluit van 29 juni 2016. Zij heeft namelijk een belang bij een vergoeding van de kosten van de rechtsbijstand in bezwaar en beroep, aldus [appellante].

5.1.    Omdat [appellante] in beroep heeft geklaagd dat het algemeen bestuur geen proceskostenvergoeding heeft toegekend en dit in hoger beroep heeft herhaald, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat zij geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De aangevallen uitspraak komt daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog ingaan op de beroepsgronden die [appellante] heeft aangevoerd.

Het betoog slaagt.

Beroep bij de rechtbank ten aanzien van zaaknummer 16/5203

6.    Bij de rechtbank heeft [appellante] betoogd dat, omdat de Yellow Submarine een bedrijfsvaartuig is, geen ligplaatsvergunning was vereist om de Yellow Submarine aan te meren. Uit het voorgaande volgt dat de Yellow Submarine geen bedrijfsvaartuig is. [appellante] diende daarom een ontheffing object voor het tijdelijk mogen afmeren van een vaartuig aan te vragen.

Het betoog faalt.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep in de zaak, geregistreerd onder nummer 16/5203, niet-ontvankelijk is. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 29 juni 2016 ongegrond verklaren.

8.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 september 2017 in zaken nrs. 16/5719, 16/5203 en 17/1348, voor zover de rechtbank het beroep in de zaak, geregistreerd onder nummer 16/5203, niet-ontvankelijk heeft verklaard;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zaak nr. 16/5203 ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Klein

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019

176-857.

Verordening op het binnenwater 2010

Artikel 2.2.1 Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

b. bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zeeschip, binnenschip of dienstvaartuig, hoofdzakelijk gebruikt voor de uitoefening van een reëel bedrijf of beroep met dat vaartuig dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten;

[…]

e. object: een al dan niet drijvend voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of afgemeerd en dat niet behoort tot enig andere in dit hoofdstuk genoemde categorie;

Artikel 2.4.1 Ligplaatsvergunning bedrijfsvaartuig

1. Het is verboden, zonder of in afwijking van vergunning van het college met een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons-, ligplaats-, bedrijfs- en vaartuiggebonden.

2. Het eerste lid is niet van toepassing:

a. voor het innemen van een ligplaats die het college heeft aangewezen ten behoeve van een specifieke categorie bedrijfsvaartuigen;

[…]

Artikel 2.5.2 Objecten

1. Het is verboden een object in, op of boven het water te plaatsen of te houden.

2. Het college kan van het eerste lid ontheffing verlenen indien de overige vereiste vergunningen of ontheffingen voor het aanbrengen of plaatsen van die objecten zijn verleend.

[…]

Toelichting bij de Verordening op het binnenwater 2010

Artikel 2.2.1 Begripsomschrijvingen

[…]

b. Bedrijfsvaartuig

Onder het begrip bedrijfsvaartuig is eveneens begrepen het bedrijfsvaartuig dat niet meer geschikt is om te varen. Binnenschepen zijn geen bedrijfsvaartuigen in de zin van deze verordening.

Het woord "reëel" moet voorkomen dat er discussies kunnen ontstaan of een ligplaatsvergunning zou moeten worden verleend voor een vaartuig waarmee niet kan worden voorzien in het levensonderhoud van de eigenaar. Het is niet de bedoeling dat de mogelijkheid bestaat dat voor een dergelijke vaartuig ligplaatsvergunningen worden verleend. Of voldaan wordt aan het vereiste dat er sprake is van een reëel bedrijf is dus afhankelijk van het antwoord op de vraag of met het resultaat dat met dat bedrijfsvaartuig wordt gegenereerd, voorzien kan worden in het levensonderhoud van de ondernemer. Als dat resultaat gelijk of nagenoeg gelijk is aan de bijstandsnorm die geldt op het moment dat er besloten wordt over de ligplaatsvergunning, wordt aangenomen dat met het bedrijf in het levensonderhoud van de ondernemer kan worden voorzien. In aanvulling hierop wordt opgemerkt dat wanneer er sprake is van tegenvallende resultaten in een bepaalde periode, dit niet zonder meer betekent dat er alsdan geen sprake is van een reëel bedrijf. Evenzo kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat wanneer er sprake is van een opstartend bedrijf (bijvoorbeeld bij een bedrijfsovername of als er sprake is van een nieuwe ondernemer) en het resultaat dat met het bedrijf wordt gegenereerd is lager dan de bijstandsnorm, dat er dan geen sprake is van een reëel bedrijf. Of er sprake is van een reëel bedrijf dient van geval tot geval beoordeeld te worden.

Achter de woorden "reëel bedrijf of beroep" is toegevoegd "met dat vaartuig" om duidelijk te maken dat het bedrijfsvaartuig moet worden gebruikt voor de uitoefening van het bedrijf of beroep. Zo is geen bedrijfsvaartuig in de zin van deze verordening een vaartuig waarmee een hotel haar gasten vervoerd terwijl daarvoor niet extra wordt betaald (het varen maak geen onderdeel uit van het hotelbedrijf). Een ander voorbeeld: geen bedrijfsvaartuig is het vaartuig in Amsterdam van een tandartspraktijk elders in het land dat geregistreerd is op naam van de praktijk en waarop geen tandartspraktijk wordt uitgeoefend.

[…]

e. Object

Onder het begrip object vallen voorwerpen en vaartuigen die niet onder één van de andere begripsomschrijvingen zijn te brengen. Tevens zijn hieronder begrepen in aanbouw zijnde schepen, vaartuigen, casco's enz. Vanwege het in aanbouw zijn is het niet reëel de bepalingen voor de desbetreffende categorie in volbouwde staat van toepassing te verklaren.