Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:950

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
201700303/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2016 heeft het college ingestemd met het saneringsverslag "Evaluatie bodemsanering restverontreiniging

Jan Verkoljestraat (voorheen Van Miereveltlaan 9) te Delft" (hierna: het evaluatieverslag), van Delft Instruments B.V..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2019/89 met annotatie van Meijden, D. van der
JM 2019/62 met annotatie van Flietstra, Y.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700303/1/A1.

Datum uitspraak: 27 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Delft,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Delft,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2016 heeft het college ingestemd met het saneringsverslag "Evaluatie bodemsanering restverontreiniging Jan Verkoljestraat (voorheen Van Miereveltlaan 9) te Delft" (hierna: het evaluatieverslag), van Delft Instruments B.V..

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] beroep ingesteld.

Het college en Delft Instruments hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], het college en Delft Instruments hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 augustus 2018, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. E.T. Stevens, vergezeld door ing. R.C. Takens, deskundige, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], en het college, vertegenwoordigd door M.H. Endert LLB, vergezeld door ing. S.E. van der Linden-Brijer, deskundige, zijn verschenen. Voorts is daar Delft Instruments, vertegenwoordigd door drs. T.J. Dekker, directeur, vergezeld door ir. J.D. de Rijke, deskundige, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Bij besluit van 26 juli 1995 heeft het college vastgesteld dat ter plaatse van de locatie plaatselijk aangeduid als Van Miereveltlaan 9 te Delft, kadastraal bekend gemeente Delft, sectie P, nrs. 1264 en 1484, sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering als zeer urgent wordt beschouwd, en dat dientengevolge de sanering gestart dient te worden uiterlijk vier jaar na de datum van het besluit.

Bij besluit van 24 april 1997 heeft het college het door Delft Instruments aangeboden saneringsplan goedgekeurd.

Van mei tot en met augustus 1997 is de grondsanering uitgevoerd. Bij brief van 7 november 1997 heeft het college ingestemd met de uitgevoerde grondsanering. Daarmee was deze afgerond.

Uit een evaluatierapport van 24 december 1999 met betrekking tot de grondwatersanering is gebleken dat ter plaatse van het achterpad aan de Jan Verkoljestraat sterk verhoogde gehaltes aan vluchtige organochloorverbindingen (VOCI) achtergebleven waren in de bovenzijde van de holocene zandlaag. De grondwatersanering is daarom voortgezet.

Wat betreft de grondwatersanering heeft Delft Instruments op 12 juli 2005 een gewijzigd saneringsplan opgesteld. De saneringsdoelstelling volgens dit rapport was het verwijderen van de VOCI-verontreiniging uit de bovengrond (tot circa 3,5 m diepte) en het bereiken van een stabiele eindsituatie voor de diepere bodem (vanaf circa 3,5 m diepte).

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft het college met de voorgestelde wijzigingen op het oorspronkelijke saneringsplan ingestemd.

Van 2007 tot 2014 heeft verdere grondwatersanering plaatsgevonden. Op 2 juni 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders van Delft een overdrachtsdocument aangeboden, met als conclusie dat de sanering kan worden beëindigd.

In februari 2015 heeft Delft Instruments verzocht de sanering te beëindigen. Het college heeft daarop medegedeeld dat eerst een eindmonitoring moest worden verricht.

Het college heeft bij brief van 13 mei 2015 ingestemd met het bij brief van 4 mei 2015 door Delft Instruments ingediende verzoek om eindbemonstering van de sanering.

Op 9 juni 2016 heeft het college het evaluatieverslag van Delft Instruments ontvangen.

Bij het besluit van 24 november 2016 heeft het college hiermee  ingestemd. Het heeft bij dit besluit voorgeschreven dat wijzigingen in gebruik van de bodem of omstandigheden op de locatie die van invloed kunnen zijn op de saneringsmaatregelen, schriftelijk aan het bevoegd gezag Wbb ter kennis worden gebracht.

2.    Het wettelijk kader is, voor zover niet hierna onder 3 vermeld, opgenomen in de bijlage die behoort bij deze uitspraak.

3.    Artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb):

Degene die de bodem saneert, voert de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39c en artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.

Artikel 39c, eerste lid:

Na de uitvoering van de sanering of een fase van de sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid, doet degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk verslag aan gedeputeerde staten. Het verslag houdt ten minste in:

a. een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen;

b. een beschrijving van de kwaliteit van de bodem na het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven;

c. indien de verontreinigde grond is afgegraven of het verontreinigde grondwater aan de bodem is onttrokken, de hoeveelheid, de kwaliteit en de bestemming van die grond onderscheidenlijk dat grondwater;

d. indien ten behoeve van de sanering grond is aangevoerd de hoeveelheid, de kwaliteit en de herkomst van de aangevoerde grond;

e. een evaluatie van de mate waarin de effecten van de getroffen saneringsmaatregelen overeenstemmen met de beoogde effecten, bedoeld in artikel 39, eerste lid, onder b;

f. indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is en alleen beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn, een beschrijving van deze beperkingen. Indien na de sanering alleen maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem nodig zijn, het aangeven van de noodzaak daarvan. Indien na de sanering zowel beperkingen als maatregelen noodzakelijk zijn, het aangeven van de noodzaak van deze beperkingen en maatregelen.

Artikel 39c, tweede lid:

Het verslag behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het verslag instemmen indien gesaneerd is overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 38, en indien de daarin opgenomen beperkingen in het gebruik van de bodem naar hun oordeel voldoende zijn om ervoor te zorgen dat de verontreiniging die na de sanering is achtergebleven niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem zoals beschreven in het verslag op grond van het eerste lid, onder b. Gedeputeerde staten kunnen hun instemming aan het verslag onthouden, indien de sanering niet is geschied overeenkomstig het saneringsplan waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, de beschikking waarbij gedeputeerde staten met het saneringsplan hebben ingestemd en de daaraan verbonden voorschriften, of aanwijzingen die gedeputeerde staten op grond van artikel 39, vijfde lid, hebben gegeven. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 28, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de instemming met het verslag.

Artikel 39c, vierde lid:

Bij de beschikking tot instemming met het schriftelijk verslag kunnen gedeputeerde staten aangeven welke wijzigingen in het gebruik van de bodem aan hen dienen te worden gemeld. Naar aanleiding van die melding kunnen gedeputeerde staten bepalen dat een aanvullende sanering moet plaatsvinden.

4.    Gelet op het bepaalde in het tweede lid van artikel 39c van de Wbb moet instemming worden geweigerd indien niet is voldaan aan artikel 38 van die wet en kan instemming worden geweigerd indien de sanering niet is geschied overeenkomstig het saneringsplan of het besluit tot instemming daarmee.

Niet in geschil is dat de sanering gelet op artikel 38, eerste lid, onder a, van de Wbb, de bodem tenminste geschikt moest maken voor de functie wonen, welke functie de bodem na de sanering heeft gekregen.

Het college stelt zich blijkens het besluit van 24 november 2016 op het standpunt dat het saneringsresultaat in overeenstemming is met artikel 38 en dat geen afwijkingen van het saneringsplan of het besluit tot instemming daarmee hebben plaatsgevonden die nopen tot het weigeren van instemming met het evaluatieverslag.

Het heeft in het besluit uiteengezet waaruit de sanering vanaf 1997 heeft bestaan en voorts dat de genoemde activiteiten in het kader van die sanering ertoe hebben geleid dat uitsluitend nog een beperkte restverontreiniging aanwezig is in de diepere bodem, van 3,0 m tot circa 5,5 m diepte. De omvang daarvan is circa 160 m³ over een oppervlakte van 90 m². Dit betreft een beperkte restverontreiniging in de zin van de Circulaire bodemsanering omdat deze kleiner is dan 1000 m³, aldus het college. Daarvoor volstaat volgens het college passieve nazorg. De restverontreiniging is volgens het college verder in omvang afnemend en vormt geen risico voor vermindering van de kwaliteit van de bodem in de toekomst. Het college heeft daarom geconcludeerd dat de sanering als afgerond kan worden beschouwd.

5.    De Afdeling stelt vast dat een langdurig saneringstraject heeft plaatsgevonden met betrekking tot de in 1999 geconstateerde VOCI-restverontreiniging ter plaatse van het achterpad van de Jan Verkoljestraat. In het kader van die sanering is onder meer in de perioden van november 1997 tot november 1999 en van juni 2000 tot juni 2001, 62.441 m³ sterk verontreinigd grondwater onttrokken uit de holocene zandlaag, waarna dit is gezuiverd en voor een deel, 20.322 m³, is geherinfiltreerd in deze bodemlaag. Verder is ter plaatse van het achterpad in mei 2007 40 ton verontreinigde grond afgegraven. Het freatisch grondwater is ter plaatse gemonitord en verschillende malen, in 2008, 2012 en 2013 voorzien van substraat, om de biologische afbraak van VOCI in de bodem te stimuleren en te versnellen.

Van 2014 tot en met 2016 is blijkens de gedingstukken met verschillende peilbuizen gemonitord om de ontwikkelingen in de restverontreiniging te volgen. In 2016 is de eindmonitoring uitgevoerd. Hieruit blijkt volgens het besluit dat de aanwezige restverontreiniging stabiel is en in omvang afneemt gezien de aanwezige nutriënten.

De gronden van het beroep

6.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat het college niet met het evaluatieverslag had mogen instemmen. Zij voeren daartoe aan dat de omvang van de restverontreiniging, van volgens het college circa 160 m³, onjuist is vastgesteld. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] stellen daartoe dat is gerekend met een onjuiste dikte van de holocene zandlaag. Indien juist zou zijn gerekend, bedraagt de restverontreiniging volgens hen 288 m³. [appellant sub 1] heeft in dit verband gewezen op het door hem in het geding gebrachte rapport van Tauw van 8 februari 2017, waarin onder meer is vermeld dat de omvang van de restverontreiniging met te weinig peilbuizen is gemeten.

6.1.    De Afdeling volgt dit betoog niet. Dat met een onjuiste dikte van de holocene zandlaag is gerekend, hebben [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft er daarnaast terecht op gewezen dat mocht dit betoog worden gevolgd, een omvang van 288 m³ nog altijd voldoet aan de criteria voor een beperkte restverontreiniging zoals bedoeld in de Circulaire bodemsanering.

Ook het door [appellant sub 1] in het geding gebrachte rapport van Tauw van 8 februari 2017 biedt geen grondslag voor het oordeel dat de omvang van de restverontreiniging onjuist is vastgesteld. Het college heeft de argumenten die Tauw aan deze stelling ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat slechts met 1 peilbuis is gemeten, die zich bovendien volgens Tauw ten onrechte niet in de kern van de verontreiniging bevond, in het verweerschrift en het aanvullend verweerschrift genoegzaam weerlegd. Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat wel met meerdere peilbuizen is gemeten, die zich mede in de kern van de verontreiniging bevonden. Het college heeft alsnog de betreffende meetrapporten overgelegd. Het heeft verder opgemerkt dat mogelijk verwarring kan zijn ontstaan omdat de peilbuizen op enig moment zijn vernummerd, maar dat dit niet afdoet aan de juistheid van de werkwijze. Hetgeen is aangevoerd biedt geen grond om aan deze uitleg van het college te twijfelen.

Het betoog faalt.

7.    [appellant sub 1] betoogt voorts dat het college niet met het evaluatieverslag had mogen instemmen, omdat zich nog risico’s voor de toekomst voordoen. Hij voert daartoe aan dat niet is komen vast te staan dat het freatisch grondwater niet meer is verontreinigd. Volgens hem is aannemelijk dat dit nog wel het geval is, omdat naar hij stelt op diverse plaatsen de scheidingslaag tussen het freatische pakket en de holocene zandlaag ontbreekt, dan wel doorboord is. Er kan zich daarom vermenging voordoen met het grondwater uit lager gelegen bodemlagen, aldus [appellant sub 1]. Volgens hem is in het freatisch grondwater verder niet frequent genoeg gemeten.

7.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat na de sanering nog slechts restverontreiniging aanwezig is in de diepere bodemlaag en niet meer in het freatisch grondwater. Het wijst erop dat de sanering van het freatisch grondwaterpakket in 2011 is afgerond, met uitzondering van peilbuis 1101, waarmee het freatisch grondwater op de locatie van die peilbuis nog tot september 2013 verder is gemonitord. Bij de laatste monitoringsronde van september 2013 is ook daar vastgesteld dat de VOCI-gehaltes gedaald zijn tot beneden de tussenwaarde, waarmee de saneringsdoelstelling is bereikt, aldus het college.

In het aanvullende stuk van Delft Instruments van 27 maart 2018 wordt met betrekking tot de sanering van het freatisch grondwater nader uiteengezet welke werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Daaruit blijkt dat in 1997 grond is ontgraven. Nadat in 2004 alleen ter plaatse van het achterpad van de Jan Verkoljestraat nog verhoogde concentraties VOCI zijn aangetroffen, is daar in 2007 opnieuw de ondiepe bodem ontgraven en is de restverontreiniging daar verder tegengegaan met substraat. Dit heeft er ook volgens Delft Instruments toe geleid dat in 2013 de concentraties VOCI in het freatisch grondwater tot beneden de tussenwaarde waren gedaald.

De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen grond voor twijfel aan de conclusie dat zich geen verontreiniging meer in het freatisch grondwaterpakket bevindt.

Dat het freatisch grondwater opnieuw verontreinigd kan raken omdat de scheidingslaag tussen de verschillende grondlagen gedeeltelijk ontbreekt, zoals [appellant sub 1] betoogt, acht de Afdeling niet aannemelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de deskundige van Delft Instruments onweersproken heeft gesteld dat de holocene zandlaag watervoerend is en dat daarin oppervlaktewater infiltreert vanuit het Rijn-Schiekanaal, welk water als grondwater afstroomt in de richting van de lager gelegen Bieslandsepolder. De verontreiniging wordt door deze stroming meegenomen, maar doordat de afbraaksnelheid van de verontreiniging groter is dan de verspreidingssnelheid, krimpt de verontreiniging in de holocene zandlaag verder, aldus de deskundige.

Uit het voorgaande volgt dat door de infiltratiesituatie de restverontreiniging zich horizontaal verplaatst en daarnaast afneemt. [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat en waarom in weerwil van het voorgaande, de restverontreiniging (mede) onderhevig zou zijn aan opwaartse druk en aldus de hoger gelegen bodemlaag opnieuw zou kunnen bereiken.

Het college heeft evenmin, anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen, aanleiding hoeven zien voor een nieuwe luchtkwaliteitsmeting in de kruipruimten van woningen. Een dergelijke meting heeft naar niet in geschil is in 2006 plaatsgevonden, waarbij destijds reeds geen verhoogde gehalten toxische stoffen in de lucht in de kruipruimten zijn gemeten. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat een herhaling van een luchtkwaliteitsmeting alleen in de rede zou liggen als de eerdere meetresultaten daartoe aanleiding zouden hebben gegeven. Een dergelijke aanleiding is niet aan de orde. Dat de in 2006 uitgevoerde luchtkwaliteitsmeting destijds niet aan de daarvoor geldende vereisten heeft voldaan, is niet gebleken.

Het betoog faalt.

8.    De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat het in beroep aangevoerde geen grond vormt voor het oordeel dat het college zich in het besluit van 24 november 2016 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het saneringsresultaat in overeenstemming is met artikel 38 van de Wbb en dat om die reden kon worden ingestemd met het evaluatieverslag.

9.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen verder dat het college instemming had moeten weigeren nu naar zij stellen het saneringsresultaat niet voldoet aan het saneringsplan van 1996, aangevuld met dat van 2005, en de besluiten tot instemming daarmee. Zij wijzen erop dat volgens het saneringsplan van 2005 gesaneerd wordt volgens de nota "Gezamenlijk Bodemsaneringsbeleid" en dat volgens dat beleid in dit geval langdurige monitoring wordt verlangd van minimaal 5 jaar. Daarnaast voldoet het saneringsresultaat volgens [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet aan een ‘stabiele eindsituatie’ zoals het saneringsplan van 2005 dit vereist.

[appellant sub 1] betoogt dat instemming aan het evaluatieverslag had moeten worden onthouden omdat er daarbij ten onrechte aan voorbij wordt gegaan dat in mei 2015 een aanpassing op het saneringsplan heeft plaatsgevonden, waarvoor een nieuw saneringsplan en een nieuwe beschikking was vereist.

9.1.     Zoals vermeld bepaalt het tweede lid van artikel 39c van de Wbb dat instemming moet worden geweigerd indien niet is voldaan aan artikel 38 van die wet en dat instemming kan worden geweigerd indien de sanering niet is geschied overeenkomstig het saneringsplan of het besluit tot instemming daarmee. Het weigeren van instemming met het verslag wegens afwijking van het saneringsplan is in de wet geformuleerd als een bevoegdheid, niet als een verplichting.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om van deze bevoegdheid geen gebruik te maken. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] overweegt de Afdeling dat de door Tauw bedoelde brief van Delft Instruments van 4 mei 2015 en de reactie daarop van het college van 13 mei 2015, in deze procedure niet ter beoordeling voorliggen. In deze procedure ligt uitsluitend ter beoordeling voor het besluit van het college van 24 november 2016 tot instemming met het evaluatieverslag op grond van artikel 39c, tweede lid, van de Wbb. Zoals hiervoor onder 8 is geoordeeld, verplichtte het bepaalde in artikel 38 van de Wbb het college niet om instemming te weigeren, omdat het college zich terecht op het standpunt stelt dat aan de saneringsdoelstelling in dat artikel is voldaan. De Afdeling is van oordeel dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben aangevoerd geen grond vormt voor het oordeel dat sprake is van zodanige afwijkingen van het saneringsplan, dat het college om die reden aanleiding had moeten zien om instemming te weigeren, terwijl aan de saneringsdoelstelling in artikel 38 is voldaan. De betogen falen.

10.     De beroepen zijn ongegrond.

11.         Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. Bolleboom

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019

641.

Wet bodembescherming

Artikel 28 luidt:

1 Degene die voornemens is de bodem te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, doet van dat voornemen melding bij gedeputeerde staten van de betrokken provincie.

2 Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende gegevens verstrekt:

a. de resultaten van onderzoek met betrekking tot de kwaliteit van de bodem;

b. de resultaten van nader onderzoek, indien dat is uitgevoerd;

c. het tijdstip waarop met de handelingen, bedoeld in het eerste lid, zal worden aangevangen;

d. indien verontreinigd grondwater zal worden onttrokken, de bestemming van dat grondwater;

e. indien verontreinigde bodem zal worden afgegraven, de bestemming van de grond en of de verontreinigde grond zal worden gereinigd of geïmmobiliseerd;

f. indien de verontreinigde bodem geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereinigd, wordt tevens een beoordeling van de reinigbaarheid of de immobiliseerbaarheid van de verontreinigde grond overgelegd.

3 (…);

4 (…);

5  Een melding als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven, indien de betrokkene redelijkerwijs kan aannemen dat de sanering of de handeling waarop zijn voornemen betrekking heeft geen geval van ernstige verontreiniging betreft en tevens vaststaat:

1°. dat de betreffende hoeveelheid verontreinigde grond of verontreinigd grondwater 50 kubieke meter onderscheidenlijk 1000 kubieke meter niet te boven gaat, of

2°. dat uit de aard van de in het eerste lid bedoelde handelingen volgt dat de grond slechts tijdelijk wordt verplaatst en na verplaatsing wordt teruggebracht.

6  Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke andere gevallen dan die, genoemd in het vijfde lid, een melding als bedoeld in het eerste lid achterwege kan blijven, mits het niet gevallen van ernstige verontreiniging betreft.

7 (…);

8 (…).

Artikel 29 luidt:

1 Gedeputeerde staten kunnen in een beschikking vaststellen of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging:

a. naar aanleiding van een nader onderzoek of

b. naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid.

2 Gedeputeerde staten nemen in ieder geval een beschikking:

a. op aanvraag van degene die het nader onderzoek heeft overgelegd of degene die de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, heeft gedaan;

b. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 39, eerste lid.

3 Gedeputeerde staten nemen een beschikking zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vijftien weken na ontvangst van:

a. het nader onderzoek of de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, of

b. een later daartoe strekkende aanvraag van degene die het nader onderzoek heeft overgelegd of degene die de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, heeft gedaan.

4  Degene die een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, heeft gedaan, gaat niet over tot de in dat lid bedoelde handelingen dan:

a. nadat een beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder b, is gegeven, dan wel

b. indien binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, geen beschikking is gegeven als bedoeld in het eerste lid, onder b: nadat die termijn is verstreken.

5 (…).

Artikel 39 luidt:

Indien een geval van ernstige verontreiniging wordt vermoed gaat de melding, bedoeld in artikel 28, voor zover dit niet reeds ingevolge dat artikel is vereist, tevens vergezeld van de resultaten van het nader onderzoek alsmede, indien het voornemen bestaat de bodem te saneren, van de resultaten van het saneringsonderzoek en van een saneringsplan, dat in ieder geval inhoudt:

a. een nadere beschrijving van de wijze waarop de sanering zal worden uitgevoerd, waarbij is aangegeven hoe aan artikel 38, eerste lid, zal worden voldaan;

b. een beschrijving van de effecten die met de te treffen saneringsmaatregelen worden beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van de bodem die met de sanering zal worden bereikt;

c. indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig blijft: een beschrijving van beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen die naar verwachting nodig zijn in het belang van de bescherming van de bodem, alsmede een indicatie van de kosten van die maatregelen;

d. een begroting van de kosten van de sanering en een overzicht van de daarvoor beschikbare middelen;

e. indien de verontreinigde grond zal worden afgegraven of het verontreinigde grondwater zal worden onttrokken, de bestemming van die grond onderscheidenlijk dat grondwater;

f. indien verontreinigde grond binnen het geval van de verontreiniging wordt verplaatst, een beschrijving van de omstandigheden waaronder dit gebeurt;

g. het tijdstip waarop de sanering naar verwachting zal zijn uitgevoerd;

h. indien de verontreiniging zich kan verspreiden en de saneringsmaatregelen zich uitstrekken over een periode van drie jaar of meer:

1°. een overzicht van de tussentijds beoogde effecten, en de tijdstippen waarop gedeputeerde staten schriftelijk worden geïnformeerd omtrent de effecten van de getroffen maatregelen en in hoeverre deze overeenstemmen met de beoogde effecten;

2°. een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten, bedoeld onder b, te bereiken, voor het geval de in het saneringsplan opgenomen methode niet tot die effecten zou leiden.

Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de gegevens die in het saneringsplan worden opgenomen.

2 Het saneringsplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. Gedeputeerde staten kunnen hun instemming aan het plan onthouden, indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid. Zij beslissen hierover binnen vijftien weken na de indiening van het saneringsplan. Zij kunnen deze termijn binnen zes weken na de datum van ontvangst van de melding verlengen met ten hoogste vijftien weken. Met de uitvoering van het saneringsplan kan worden begonnen nadat gedeputeerde staten met dat plan hebben ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. De instemming is van rechtswege verleend, indien gedeputeerde staten niet binnen de instemmingstermijn van vijftien weken of voor de afloop van de termijn waarmee is verlengd een beslissing hebben genomen. Een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

3 Indien het voornemen, bedoeld in artikel 28, eerste lid, inhoudt dat de sanering niet onmiddellijk wordt uitgevoerd nadat de beschikking, bedoeld in artikel 29, eerste lid, is gegeven, kunnen gedeputeerde staten bepalen dat de in het eerste lid bedoelde stukken niet reeds bij de melding behoeven te worden ingediend.

4 Degene die de bodem saneert, meldt wijzigingen van het saneringsplan, waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, uiterlijk twee weken voorafgaand aan de uitvoering daarvan aan gedeputeerde staten. Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de gegevens die bij de melding worden verstrekt. Artikel 28, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

5 Gedeputeerde staten kunnen naar aanleiding van de melding, bedoeld in het vierde lid, aanwijzingen geven omtrent de verdere uitvoering van de sanering, die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd.

6 Dit artikel is niet van toepassing op een melding als bedoeld in artikel 28, derde lid.