Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:949

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
201805088/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:2597, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 januari 2017 heeft het college het verzoek van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805088/1/A3.

Datum uitspraak: 27 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amersfoort,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 juni 2018 in zaak nr. 17/2724 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2017 heeft het college het verzoek van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 13 juni 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. O.F.X. Roozemond, advocaat te Hilversum, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.H. Vossebeld, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.    [appellante] woont samen met haar zoon in een eengezinswoning. Zij heeft een urgentieverklaring aangevraagd, omdat er al jarenlang een gespannen sfeer heerst tussen haar en haar buren, die onder meer heeft geleid tot een mishandeling van [appellante] en haar toen minderjarige zoon door een buurman in 2012. Laatstgenoemde is hiervoor veroordeeld.

Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat volgens het college niet gesproken kon worden van een sociale indicatie voor verlening van een urgentieverklaring in de zin van een onaanvaardbare situatie zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 18, zesde lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amersfoort 2015 (hierna: Verordening). Bovendien hebben volgens het college meerdere pogingen tot een oplossing voor het woonruimteprobleem niets opgeleverd door toedoen van [appellante]. De afwijzing van het verzoek om een urgentieverklaring is in bezwaar gehandhaafd.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college afgifte van een urgentieverklaring aan [appellante] heeft mogen weigeren. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de veroordeling van de buurman voor de mishandeling in 2012 en de door haar gedane aangiftes niet volgt dat sprake was van een onaanvaardbare situatie waarbij het gaat om ernstige, levensbedreigende problemen in relatie tot de woning zoals bedoeld in artikel 18, zesde lid, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 18, negende lid, aanhef en onder a, van de Verordening. Uit het vonnis blijkt dat de mishandeling is gekwalificeerd als eenvoudige mishandeling. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat het college niet gehouden was om [appellante] met toepassing van de hardheidsclausule een urgentieverklaring te verlenen, omdat geen sprake was van een noodsituatie. Daartoe heeft zij overwogen dat [appellante] meerdere aangeboden oplossingen voor het woonruimteprobleem naast zich heeft neergelegd, niet dakloos was en zich onvoldoende onderscheidde van andere bewoners van de gemeente Amersfoort in een onwenselijke woonsituatie. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het door [appellante] aangevoerde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:314, en het beroep op de redelijkheid en billijkheid niet volgt dat het college aan [appellante] een urgentieverklaring had moeten verlenen, omdat het college geen verhuurder is.

De rechtbank heeft tot slot vastgesteld dat het college heeft nagelaten om in het besluit van 13 juni 2017 te reageren op het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. Nu geen aanleiding bestond om het in bezwaar bestreden besluit te herroepen, had [appellante] geen recht op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Zij is dus niet benadeeld door het ontbreken van een reactie op haar verzoek om een proceskostenvergoeding, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft daarom aanleiding gezien om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te passeren. Gelet op de aard van het gebrek, heeft de rechtbank geen grond gezien voor een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.

Herhaling beroepsgronden

4.    Met uitzondering van de hierna te bespreken gronden heeft [appellante] in hoger beroep volstaan met een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de rechtbank daarop ingegaan. Nu [appellante] niet heeft uiteengezet dat en waarom de desbetreffende overwegingen in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig zijn, kan het hoger beroep in ieder geval in zoverre niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

Hardheidsclausule: aanbiedingen van andere woningen

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank bij haar oordeel over het niet toepassen van de hardheidsclausule heeft miskend dat het onredelijk is om haar tegen te werpen dat zij niet akkoord is gegaan met twee aanbiedingen van andere woningen. Zij voert daarbij aan dat het om zogenoemde omklapwoningen ging. Zulke woningen betreffen een vorm van begeleid wonen voor personen die, anders dan zij, niet zelfstandig kunnen wonen, aldus [appellante].

5.1.    Voor zijn besluit om de hardheidsclausule al dan niet toe te passen, heeft het college in redelijkheid van belang kunnen achten of het door [appellante] geschetste huisvestingsprobleem op een andere wijze opgelost kon worden dan door verlening van een urgentieverklaring. Derhalve mocht het college van belang achten dat aan [appellante] tweemaal een andere woning is aangeboden. Dat [appellante] de aangeboden woningen niet geschikt achtte, doet daar niet aan af, gezien de door haar gestelde dringende redenen om te willen verhuizen. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt.

Proceskostenvergoeding

6.    [appellante] betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3532, dat de rechtbank bij het toepassen van artikel 6:22 van de Awb heeft miskend dat het college veroordeeld moest worden in de proceskosten van de beroepsfase.

6.1.    De rechtbank heeft in de aard van het op grond van artikel 6:22 van de Awb gepasseerde gebrek terecht geen aanleiding gezien om het college te veroordelen in de proceskosten van de beroepsfase. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, worden de in verband met het bezwaar gemaakte proceskosten uitsluitend vergoed voor zover het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen. Omdat het besluit van 13 juni 2017 strekte tot het in stand laten van het besluit van 5 januari 2017, lag in het besluit van 13 juni 2017 besloten dat het verzoek om een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase moest worden afgewezen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4752). Het gepasseerde gebrek betreft dan ook slechts het ontbreken van een expliciete vermelding van deze afwijzing, die noodzakelijkerwijs voortvloeide uit de inhoud van het besluit van 13 juni 2017.

Het betoog faalt.

Conclusie

7.        Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8.            Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019

582-898.

Huisvestingsverordening Amersfoort 2015

Artikel 18 Doelgroepen van urgentie

1. Burgemeester en wethouders kunnen een urgentieverklaring verstrekken wegens

[…]

b. sociale indicatie;

[…]

6. Van een sociale indicatie is sprake indien op advies van de urgentiecommissie door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat een urgentieverklaring uit sociaal oogpunt noodzakelijk is. Hieronder worden de volgende situaties gerekend:

[…]

b. Woningzoekenden die zich bevinden in een onaanvaardbare situatie waarbij het gaat om ernstige, levensbedreigende problemen in relatie tot de huidige woning.

[…]

9. Urgentie in situaties bedoeld in het zesde lid onder b is alleen mogelijk indien:

a. met politierapporten kan worden aangetoond dat er sprake is geweest van zeer ernstige, direct tegen het leven gerichte mishandeling, terwijl er gegronde vrees is voor herhaling. Hierbij dient een relatie te bestaan tussen de problematiek en de huidige woonsituatie. Daarnaast moet een andere woning binnen dezelfde gemeente kunnen bijdragen aan een oplossing van de huidige levensbedreigende woonsituatie.

[…]

Artikel 28 Hardheidsclausule

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven regel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 7:15

[…]

2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3. Het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek bij de beslissing op het bezwaar.

[…]