Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:94

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
201804493/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2017 heeft het college zijn besluit om op 13 december 2017 spoedeisende bestuursdwang wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 126,00, voor rekening van [appellant] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2019/4
JOM 2020/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804493/1/A1.

Datum uitspraak: 16 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2017 heeft het college zijn besluit om op 13 december 2017 spoedeisende bestuursdwang wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 126,00, voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 25 april 2018 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S. Blankenstein, is verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak die op 13 december 2017 naast een aangewezen inzamelvoorziening ter hoogte van Noordstraat 119 te Den Haag is aangetroffen. In deze huisvuilzak is een reclamestuk, gericht aan "de bewoner(s) van [locatie]" aangetroffen. Omdat dit de woning van [appellant] is, heeft het college hem in het besluit van 20 december 2017 als overtreder van artikel 9 van de Afvalstoffenverordening aangemerkt.

2.    [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Het college is er volgens hem ten onrechte van uitgegaan dat het reclamestuk niet alleen zijn adres, maar ook zijn naam bevatte. Hij stelt dat het reclamestuk niet van hem afkomstig is en verkeerd moet zijn bezorgd, zoals ook hij een verkeerd bezorgd exemplaar van dat reclamestuk, gericht aan een ander adres, heeft ontvangen. Verder is het volgens [appellant] onlogisch dat hij de vuilniszak naast de container heeft gezet, nu deze zich op enige afstand van zijn woning bevindt, terwijl zich dichter bij zijn woning een andere container bevindt.

2.1.    Artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

    Artikel 5:1, tweede lid, luidt:

"Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2239, zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie een aangetroffen afvalstof kan worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

    Vaststaat dat de huisvuilzak op 13 december 2017 ter hoogte van Noordstraat 119 naast een inzamelvoorziening is aangetroffen, die daarmee in strijd met de Afvalstoffenverordening ter inzameling was aangeboden. [appellant] stelt op zichzelf terecht dat het college er in het besluit van 26 april 2018 ten onrechte van uit is gegaan dat het reclamestuk dat in de huisvuilzak is aangetroffen niet alleen de adresgegevens, maar ook de naam van [appellant] bevatte. De adresgegevens zijn echter voldoende om de huisvuilzak tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat [appellant] de overtreder is, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de huisvuilzak op onjuiste wijze heeft aangeboden.

2.3.    Door de mogelijkheid te noemen dat het aangetroffen reclamestuk verkeerd is bezorgd en door de ontvanger is weggegooid, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij niet degene is geweest die de huisvuilzak onjuist heeft aangeboden. Daarvoor is zijn stelling dat hij een eveneens verkeerd bezorgd exemplaar van het reclamestuk heeft ontvangen, onvoldoende. Ook de omstandigheid dat [appellant] op ongeveer 110 m afstand woont van de locatie waar de huisvuilzak is aangetroffen, terwijl zich dichter bij zijn woning een andere afvalcontainer bevindt, is op zichzelf onvoldoende om aannemelijk te achten dat hij niet degene is geweest die de huisvuilzak verkeerd heeft aangeboden.

    Het betoog faalt.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Witsen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019

727.