Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:93

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
201801954/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2017 heeft het college zijn beslissing om op 1 november 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/122
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801954/1/A1.

Datum uitspraak: 16 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2017 heeft het college zijn beslissing om op 1 november 2017 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) en het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag op onjuiste wijze aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten een bedrag van € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 27 februari 2018 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2018, waar het college, vertegenwoordigd door mr. F. Naghi-Zadeh, is verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 1 november 2017 naast een aangewezen inzamelvoorziening ter hoogte van Waldeck Pyrmontkade 929 te Den Haag (hierna: de papiercontainer) is aangetroffen. Omdat op de doos een adressticker met de naam- en adresgegevens van [appellante] is aangetroffen, heeft het college haar in het besluit van 10 november 2017 als overtreder van artikel 9 van de Afvalstoffenverordening aangemerkt.

2.    [appellante] betoogt dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Zij stelt de doos niet naast de papiercontainer te hebben achtergelaten, maar opgevouwen in de papiercontainer. Doordat de papiercontainer vol was, stak de doos nog wel uit de opening. Zij vermoedt dat een ander haar doos uit de papiercontainer heeft gehaald en daarnaast heeft gelegd. Volgens [appellante] zijn de containers regelmatig vol en dienen deze vaker te worden geleegd.

2.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2239, zal in de regel mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie een aangetroffen afvalstof kan worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

2.2.    Vaststaat dat op 1 november 2017 naast de papiercontainer een doos is aangetroffen, die daarmee in strijd met de Afvalstoffenverordening ter inzameling was aangeboden. De doos kan tot [appellante] worden herleid, nu daarop een sticker is aangetroffen met haar naam- en adresgegevens. Dit betekent dat, tenzij [appellante] aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die de doos op onjuiste wijze heeft aangeboden, het college mag aannemen dat zij de overtreder is.

    Met haar stelling dat zij de doos opgevouwen in de papiercontainer heeft achtergelaten, en dat een ander de doos daar op een later moment uit heeft gehaald en naast de papiercontainer heeft gelegd, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij niet degene is geweest die de doos naast de papiercontainer heeft achtergelaten. Voor zover zij moet worden gevolgd in haar stelling dat zij de doos wel in de papiercontainer heeft achtergelaten, maar niet volledig nu deze deels nog uit de opening stak, komt het voor haar risico dat de doos uiteindelijk naast de papiercontainer terecht is gekomen. Het college mocht [appellante] dan ook aanmerken als overtreder.

2.3.    Voor zover [appellante] aanvoert dat de containers vaker geleegd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat dit in deze procedure niet ter beoordeling staat.

    Het betoog faalt.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Witsen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019

727.