Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:929

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
201804597/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:3072, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 augustus 2016 heeft het college [appellant] een bestuurlijke boete van € 4.000,00 opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804597/1/A3.

Datum uitspraak: 27 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2018 in zaak nr. 17/3733 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2016 heeft het college [appellant] een bestuurlijke boete van € 4.000,00 opgelegd.

Bij besluit van 10 mei 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.V. van Blitterswijk, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A. Karreman, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] was huurder van de woning aan de [locatie] te Rotterdam. Bij het besluit van 25 augustus 2016 heeft het college [appellant] een boete van € 4.000,00 opgelegd, omdat hij volgens het college artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 (hierna: Hvw) en artikel 3.1.2, eerste lid, van de Verordening toegang woningmarkt en samenstelling woningvoorraad (hierna: de Verordening) heeft overtreden. Aan de boeteoplegging heeft het college het rapport van bevindingen van 1 juni 2016 ten grondslag gelegd. Daarin is vermeld dat bij een controle is geconstateerd dat twee van de drie kamers volledig waren ingericht als hennepkwekerij. Het college heeft de boeteoplegging in bezwaar gehandhaafd. Het college stelt zich, onder verwijzing naar het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie van 2 maart 2017, op het standpunt dat [appellant] woonruimte aan de bestemming tot bewoning heeft onttrokken zonder een daartoe verleende onttrekkingsvergunning, omdat de woning in gebruik was voor een hennepkwekerij. [appellant] kan de bedrijfsmatige exploitatie daarvan worden toegerekend, aldus het college.

Hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de woning aan de bestemming tot bewoning is onttrokken, omdat in de woning, naast de ruimten die waren ingericht voor de hennepkwekerij, nog voldoende ruimte was voor bewoning door één persoon. Hij betoogt ook dat de rechtbank hem ten onrechte heeft aangemerkt als overtreder, omdat hij gedurende de maanden waarin hennep werd gekweekt, in een depressie verkeerde en bij een vriend in Groningen verbleef. Dit kan hij niet aantonen door middel van betalingsbewijzen, omdat de vriend de kosten voor zijn rekening nam. Over de overweging van de rechtbank dat uit de rapportage diefstal energie volgt dat langer hennep is gekweekt dan de drie maanden waarvan hij in beroep aanvoerde afwezig te zijn geweest in de woning, geeft [appellant] aan dat hij door zijn depressie niet precies weet hoelang hij bij zijn vriend verbleef. Verder stellen de rechtbank en het college zich ten onrechte op het standpunt dat bij het vaststellen van de hoogte van de boete moet worden uitgegaan van een bedrijfsmatig karakter, omdat hetgeen in de woning is aangetroffen daarvoor onvoldoende was. Tot slot maken zijn hoge schulden, vaste lasten in verband met het levensonderhoud van zijn kinderen en de betaalde ontruimingskosten, dat [appellant] niet in staat is om de boete te betalen. De rechtbank heeft miskend dat het college gezien deze bijzondere omstandigheden aanleiding had moeten zien om tot matiging van de boete over te gaan, aldus [appellant].

Wet- en regelgeving

3.    Artikel 21 van de Hvw luidde ten tijde van belang: "Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

a. anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar aan de bestemming tot bewoning te onttrekken;

[…]."

Artikel 35, eerste lid, luidde: "De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de verboden bedoeld in de artikelen 8, 21 of 22, of van het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete."

Artikel 3.1.2, eerste lid, van de Verordening luidt: "Het is verboden om zonder een onttrekkingsvergunning een woonruimte aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is."

Ingevolge artikel 4.4, tweede lid, aanhef en onder a, en tabel 2 van Bijlage 3 bij de Verordening bedraagt de hoogte van de boete voor de eerste overtreding van het verbod van artikel 3.1.2 € 2.000,- bij het "onvergund onttrekken van woonruimte" en € 4.000,- bij het "onvergund onttrekken van woonruimte vanuit een bedrijfsmatige exploitatie".

In de Beleidsnotitie bestuurlijke boete Huisvestingswet Rotterdam 2013 is vermeld dat overtredingen die vanuit een bedrijfsmatige exploitatie worden begaan zwaarder worden beboet. Bij woonruimteonttrekking ten behoeve van een hennepkwekerij is altijd sprake van bedrijfsmatige exploitatie.

Oordeel Afdeling

4.    De Afdeling volgt [appellant] niet in het betoog dat de woning niet aan de bestemming tot bewoning is onttrokken. Daartoe overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de woning drie kamers heeft en blijkens het rapport van bevindingen twee van de drie kamers waren ingericht als hennepkwekerij. Daarmee staat vast dat de woning niet langer beschikbaar was voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt was. [appellant] stelt zich gezien de hoeveelheid kamers ten onrechte op het standpunt dat de woning slechts geschikt is voor een eenpersoonshuishouden.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4181, is de overtreder degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] ten tijde van de overtreding huurder was van de woning, daarmee de verantwoordelijkheid droeg voor wat zich in de woning afspeelde en op het adres van de woning stond ingeschreven in de basisregistratie personen. Het ligt op de weg van [appellant] om aannemelijk te maken dat hij gedurende de overtreding voor een aantal maanden bij een vriend in Groningen verbleef. Dat hij daartoe niet in staat is, komt in dit geval voor zijn risico. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de overtreding hem kan worden toegerekend. Bovendien is ter zitting gebleken dat [appellant] door de strafrechter is veroordeeld voor de hennepkwekerij.

4.2.    Het betoog dat niet gesproken kon worden van bedrijfsmatige exploitatie van de hennepkwekerij slaagt niet. Gelet op hetgeen is aangetroffen in de woning, namelijk onder meer 288 hennepplanten, 39 transformatoren, 23 armaturen, twintig assimilatielampen en vier koolstoffilters, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat sprake was van bedrijfsmatige exploitatie. Om die reden heeft het college de boete mogen vaststellen op € 4.000,00 nu het daarnaast een eerste overtreding betrof.

[appellant] heeft een echtscheidingsbeschikking van de rechtbank en stukken waaruit schulden blijken overgelegd, maar niet met stukken aangetoond wat de lasten van het levensonderhoud van zijn kinderen en wat zijn inkomen en eigen vermogen zijn. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het college vanwege bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de boete had moeten matigen.

Conclusie

5.        Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.        Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2019

582-898.