Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:919

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
03-04-2019
Zaaknummer
201901057/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901057/1/V2.

Datum uitspraak: 26 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 januari 2019 in zaak nr. NL18.24928 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Bij uitspraak van 28 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Zoals de staatssecretaris in grief 1 terecht aanvoert, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij de asielaanvraag van de vreemdeling niet buiten behandeling kon stellen, omdat het kennisgevingsformulier, model M35-O, geen eerste verzoek om informatie is. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:574, volgt immers dat de staatssecretaris met het kennisgevingsformulier wél voor de eerste keer verzoekt om informatie. Eveneens volgt hieruit dat de staatssecretaris tot buitenbehandelingstelling kan overgaan, als de informatie die een vreemdeling heeft verstrekt bij het kennisgevingsformulier onvoldoende is om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen, en een vreemdeling ook naar aanleiding van een later verzoek om informatie, bijvoorbeeld in het voornemen, in gebreke blijft.

2.    De staatssecretaris klaagt in grief 2 eveneens terecht dat de rechtbank ten onrechte, in aanvulling op vorenstaand oordeel, heeft overwogen dat de staatssecretaris in dit geval de aanvraag van de vreemdeling niet buiten behandeling mocht stellen. Dat uit de toelichting bij het kennisgevingsformulier, en de daarbij overgelegde stukken, zou blijken dat de vreemdeling wil aantonen dat hij homoseksueel is, maakt op zichzelf immers nog niet dat de staatssecretaris voldoende informatie heeft om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen. De staatssecretaris heeft in zowel het kennisgevingsformulier als in het voornemen duidelijk aangegeven welke informatie hij nodig heeft om de verschillende door de vreemdeling aangedragen redenen voor de nieuwe asielaanvraag te kunnen beoordelen. Niet in geschil is dat de vreemdeling heeft nagelaten die informatie tijdig te verstrekken.

3.    De grieven slagen.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 18 december 2018 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5.    De vreemdeling heeft tevergeefs aangevoerd dat de staatssecretaris had moeten reageren op zijn verzoek om uitstel en ten onrechte niet heeft gewacht tot hij zijn aanvraag had aangevuld. Hoewel het beter was geweest als de staatssecretaris uitdrukkelijk had gereageerd op het verzoek van de vreemdeling, laat dit onverlet dat uit de aard van de procedure voortvloeit dat in beginsel geen reden bestaat om uitstel te geven. Zoals volgt uit voormelde uitspraak van 21 februari 2019, kan een vreemdeling immers zelf het moment kiezen om een opvolgende aanvraag in te dienen, is hij daarbij verplicht om een complete aanvraag in te dienen, en kan hij, als het hem niet lukt om tijdig zijn asielaanvraag te completeren en die aanvraag dus buiten behandeling wordt gesteld, altijd een nieuwe asielaanvraag indienen.

6.    De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat hij alsnog heeft voldaan aan de informatieverzoeken van de staatssecretaris, zodat de rechtbank hier nu rekening mee moet houden. Dit faalt reeds omdat slechts het besluit tot buitenbehandelingstelling ter toetsing voor ligt, en dus geen inhoudelijk besluit van de staatssecretaris. Zoals ook volgt uit voormelde uitspraak van 21 februari 2019, kan de vreemdeling altijd een nieuwe asielaanvraag indienen, als hij meent dat hij nu wel in staat is om een complete aanvraag in te dienen. Als de staatssecretaris op die aanvraag een inhoudelijk besluit neemt, kan de vreemdeling zich wenden tot de bestuursrechter en de nu gewenste inhoudelijke toetsing van de door hem overgelegde stukken krijgen. Daarvoor bestaat in deze procedure geen aanleiding.

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 januari 2019 in zaak nr. NL18.24928;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van de Sluis

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2019

802.