Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:907

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
27-03-2019
Zaaknummer
201808814/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808814/1/V3.

Datum uitspraak: 21 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 oktober 2018 in zaak nr. NL18.16018 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 29 oktober 2018 heeft de rechtbank het onder intrekking van het beroep gedane verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Waalwijk, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

    1.    Bij besluit van 31 augustus 2018 heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard omdat Zwitserland hem al internationale bescherming heeft verleend. De vreemdeling heeft verklaard dat die bescherming aan zijn in Zwitserland wonende broer is verleend en dat sprake is van een persoonsverwisseling. Om dit aan te tonen heeft hij zijn broer uit Zwitserland laten overkomen om hem als getuige ter zitting van de rechtbank te horen. Volgens de brief van de rechtbank van 3 oktober 2018 heeft de staatssecretaris na de zitting, waarop de broer als getuige ter zitting is gehoord, nader onderzoek naar de vingerafdrukken van de vreemdeling laten doen en is uit dat onderzoek naar voren gekomen dat de vreemdeling toch niet in Zwitserland bekend blijkt te zijn. Bij brief van eveneens 3 oktober 2018 heeft de staatssecretaris de vreemdeling laten weten dat hij zijn besluit van 31 augustus 2018 met het daarin ingelaste voornemen heeft ingetrokken en hem vergoeding van proceskosten aangeboden, behoudens de kosten die de getuige heeft gemaakt.

    2.    De rechtbank heeft overwogen dat de kosten van de door de vreemdeling meegebrachte getuige voor zijn eigen rekening komen. Zij heeft in verband daarmee overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verschijnen van de broer van de vreemdeling als getuige ter zitting, voor de vreemdeling niet de enige manier was om zijn standpunt te staven. Hij had volgens de rechtbank schadebeperkend kunnen handelen en had bijvoorbeeld door het opvragen van het Zwitserse dossier van zijn (gestelde) broer in Zwitserland kunnen aantonen dat het onderzoek van Zwitserland niet juist was. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de getuige ter zitting geen verklaring heeft afgelegd die het standpunt van de vreemdeling heeft kunnen ondersteunen.

    3.    In de enige grief betoogt de vreemdeling dat de rechtbank heeft miskend dat niet de antwoorden van de getuige doorslaggevend waren maar dat de enkele verschijning van zijn broer als getuige al voldoende was omdat daarmee vast is komen te staan dat hij een broer in Zwitserland heeft. De vreemdeling wijst erop dat hij met de verschijning van zijn broer met succes het beroep van de staatssecretaris op het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft betwist. Gelet hierop dient, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de staatssecretaris in de kosten te worden veroordeeld van de meegebrachte getuige, aldus de vreemdeling.

    3.1.    De vreemdeling heeft van het begin af aan verklaard dat hij en de persoon in Zwitserland niet dezelfde persoon zijn en dat niet aan hem maar aan zijn in Zwitserland wonende broer internationale bescherming is verleend. Door zijn broer als getuige ter zitting mee te brengen, kon de vreemdeling de persoonsverwisseling aantonen. Gelet hierop mocht de vreemdeling ervan uitgaan dat zijn broer als getuige een bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechtbank van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. De Afdeling acht het meebrengen van de getuige dan ook redelijk. De reis,- en verblijfkosten die de getuige in dit verband heeft gemaakt, acht de Afdeling evenzeer redelijk. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de kosten van de door de vreemdeling meegebrachte getuige voor zijn eigen rekening komen.

De grief slaagt.

    4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het verzoek om vergoeding van de proceskosten toewijzen.

    5.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 oktober 2018 in zaak nr. NL18.16018;

III.    wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe;

IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.055,55 (zegge: tweeduizend vijfenvijftig euro en vijfenvijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Bakker

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2019

395.