Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:90

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
201801428/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:386, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee geschakelde woningen op het perceel [locatie 1] te Barneveld (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/273
JGROND 2019/86 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801428/1/A1.

Datum uitspraak: 16 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend te Barneveld (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 januari 2018 in zaak nr. 17/4159 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2017 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee geschakelde woningen op het perceel [locatie 1] te Barneveld (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 juli 2017 heeft het college het door onder meer [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. D.L. de Vries, zijn verschenen. Voorts zijn daar [vergunninghouder], vergezeld door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    De Afdeling gaat uit van de volgende, niet in geschil zijnde feiten en omstandigheden. De twee geschakelde woningen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zijn gelegen achter het perceel van [appellant], [locatie 2] te Barneveld. De omgeving van de woningen is glooiend en de straat waaraan de nieuw te bouwen woningen zijn gelegen, ligt aanzienlijk hoger dan de straat waaraan de woning van [appellant] is gelegen. Het perceel van de nieuwe woningen is daarnaast ten behoeve van de bouw van de woningen deels opgehoogd, omdat het afliep en de vloer van de nieuwe woningen waterpas moet liggen.

    [appellant] kan zich niet met het bouwplan verenigen, omdat de nieuwe woningen naar zijn mening te hoog zijn gesitueerd, hetgeen naar hij stelt in aanzienlijke mate afbreuk doet aan zijn privacy.

2.    Het geschil spitst zich toe op het voor het bouwplan geldende peil.

3.    Het wettelijk kader, voor zover niet weergegeven in de uitspraak, is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Het oordeel van de rechtbank

4.    De rechtbank heeft het betoog van [appellant], dat het college bij de bepaling van de goothoogte van de nieuw te bouwen woningen van een onjuist peil is uitgegaan, niet gevolgd. Zij heeft daartoe overwogen dat het standpunt van het college, dat het op de bouwtekeningen weergegeven nulpunt overeenkomt met het straatpeil zoals bedoeld in artikel 1.62 van de planregels, gelezen in verbinding met artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening Barneveld (hierna: de bouwverordening), haar niet onjuist voorkomt. De rechtbank is aldus tot het oordeel gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan wat de goothoogte betreft niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stationsweg-Binnenveld".

Het hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan de maximaal toegestane goothoogte van 6 m, in ieder geval ter plaatse van woning 2, met minstens 1 meter overschrijdt. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank er met het college ten onrechte van is uitgegaan dat het op de bouwtekeningen aangegeven nulpunt overeenkomt met het straatpeil. Dat zou volgens [appellant] betekenen dat de hoofdtoegangen van de woningen op gelijke hoogte liggen als het straatpeil. Dat is echter niet het geval, nu de hoofdtoegang van woning 2 minstens 1 meter boven het straatpeil ligt, aldus [appellant]. Ter ondersteuning van dit betoog heeft hij een foto van woning 2 in aanbouw bij het hoger beroepschrift gevoegd.

5.1.    Voor het perceel geldt het bestemmingsplan "Stationsweg-Binnenveld".

    Artikel 1.62 van de planregels bepaalt dat in die regels onder peil wordt verstaan, het peil overeenkomstig de bouwverordening, dan wel indien geen peil overeenkomstig de bouwverordening is vast te stellen, de gemiddelde hoogte van het afgewerkte bouwterrein.

    Artikel 2.2 van de planregels bepaalt dat bij toepassing van deze regels de goothoogte van een bouwwerk als volgt wordt gemeten:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

    Artikel 1.1, eerste lid, van de bouwverordening bepaalt dat in deze verordening wordt verstaan onder:

- straatpeil:

a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

5.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college voor de invulling van het begrip peil zoals bedoeld in artikel 1.62 van de planregels, terecht aansluiting heeft gezocht bij de definitie van straatpeil in artikel 1.1, eerste lid, van de bouwverordening (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5349). Er bestaat geen grond voor het oordeel dat met het straatpeil in de bouwverordening iets anders wordt bedoeld dan met het peil in de planregels. Omdat, naar niet in geschil is, de hoofdtoegangen van de te bouwen woningen in dit geval niet direct aan de weg grenzen, heeft de rechtbank het college eveneens terecht gevolgd in het standpunt dat artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de bouwverordening van toepassing is, dat bepaalt dat onder het straatpeil in dit geval wordt verstaan de hoogte van het terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3036), sluit dit, nu het bestemmingsplan en de bouwverordening geen nadere voorschriften aan het begrip peil hebben verbonden, niet uit dat het terrein na voltooiing van de bouw hoger is dan het terrein voor voltooiing van de bouw en het aangrenzende gedeelte van het perceel.

    De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het college voor de vaststelling van de goothoogte van het gebouw mocht uitgaan van het peil na eventuele verhoging van het bouwterrein bij voltooiing van de bouw. Dat de rechtbank heeft miskend dat dit niet bedoeld kan zijn en dat in de rede ligt om het voorheen bestaande maaiveld als het peil te hanteren, zoals [appellant] betoogt, slaagt niet. Die uitleg stemt niet overeen met de toepasselijke regeling in het bestemmingsplan, gelezen in verbinding met de bouwverordening, zoals hiervoor besproken.

    Dat in dit geval, zoals [appellant] verder heeft betoogd, de rechtbank heeft miskend dat de hoofdtoegang van de woningen na voltooiing daarvan op gelijke hoogte zou moeten liggen als het straatpeil, slaagt gelet op het voorgaande evenmin. Bij dit betoog wordt er, mede gezien de bijgevoegde foto, van uitgegaan dat het straatpeil gelijk is aan de hoogte van de bestaande straat voor de woningen. Gelet op de hiervoor besproken toepasselijke definitie van peil in artikel 1.62 van de planregels, gelezen in verbinding met artikel 1, aanhef en onder b, van de bouwverordening, hoeft het straatpeil echter niet gelijk te zijn aan de feitelijke hoogteligging van de straat. Het aangevoerde vormt dan ook geen grond voor het oordeel dat het rechtbankoordeel niet juist is.

    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van den Broek    w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019

641. BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a:

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c:

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.

Bestemmingsplan "Stationsweg-Binnenveld"

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan

"Stationsweg-Binnenveld" rust op het perceel de enkelbestemming

"Wonen-1" en de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 1".

Artikel 6.2.1 van de planregels:

Voor het bouwen van woningen gelden de volgende bepalingen:

a. het hoofdgebouw van een woning mag uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak;

b. het bebouwingspercentage binnen het bouwvlak bedraagt maximaal 100%;

c. voor zover een aanduiding is weergegeven mogen woningen uitsluitend worden gebouwd op de volgende wijze:

Ter plaatse van de aanduiding ‘twee-aaneen’, twee-aaneen dan wel vrijstaand, en ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’, vrijstaand, per bouwvlak 1 woning.   

d. Bij de bouwwijze twee-aaneen en vrijstaand dient de afstand van de zijde van het hoofdgebouw, waar de verschillende hoofdgebouwen niet aaneengebouwd zijn, tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 m te bedragen;

e. de voorgevel van een woning moet worden gesitueerd in de gevellijn indien en voor zover deze op de verbeelding is weergegeven;

f. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is weergegeven, met dien verstande dat de maximum goothoogte mag worden overschreden door een dakkapel;

g. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is weergegeven;

h. een dakkapel mag uitsluitend worden uitgevoerd met gesloten zijwanden.

Op het perceel rust volgens de verbeelding de aanduiding "Maatvoering", waaruit volgt dat de maximum bouwhoogte 11 m en de maximum goothoogte 6 m bedraagt.