Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:892

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
201804256/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "1ste partiële herziening, Kom Heeze 2015" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804256/1/R2.

Datum uitspraak: 20 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en [appellant B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Heeze, gemeente Heeze-Leende,

en

de raad van de gemeente Heeze-Leende,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "1ste partiële herziening, Kom Heeze 2015" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2019.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Kom Heeze 2015". Het plan strekt onder meer tot herstel van de gebreken die de Afdeling in de uitspraak van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1757, heeft geconstateerd. Daarnaast is het plan op enige punten gewijzigd als gevolg van de inmiddels gewijzigde Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant.

[appellant] woont aan de [locatie 1] en kan zich niet verenigen met het plan voor zover dat ziet op zijn woning en op het perceel aan de [locatie 2]. Hij vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat en de cultuurhistorische waarde van zijn woning.

Ontvankelijkheid

2.    Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

[appellant] betoogt dat het plan afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarde van zijn woning aan de [locatie 1]. De zienswijze die [appellant] naar voren heeft gebracht, gaat echter niet over het plandeel dat betrekking heeft op de [locatie 1].

De omstandigheid dat [appellant] redelijkerwijs niet kan worden verweten te hebben nagelaten over dit plandeel een zienswijze naar voren te brengen doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beroep

4.    [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte de carport op het perceel aan de [locatie 2] als zodanig heeft bestemd.

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de planregels met betrekking tot de woon- en tuinbestemming voor de [locatie 2] niet uitgebreider zijn dan wat de reeds onherroepelijke omgevingsvergunning om de bouwwerken op de [locatie 2] te realiseren toestaat.

4.2.    Het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende heeft een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van onder meer een carport op de [locatie 2] (hierna: de omgevingsvergunning). De omgevingsvergunning is verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Bij uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2198, is deze omgevingsvergunning onherroepelijk geworden.

In beginsel dient legaal bestaande bebouwing als zodanig in het bestemmingsplan te worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij een andere bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht, mits de raad aannemelijk maakt dat het bouwwerk binnen de planperiode wordt verwijderd.

Het bouwwerk waarmee [appellant] zich niet kan verenigen kan worden aangemerkt als legaal bestaande bebouwing. [appellant] heeft geen argument naar voren gebracht waaruit volgt dat nieuwe planologische inzichten gelet op de betrokken belangen ertoe zouden moeten leiden dat de carport niet als zodanig wordt bestemd. Voorts is niet gebleken dat de carport gedurende de planperiode zal worden verwijderd. In de omstandigheid dat de omgevingsvergunning voor de bouw van de carport nog niet onherroepelijk was ten tijde van de vaststelling van het plan, hoefde de raad ook geen aanleiding te zien om de carport niet als zodanig te bestemmen en daarmee onder het overgangsrecht te brengen.

Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

5.1.    Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het beroep van [appellant] is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellante A] en [appellant B], voor zover het is gericht tegen het plandeel dat betrekking heeft op de [locatie 1], niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Kramer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

w.g. Kramer    w.g. Scheele

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019

723-911.