Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:877

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
201805393/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2017 heeft het college aan de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor het gebruik van het pad achter het landgoed Jagtlust te 's-Graveland ten behoeve van de moestuin met veldschuur voor een periode van 10 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805393/1/A1.

Datum uitspraak: 20 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te 's-Graveland, gemeente Wijdemeren,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 mei 2018 in zaken nrs. 17/3506 en 17/3534 in het geding tussen:

[appellant sub 1],

[appellant sub 2]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijdemeren.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2017 heeft het college aan de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan voor het gebruik van het pad achter het landgoed Jagtlust te 's-Graveland ten behoeve van de moestuin met veldschuur voor een periode van 10 jaar.

Bij afzonderlijke besluiten van 19 juli 2017 heeft het college de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 mei 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college en Natuurmonumenten hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2019, waar [appellant sub 1A], bijgestaan door mr. B.J.M. Vernooij, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2], het college, vertegenwoordigd door ing. K.G. Vrielink, en Natuurmonumenten, vertegenwoordigd door mr. W.E.M. Klostermann, advocaat te Zwolle en [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Natuurmonumenten is eigenaar van het landgoed Jagtlust te 's-Graveland. Op het landgoed bevindt zich een hoofdgebouw dat is gelegen aan het verharde deel van de Leeuwenlaan. Ten zuiden van het hoofdgebouw liggen een moestuin en een veldschuur. Natuurmonumenten wil de moestuin en veldschuur gaan ontsluiten via de zuidzijde van het landgoed (hierna: de achterzijde) via het onverharde deel van de daar gelegen Leeuwenlaan (hierna: het pad) en de daarop aansluitende Corverslaan. Natuurmonumenten is eigenaar van deze lanen. Omdat het gebruik van het pad ten behoeve van de ontsluiting van de moestuin en de veldschuur in strijd is met de bestemming "Agrarisch" die op grond van het bestemmingsplan "Kern 's-Graveland en landgoederen" ter plaatse geldt, heeft Natuurmonumenten een omgevingsvergunning aangevraagd voor het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het college heeft die vergunning verleend.

    [appellant sub 1] woont aan het pad en heeft daar een melkveehouderij. [appellant sub 2] woont aan de op het pad aansluitende, onverharde Corverslaan. Zij vrezen voor overlast als gevolg van de toename van het aantal verkeersbewegingen op het pad en de Corverslaan.

Schending rechtszekerheid?

2.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Afdeling ruimte heeft gelaten voor het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van het pad. Volgens hem staat dit haaks op de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:720, waarin wordt uitgesproken dat dit niet kan en dat de gronden van de veldschuur op andere wijze ontsloten dienen te worden. Door de vergunning toch te verlenen, heeft het college gehandeld in strijd met de rechtszekerheid, aldus [appellant sub 1].

2.1.    De uitspraak van 5 maart 2014 heeft betrekking op de beroepen die tegen de vaststelling van het bestemmingsplan zijn ingesteld. Anders dan waarvan [appellant sub 1] uitgaat, heeft de Afdeling in die uitspraak niet in algemene zin geoordeeld dat ontsluiting via het pad en de Corverslaan niet mag. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Afdeling in die uitspraak uitsluitend heeft geoordeeld dat het bestemmingsplan de ontsluiting van de gronden van de veldschuur via het pad en de Corverslaan niet toestaat. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat dit niet betekent dat het college geen omgevingsvergunning mag verlenen waarin van het bestemmingsplan afwijkend gebruik van gronden wordt toegestaan en ontsluiting via het pad en de Corverslaan alsnog mogelijk wordt gemaakt. De bij de rechtbank bestreden besluiten op bezwaar en de aangevallen uitspraak zijn dan ook, anders dan [appellant sub 1] betoogt, niet in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2014.

    Het betoog faalt.

Toename verkeersbewegingen

3.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de vrees dat het aantal verkeersbewegingen veel sterker zal toenemen dan de gemiddeld 8 bewegingen per dag waarvan het college is uitgegaan. Volgens hem stelt de omgevingsvergunning geen beperkingen aan het aantal bezoekers van de veldschuur en moestuin, inclusief het terrein eromheen, en evenmin aan het aantal parkeerplaatsen. Ook de bestemming "Gemengd-2" die ter plaatse van het landgoed geldt, stelt geen grenzen en laat een breed scala aan activiteiten toe, aldus [appellant sub 1].

3.1.    De omgevingsvergunning is verleend voor het gebruik van het pad ten behoeve van de moestuin en veldschuur. Gebruik anders dan ten behoeve van de moestuin en veldschuur is gelet hierop niet toegestaan. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat gezien de beperkte omvang van de veldschuur, namelijk 77 m2, niet aannemelijk is dat de schuur door meer dan 25 personen zal worden gebruikt. Natuurmonumenten heeft verklaard dat de activiteiten die in de moestuin en veldschuur plaatsvinden kleinschalig van aard zullen zijn. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat in bezwaar aan de omgevingsvergunning de voorwaarde is verbonden dat de veldschuur niet openbaar toegankelijk mag zijn voor publiek. Verder heeft Natuurmonumenten ter zitting aan de hand van de feitelijke bezoekersaantallen overtuigend toegelicht dat het aantal bezoekers van de veldschuur beperkt is. Voorts geven de ingevolge artikel 8.1 van de planregels toegestane activiteiten op gronden met de bestemming "Gemengd-2" geen aanleiding voor het oordeel dat in de veldschuur of moestuin activiteiten zijn toegestaan die tot een wezenlijk grotere toename van het aantal verkeersbewegingen zullen leiden. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor de vrees dat het aantal verkeersbewegingen veel sterker zal toenemen dan de gemiddeld 8 bewegingen per dag waarvan het college is uitgegaan.

    De nadere stukken die [appellant sub 1] heeft ingediend geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Wat betreft de daarin vermelde muziekuitvoering heeft het college ter zitting toegelicht dat muziekuitvoeringen en vergelijkbare activiteiten op grond van het bestemmingsplan niet zijn toegestaan en dat het daartegen handhavend zal optreden. Natuurmonumenten heeft toegelicht dat de geplande muziekuitvoeringen waren gebaseerd op een fout van een medewerker en dat deze geen doorgang zullen vinden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze toelichtingen.

    Het betoog faalt.

Strijd met een verkeersregeling

4.    [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de gemeente Hilversum het Corversbos via een geslotenverklaring en door middel van bebording heeft afgesloten voor alle bestuurders, uitgezonderd fietsers en aanwonenden van de Corverslaan en de Leeuwenlaan. Gebruikmaking van de omgevingsvergunning leidt daarom tot overtreding van de Hilversumse verkeersregeling, aldus [appellant sub 2].

4.1.    Dat wellicht strijd bestaat met een verkeersregeling, maakt op zichzelf niet dat het college niet in redelijkheid een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen. Voor dat oordeel bestaat pas aanleiding als het college op voorhand had moeten inzien dat uitvoering van de omgevingsvergunning door de verkeersregeling niet mogelijk is. Daarvan is alleen sprake als de huidige verkeersregeling bezoekers van de moestuin en de veldschuur verbiedt om van de Corverslaan gebruik te maken en aannemelijk is dat het college van burgemeester en wethouders van Hilversum dit verbod niet ten behoeve van die bezoekers zal wijzigen. Die situatie doet zich niet voor. Daarbij merkt de Afdeling op dat bij het verkeersbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Hilversum van 26 juni 2012 niet aanwonenden zijn uitgezonderd van de afsluiting voor motorvoertuigen, maar vergunninghouders. Blijkens de motivering van het verkeersbesluit is er bewust voor gekozen om een uitzondering te maken voor vergunninghouders en niet voor aanwonenden, onder meer omdat anders bezoekers en leveranciers van de panden aan de Corverslaan, niet zijnde bewoners, geen gebruik mogen maken van de laan.

    Het betoog faalt.

Belangenafweging

5.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat het gebruik van het pad ten behoeve van de moestuin en de veldschuur zal leiden tot onevenredig nadeel voor hen. Daartoe voert [appellant sub 1] aan dat het aantal verkeersbewegingen zonder limiet kan worden verhoogd, wat zal leiden tot schade aan de weg en tot meer stof- en stankoverlast. Voorts wijst [appellant sub 1] erop dat het pad niet voor niets als agrarisch met waarden is bestemd en in het voorheen geldende bestemmingsplan als cultuurhistorisch waardevol werd bestemd. [appellant sub 2] voert aan dat zijn woonklimaat in ernstige mate wordt aangetast, dat er geen noodzaak bestaat voor een ontsluiting aan de achterzijde van het landgoed en dat die ontsluiting slechts strekt ten behoeve van de bedrijfsmatige exploitatie van de veldschuur. Ook voert hij aan dat de natuurwaarden van en in het Corversbos worden aangetast.

5.1.    De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsruimte heeft. De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit om omgevingsvergunning te verlenen heeft kunnen komen.

5.2.    Zoals hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het aantal verkeersbewegingen veel sterker zal toenemen dan het gemiddelde van 8 bewegingen per dag waarvan het college is uitgegaan. De rechtbank heeft voorts onweersproken vastgesteld dat het pad op dit moment al gebruikt wordt ten behoeve van de ontsluiting van drie burgerwoningen en het bedrijf en de bedrijfswoningen van [appellant sub 1]. Zij heeft eveneens onweersproken vastgesteld dat daardoor al minimaal sprake is van twaalf autobewegingen per dag en dat daar de verkeersbewegingen van zwaarder materieel van en naar het melkveebedrijf van [appellant sub 1] nog bijkomt. Gelet op de relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van het aantal verkeersbewegingen in de bestaande situatie, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het gebruik van het pad ten behoeve van de moestuin en de veldschuur tot onevenredig nadeel van omwonden zal leiden. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat nu het pad al wordt gebruikt door zowel agrarisch verkeer als burgerverkeer, er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de aanwezige cultuurhistorische waarden zullen worden aangetast. Gelet op de beleidsruimte die het college heeft, heeft het er in redelijkheid voor kunnen kiezen om medewerking te verlenen aan de wens van Natuurmonumenten om de moestuin en de veldschuur apart van de rest van het landgoed te ontsluiten, ook als voor die wijze van ontsluiting geen absolute noodzaak zou bestaan en die ontsluiting slechts ten behoeve van de bedrijfsmatige exploitatie van de veldschuur zou zijn. De stelling van [appellant sub 2] dat natuurwaarden van en in het Corversbos worden aangetast, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat hij die stelling niet met concrete gegevens heeft onderbouwd.

    Het betoog faalt.

Alternatieve ontsluiting

6.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat ontsluiting via de voorzijde van het landgoed Jagtlust een goed alternatief is. Daartoe voeren zij aan dat uit de "Quick Scan Flora- en Faunawet Parkeervoorziening Leeuwenlaan te 's-Gravenland" van Adviesbureau Mertens B.V. van januari 2015 blijkt dat ontsluiting via de voorzijde niet van invloed is op de bomen langs het daar liggende pad.

6.1.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1015, terecht overwogen dat het bestuursorgaan, in dit geval het college, dient te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning zoals deze is ingediend. Indien een project waarvoor een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk is, op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

6.2.    De enkele omstandigheid dat een ontsluiting wellicht ook aan de voorzijde van het landgoed zou kunnen worden gerealiseerd, is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van een alternatief waarvan op voorhand duidelijk is dat een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarbij is van belang dat het juist de bedoeling van Natuurmonumenten is om de ontsluiting van het voorste deel van het landgoed en die van het deel waarop de moestuin en veldschuur zijn gelegen van elkaar te scheiden. Bovendien heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet op voorhand vaststaat dat het ontsluiten van de moestuin en de veldschuur via de voorzijde van het landgoed een geschikt alternatief is. In dat verband heeft de rechtbank terecht gewezen op het door Natuurmonumenten overgelegde "Vitaliteitsonderzoek bomen Landgoed Jagtlust te 's-Graveland" van Pius Floris Boomverzorging van 22 februari 2018 waarin wordt geconcludeerd dat gelet op de oppervlakkige beworteling en de breedte van het aan de voorzijde liggende pad schade aan de monumentale bomen kan ontstaan. Dat in de quick scan van januari 2015 wordt geconcludeerd dat het gebruik van het pad aan de voorzijde niet van invloed is op de aanwezige bomen langs dat pad, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op de tegengestelde conclusies in de quick scan en het vitaliteitsonderzoek wordt niet voldoen aan de eis dat op voorhand duidelijk moet zijn dat met het alternatief een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

    Het betoog faalt.

Conclusie

7.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Van Ravels    w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019

457.