Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:871

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
201804537/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:1574, Onduidelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2016 heeft het college aan [wederpartij] een bestuurlijke boete opgelegd en onder oplegging van een dwangsom gelast om voor 1 oktober 2016 het gebruik van de woning aan de [locatie] te Utrecht ten behoeve van kamerverhuur te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804537/1/A3.

Datum uitspraak: 20 maart 2019

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 april 2018 in zaak nr. 17/659 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2016 heeft het college aan [wederpartij] een bestuurlijke boete opgelegd en onder oplegging van een dwangsom gelast om voor 1 oktober 2016 het gebruik van de woning aan de [locatie] te Utrecht ten behoeve van kamerverhuur te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden.

Bij besluit van 12 januari 2017 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 april 2018 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 20 juli 2016 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. N. Verkerk en mr. J.P. Langenbach, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. D. de Jong, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

Inleiding

Beoordeling gronden

3.1.   Allereerst stelt de Afdeling vast dat het hoger beroep nog uitsluitend betrekking heeft op de rechtmatigheid van de opgelegde bestuurlijke boete van € 12.500,00 op grond van artikel 35 van de Huisvestingswet 2014 en artikel 5.2 van de Huisvestingsverordening, wegens het handelen in strijd met artikel 21, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 en artikel 4.1.2., aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening. Immers heeft het college in de motivering van zijn hoger beroep aangegeven dat niet meer tot invordering van de dwangsom zal worden overgegaan, gelet op het tijdsverloop en omdat er nog maar twee bewoners in het pand zijn zodat van een illegale situatie geen sprake meer is.

3.2.   De rechtbank diende, zoals het college terecht betoogt, te beoordelen of de gesanctioneerde gedraging ten tijde van het besluit van 20 juli 2016 heeft plaatsgevonden en beboetbaar was. De rechtbank heeft evenwel door de wijze van heroverwegen en de toelichting dat wordt gezocht naar een minnelijke oplossing, geconcludeerd dat de bij het besluit van 20 juli 2016 opgelegde bestuurlijke boete zou worden ingetrokken wanneer tijdens de tweede controle de situatie voldeed aan de voorwaarden voor een hospitasituatie zoals deze golden voor 1 januari 2016. Gelet hierop heeft de rechtbank de situatie ten tijde van de tweede controle op 15 november 2016 beoordeeld.

    Bij de beantwoording van de vraag of zich een overtreding heeft voorgedaan, geldt gelet op de waarborgen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden als uitgangspunt dat op het bestuursorgaan de bewijslast rust van een overtreding. Ingeval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund. Voorts geldt bij een bestuursrechtelijk boetebesluit als uitgangspunt dat het bestuursorgaan het dragend bewijs van een overtreding bij de voltooiing van de bestuurlijke besluitvorming dient te leveren.

3.3.   Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake was van een zogenoemde hospitasituatie als bedoeld in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1.1, lid 45, van de Huisvestingsverordening.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college met het proces-verbaal van 27 juni 2016 onvoldoende aangetoond dat sprake is van een overtreding. De hoofdhuurster huurde de gehele woning en had huurcontracten gesloten met twee andere bewoonsters die elk een kamer huurden. Het college heeft met het proces-verbaal van 27 juni 2016, gelezen in samenhang met de onderhuurovereenkomsten, onvoldoende aangetoond dat de woonkamer niet tot het exclusieve gebruik van de hoofdbewoonster kon worden gerekend. Het gebruik van de woonkamer wordt immers niet vermeld in de daarbij gevoegde onderhuurovereenkomsten. Gelet hierop heeft de toezichthouder in dat proces-verbaal onvoldoende gespecificeerd waar het gemeenschappelijk gebruik uit zou blijken.

    Bij de tweede controle op 15 november 2016 heeft de hoofdhuurster verklaard dat zij het exclusieve gebruik had van de woonkamer met de keuken op de begane grond en een kamer op de tweede verdieping. Voorts heeft zij toegelicht dat op de eerste verdieping een ruimte was ingericht als keuken voor de onderhuursters, zodat zij geen gebruik hoefden te maken van de ruimte beneden. De stellige indruk van de toezichthouder, zoals het college ter zitting bij de Afdeling heeft toegelicht, dat de keuken op de eerste verdieping slechts als zodanig was ingericht om aan de hospitaregeling te voldoen en dat de keuken op de begane grond gemeenschappelijk werd gebruikt, is onvoldoende concreet om tot het oordeel te komen dat de keuken op de eerste verdieping niet als zodanig werd gebruikt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat in die kamer op de eerste verdieping een watervoorziening aanwezig was, evenals een kookstel, koffiezetapparaat, tosti-ijzer, servieskast, koelkast, grillplaat, waterkoker, magnetron, vuilnisbak en een wasmachine. Die ruimte moet vanwege de aanwezigheid van de wasmachine, waar de hoofdbewoonster ook gebruik van maakte, echter als gemeenschappelijke ruimte worden aangemerkt. Gelet op de aanwezigheid van de keuken op de eerste verdieping, is aannemelijk dat de hoofdhuurster exclusief gebruik had van de woonkamer op de begane grond. Daarnaast had zij exclusief gebruik van een slaapkamer. Uitgaande van de plattegrond bij het proces-verbaal van 24 november 2016 en de (vermeend) gemeenschappelijke ruimtes, zoals de keuken op de begane grond en de wasruimte/keuken op de eerste verdieping, buiten beschouwing gelaten, had de hoofdbewoonster - met de woonkamer van ca. 32 m2 en een kamer van ca. 20 m2 - dan ook exclusieve beschikking over ruim 50 procent van de totale 82,5 m2 exclusieve gebruiksoppervlakte.

3.4.   Het beroep faalt.

Conclusie

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

III.   bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht € 508,00 (zegge: vijfhonderdacht euro) aan griffierecht wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Steendijk   w.g. Van Deventer-Lustberg lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019

587.

Huisvestingswet 2014

Artikel 21

Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:

Artikel 35

[…]

Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2015, Gemeente Utrecht

Artikel 4.1.2 Vergunningvereiste

Het is verboden om zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen in artikel 4.1.1:

Artikel 5.2 Bestuurlijke boete

Regionale Huisvestingsverordening Bestuur Regio Utrecht (versie 1 januari 2015)

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

[…]

[…]

Bijlage 1, Artikelsgewijze Toelichting, lid 45

Bijzondere vormen van zelfstandige woonruimte zijn de hospitasituatie en de woongroep. Bij een hospes / hospitasituatie is sprake van één hoofdhuurder of eigenaar / bewoner (voor meer dan 50% eigenaar) die maximaal 2 kamers aan in totaal maximaal 2 personen verhuurt. De hoofdhuurder of eigenaar/bewoner kan ook een samenwonend paar zijn, onder voorwaarde dat er sprake is van aantoonbaar gezinsverband en/of (duurzame) relatie blijkend uit een notarieel vastgelegd samenlevingscontract, huwelijksakte of akte van geregistreerd partnerschap. Is dit laatste niet aantoonbaar dan wordt voor de toepassing en uitleg van de hospita regeling uitgegaan van individuele personen die op een bepaald adres woonachtig zijn. Tevens geldt hierbij de eis dat de hoofdhuurder of eigenaar / bewoner het exclusieve gebruiksrecht moet hebben op minimaal 50% van de gebruiksoppervlakte van de woning als bedoeld in NEN 2580. Voor de berekening van de oppervlakte van de woning worden de gemeenschappelijke ruimten, zoals gang, badkamer, keuken en toilet, niet meegerekend. Dit betekent dat de hoofdhuurder of eigenaar / bewoner het exclusieve gebruiksrecht moet hebben op minimaal 50% van die ruimten waarop ofwel de hoofdhuurder of eigenaar / bewoner ofwel de onderhuurder een exclusief gebruiksrecht heeft. Uit de regeling vloeit automatisch voort dat er sprake moet zijn van een huurcontract zowel met de hoofdhuurder als tussen de hoofdhuurder en de onderhuurders.

Een woongroep wordt gedefinieerd als een groep van twee of meer meerderjarige personen die de bedoeling hebben om bestendig, voor onbepaalde tijd, een met een gezinsverband vergelijkbaar samenlevingsverband met elkaar aan te gaan. Ieder lid is ingeschreven als woningzoekende en draagt bij in het gebruik van voorzieningen als keuken en sanitair. De woongroep staat tenminste 1 jaar als groep geregistreerd op de lijst van woningzoekenden of heeft langer dan 1 jaar op hetzelfde adres gewoond. Een woongroep is georganiseerd in een formele rechtspersoon (opgericht bij notariële akte en met inschrijving bij de kamer van koophandel) en beschikt over een gezamenlijke rekening waarvan de vaste lasten en dagelijkse uitgaven worden betaald, zoals de huur. Bij nieuwbouw van een woning voor een woongroep is er sprake van een initiatiefgroep waarvan de leden het recht van eerste bewoning krijgen.