Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:865

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
201804680/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:2525, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2017 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, nu: de minister voor Rechtsbescherming de aanvraag van [appellant] om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804680/1/A3.

Datum uitspraak: 20 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 april 2018 in zaak nr. 17/6754 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister voor Rechtsbescherming.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2017 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, nu: de minister voor Rechtsbescherming de aanvraag van [appellant] om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 11 september 2017 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. van 't Land, advocaat te Breda en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. Azarkani, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft op 10 mei 2017 een aanvraag ingediend om afgifte van een VOG voor een chauffeurskaart als taxichauffeur. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen, omdat [appellant] binnen de terugkijktermijn van vijf jaren voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS). Hieruit volgt dat [appellant] bij strafbeschikking van 12 april 2017 een geldboete opgelegd heeft gekregen van €360,-. Op 6 april 2017 heeft hij bij strafbeschikking een geldboete opgelegd gekregen van €330,- en op 7 april 2017 een bij strafbeschikking opgelegde geldboete van €530,-. Alle drie de geldboetes zijn opgelegd vanwege het overschrijden van de maximumsnelheid. De drie snelheidsovertredingen hebben via de zogenoemde ‘continue screening’ geleid tot intrekking van de chauffeurskaart die [appellant] vanaf 1 september 2016 heeft, waardoor hij voor de aanvraag van een nieuwe chauffeurskaart een VOG nodig heeft.

Wettelijk kader

2.    Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

De aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat aan het in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (hierna: de Beleidsregels) genoemde objectieve criterium is voldaan. Indien dat het geval is weigert de staatssecretaris in beginsel de VOG tenzij de toets aan het in paragraaf 3.3. van de Beleidsregels bedoelde subjectieve criterium ertoe leidt dat desondanks een VOG kan worden afgegeven. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris in redelijkheid kunnen besluiten dat deze toets geen aanleiding geeft om de VOG alsnog af te geven. [appellant] heeft drie snelheidsovertredingen begaan die niet te verenigen zijn met de functie van taxichauffeur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris in redelijkheid doorslaggevend gewicht kunnen toekennen aan het algemeen belang dat is gediend met beperking van de risico’s voor de samenleving. Continue screening is bij de afweging of een VOG kan worden verleend niet aan de orde, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn aanvraag om een VOG terecht is afgewezen. [appellant] voert aan dat hij al veertien jaar zijn rijbewijs heeft en al geruime tijd tot volle tevredenheid chauffeurswerkzaamheden verricht. Als er voor was gekozen een transactie aan te bieden in plaats van een strafbeschikking dan had dit geen registratie opgeleverd. Hij stelt dat als hij had geweten dat de strafbeschikking tot intrekking van zijn chauffeurskaart zou leiden, hij dan verzet had aangetekend. Volgens [appellant] heeft de rechtbank daarnaast op onjuiste gronden geoordeeld dat bij de toets om een VOG af te geven ‘continue screening’ niet aan de orde is. Ten slotte stelt [appellant] dat de belangenafweging onjuist is uitgevallen en dat de weigering van de VOG resocialisatie in de weg staat. De weigering is disproportioneel omdat hij groot belang heeft bij het voortzetten van taxiwerkzaamheden, aldus [appellant].

De beoordeling

5.     De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris de afgifte van de VOG heeft mogen weigeren. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat ‘continue screening’ bij de toets over de afgifte van een VOG niet aan de orde is. ‘Continue screening’ ziet op de mogelijkheid om bij een taxichauffeur aan wie al een VOG en daarmee samenhangend een chauffeurskaart is verstrekt, tussentijds te beoordelen of zich relevante strafbare feiten hebben voorgedaan die vervolgens tot intrekking van de chauffeurskaart kunnen leiden. Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister toegelicht dat het systeem van ‘continue screening’ ziet op een tijdige analyse van strafbare feiten, vanwege de hoge integriteitseisen die worden gesteld aan taxichauffeurs. De ‘continue screening’ heeft in dit geval geleid tot het intrekken van de chauffeurskaart van [appellant]. Voor het verkrijgen van een nieuwe chauffeurskaart dient [appellant] opnieuw een VOG over te leggen. In zoverre is er samenhang tussen de intrekking van de chauffeurskaart en de aanvraag voor een VOG. De nieuwe aanvraag dient echter te worden beoordeeld op basis van de aanwezige gegevens en daarbij dient opnieuw een belangenafweging te worden gemaakt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:719), stelt de staatssecretaris terecht dat snelheidsovertredingen bij uitstek niet zijn te verenigen met de functie van taxichauffeur. Wat betreft de afdoening worden eveneens transacties opgenomen in het JDS. In zoverre maakt het dan ook geen verschil of de verkeersovertredingen worden afgedaan met een strafbeschikking dan wel met een transactie. Dat [appellant] zich niet bewust was van de gevolgen van de strafbeschikkingen voor zijn chauffeurskaart en de afgifte van een VOG, komt voor zijn rekening en risico. Het door [appellant] gestelde belang van resocialisatie en zijn belang bij het kunnen uitvoeren van taxiwerkzaamheden heeft de staatssecretaris in redelijkheid niet in het voordeel van [appellant] hoeven laten uitvallen en de weigering van de VOG is ook niet disproportioneel jegens hem. Hierbij heeft de staatssecretaris, ondanks het feit dat [appellant] al als taxichauffeur heeft gewerkt, een zwaarwegend belang mogen toekennen aan het voorkomen van het risico voor de samenleving dat aanwezig is en is gebaseerd op de door hem begane snelheidsovertredingen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van bescherming van de samenleving tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij het verstrekken van de VOG.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019

317-893.

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg)

Artikel 28

Een verklaring omtrent het gedrag is een verklaring van Onze Minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Artikel 35

1. Onze Minister weigert de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.

[…]

Artikel 36

1. Onze Minister kan bij zijn onderzoek met betrekking tot de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens alsmede van politiegegevens, met uitzondering van de gegevens waarover op grond van artikel 21 geen mededeling kan worden gedaan aan de verzoeker, die gebruik maakt van zijn recht, als bedoeld in artikel 18, eerste lid.

[…]

Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 1 maart 2013, nr. 5409)

"Paragraaf 3. Beoordeling van de aanvraag

Ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag ontvangt het COVOG alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het JDS. De justitiële gegevens kunnen zowel uit Nederland als uit het buitenland afkomstig zijn. Aan de aanvrager die niet voorkomt in het JDS, wordt zonder meer een VOG afgegeven.

Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium (zie hieronder paragraaf 3.2 en 3.3).

[…]

Paragraaf 3.2 Het objectieve criterium

De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:

1. justitiële gegevens (strafbaar feit);

2. indien herhaald;

3. risico voor de samenleving en

4. een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid.

Paragraaf 3.2.1. Justitiële gegevens

De relevante justitiële gegevens die voorkomen in het JDS op naam van de aanvrager, of die betrekking hebben op de betreffende rechtspersonen of daarmee gelijk gestelde organisaties worden meegewogen bij de beoordeling. […]

Paragraaf 3.2.3 Risico voor de samenleving

Bij de vaststelling van het risico voor de samenleving wordt een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

[…]

Paragraaf 3.3 Het subjectieve criterium

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Screeningsprofiel VOG taxibranche chauffeurskaart

65. Taxibranche; chauffeurskaart

Dit screeningsprofiel heeft betrekking op aanvragen ten behoeve van het verkrijgen van een chauffeurskaart bij KIWA. In taxi’s worden maximaal acht personen vervoerd, de bestuurder niet meegerekend. Het vervoer per taxi betreft ook het rijden met rouw- en trouwauto’s en het vervoer met personenbusjes. Hierbij kan het ook gaan om het vervoer van (school)kinderen en het vervoeren van gehandicapten. Bij de toets aan dit screeningsprofiel geldt een terugkijktermijn van vijf jaren.

De houder van de chauffeurskaart is verantwoordelijk voor het welzijn en de veiligheid van de passagiers. Eén van de risico’s is dat de veiligheid van de passagiers en de medeweggebruikers in gevaar wordt gebracht. Dit risico kan veroorzaak worden door rijden onder invloed, overschrijding van de maximumsnelheid, gevaarlijk rijgedrag en/of agressief gedrag.

Als er een één op één relatie is, kunnen de passagiers in een tijdelijke afhankelijkheidspositie verkeren ten opzichte van de houder van de chauffeurskaart. Het risico bestaat van geweld- en zedendelicten, afpersing, chantage (afdreiging), diefstal, verduistering of vervalsing van bijvoorbeeld de chauffeurskaart. De houder van de chauffeurskaart is verantwoordelijk voor de veiligheid van goederen van de passagiers. Deze houders kunnen ook omgaan met contact en giraal geld. Het risico van diefstal en verduistering is aanwezig.

De houders van de chauffeurskaart komen in de uitoefening van hun functie vaak in aanraking met mensen in het uitgaanscircuit. Overtredingen van de Opiumwet zijn daarom onverenigbaar.