Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:858

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
201803201/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft het college omgevingsvergunning verleend aan [appellante] ten behoeve van de uitbreiding en wijzigingen van de inrichting aan de [locatie] te Holwerd (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2019/463
JGROND 2019/138 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2019/138 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803201/1/A1.

Datum uitspraak: 20 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Holwerd, gemeente Dongeradeel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 maart 2018 in zaak nr. 16/3739 in het geding tussen:

[partij] wonend te Holwerd, gemeente Dongeradeel

en

het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft het college omgevingsvergunning verleend aan [appellante] ten behoeve van de uitbreiding en wijzigingen van de inrichting aan de [locatie] te Holwerd (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 9 maart 2018 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op de aanvraag te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. N. Strikwerda, rechtsbijstandverlener te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door I. Wulffele, K. Wijnja en mr. D. Kroes, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. K.A. Luehof, rechtsbijstandverlener te Assen, gehoord.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellante] heeft een veehouderij op het perceel. Er worden melkrundvee en daarbij behorend jongvee en fokstieren gehouden. Op het bedrijf is ook een mestvergistingsinstallatie aanwezig. De aanvraag ziet op het uitbreiden van een ligboxenstal, het oprichten van een mestsilo, het legaliseren van de bestaande drooginstallatie inclusief luchtwasser en het aanleggen van een tweede ontsluitingsweg.

    Het college heeft onder meer omgevingsvergunning verleend voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan en het veranderen of in werking hebben van een inrichting. Aan de vergunning is een aantal voorschriften verbonden.

    [appellante] is het niet eens met de vernietiging van het besluit van de rechtbank. [appellante] komt niet op tegen het oordeel van de rechtbank over het ontbreken van voorschriften ten aanzien van de geluidsnormen voor de verkeersbewegingen via de extra ontsluitingsweg, de nachtelijke ritten en de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de door haar verzochte activiteiten. De Afdeling zal hierna de hoger beroepsgronden van [appellante] per activiteit bespreken.

Handelen in strijd met het bestemmingsplan

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor het realiseren van de mestsilo een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is vereist. Daartoe voert zij aan dat de mestsilo niet ten dienste staat van de mestvergister. Zij heeft ter zitting van de rechtbank slechts verklaard dat die mogelijkheid bestaat maar daarmee is nog niet gezegd dat de mestsilo ook daarvoor wordt gebruikt. Voorts voert zij aan dat zelfs indien dit wel het geval zou zijn, de hoogte vanaf de grond 5,0 m zal zijn, hetgeen overeenkomt met de bestaande mestsilo.

3.1.    De rechtbank heeft over de mestsilo overwogen dat het college dient te bezien of met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo omgevingsvergunning kan worden verleend. Voor de mestsilo is op grond van artikel 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo vereist. Echter nu de mestsilo in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bûtengebiet Dongeradeel" (hierna: het bestemmingsplan) is er, volgens de rechtbank, wel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo vereist. De mestsilo staat volgens de rechtbank gelet op de verklaring van [appellante] ter zitting van de rechtbank, ten dienste van de mestvergister hetgeen betekent dat hij onder artikel 3.2.3 van de planregels valt. Ingevolge dat artikel moet voor het bepalen van de maximale hoogte worden gekeken naar de bestaande bouwwerken ten behoeve van de mestvergistingsinstallatie. In dit geval is dat volgens de rechtbank 2 m. Nu de beoogde mestsilo 6,5 m is, is er volgens de rechtbank een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid ,aanhef en onder c, van de Wabo vereist.

3.2.    Niet in geschil is dat de hoogte van de mestsilo slechts in strijd is met het bestemmingsplan indien deze als een mestvergistingsinstallatie zal worden gebruikt. Er is een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een mestsilo en niet voor een mestvergistingsinstallatie. Op de bij de aanvraag behorende tekeningen is de mestsilo niet verbonden met de mestvergistingsinstallatie. Bij de toetsing of er sprake is van strijd met het bestemmingsplan dient niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat geoordeeld moet worden dat een bouwwerk in strijd met de bestemming is indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Vergelijk de uitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1829. Dit betekent dat niet alleen naar de aanvraag moet worden gekeken maar ook naar andere feiten en omstandigheden. Naar het oordeel van de Afdeling is de enkele verklaring van [appellante] ter zitting van de rechtbank in dit geval onvoldoende om aan te nemen dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat het beoogd gebruik in strijd zal zijn met het bestemmingsplan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat gelet op de verklaring van [appellante] zoals volgt uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank en de bij de Afdeling gegeven toelichting niet is komen vast te staan dat de mestsilo voor de mestvergistingsinstallatie zal worden gebruikt. Het enkele feit dat het mogelijk is om het gebruik te wijzigen is onvoldoende. Mocht dat overigens wel gebeuren dan wordt er in strijd met de verleende omgevingsvergunning en het bestemmingsplan gehandeld. De bij besluit van 2 augustus 2016 verleende omgevingsvergunning maakt het namelijk niet mogelijk om de mestsilo als zodanig te gebruiken. Het college is dan bevoegd om handhavend op te treden.

    Het betoog slaagt.

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de inpassing van de bebouwing onvoldoende in de omgevingsvergunning is gewaarborgd. Volgens haar maakt het inpassingsplan onderdeel uit van de aanvraag en de omgevingsvergunning. In dit verband stelt zij verder dat zij reeds op grond van het bestemmingsplan binnen een jaar het inpassingsplan moet realiseren.

4.1.    Een van de voorwaarden om gebruik te mogen maken van de in artikel 3.3.5 van de planregels neergelegde afwijkingsbevoegdheid is dat er ten behoeve een zorgvuldige inpassing, een inpassingsplan moet worden opgesteld overeenkomstig de richtlijnen opgenomen in Bijlage 4. Gelet op artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo kan het college voorschriften aan een omgevingsvergunning verbinden die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20. Aan de omgevingsvergunning voor de activiteit handelen in strijd met het bestemmingsplan heeft het college onder meer het volgende voorschrift verbonden: "8. de aanvrager is gehouden om binnen één jaar na de start van de bouw zorg te dragen dat de beplanting en andere uit het inpassingsplan en de watervergunning voortvloeiende activiteiten conform het overeengekomen inpassingsplan uitgevoerd is."

    De rechtbank heeft de omgevingsvergunning voor zover deze zag op de activiteit handelen in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo vernietigd omdat onvoldoende waarborgen in de omgevingsvergunning zijn opgenomen voor de inpassing van de bebouwing in de omgeving. Volgens de rechtbank dient het college voorwaarden in de omgevingsvergunning op te nemen die betrekking hebben op de omvang, leeftijd en dichtheid van de beplanting. Verder dient volgens de rechtbank een voorwaarde te worden opgenomen die de instandhouding van de beplanting garandeert.

4.2.    Gelet op artikel 2.22 van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 2.12 van de Wabo mag het college alleen voorschriften over het inpassingsplan aan de omgevingsvergunning verbinden indien deze nodig zijn om het doel te bereiken van het inpassingsplan zoals omschreven in bijlage 4. In die bijlage is niet alleen het doel gegeven van een inpassingsplan maar ook de eisen waaraan het moet voldoen. De omvang, leeftijd en dichtheid van de beplanting maken geen onderdeel uit van die eis. De rechtbank heeft niet onderkend dat nu die elementen geen onderdeel uitmaken van de eisen die zijn gesteld aan een inpassingsplan, artikel 2.22 van de Wabo eraan in de weg staat dat het college voorschriften daarover aan de omgevingsvergunning kan verbinden. Bovendien kan op basis van het opgestelde inpassingsplan worden bepaald wat de omvang en dichtheid van de beplanting is. Gelet op het hiervoor genoemde voorschrift 8 moet [appellante] de beplanting uitvoeren zoals dat is bepaald in het inpassingsplan.

    De rechtbank heeft verder niet onderkend dat het college geen voorschrift hoefde te verbinden inhoudende dat de beoogde beplanting in stand moet worden gehouden. Dit volgt immers al uit het hiervoor genoemd voorschrift 8. Daarin is voorgeschreven dat het inpassingsplan moet worden uitgevoerd. Dit impliceert dat de daarin opgenomen beplanting ook in stand moet worden gehouden. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:730. Een apart voorschrift is daarom niet nodig.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in zoverre ten onrechte de omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met het bestemmingsplan vernietigd.

    Het betoog slaagt.

Het veranderen of inwerking hebben van de inrichting

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college dient te motiveren welke geluidsgrenswaarden voor de inrichting gelden als het gaat om de incidentele bedrijfssituatie. Daarmee is de rechtbank buiten de omvang van het geding getreden. Temeer nu de rechtbank heeft overwogen dat de Nota "Opmaat Geluidnota gemeente Dongeradeel" afwijkt van het advies in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). Bovendien stelt zij dat uit het akoestisch rapport volgt dat de geluidsbelasting 44 dB(A). Het rapport maakt onderdeel uit van de omgevingsvergunning en derhalve is het opnemen van een voorschrift niet nodig, aldus [appellante].

5.1.    Het inkuilen van gras en mais dat gedurende 12 dagen per jaar in de dag-, avond- en nachtperiode plaatsvindt, heeft het college als incidentele bedrijfssituatie in de zin van de Handreiking aangemerkt. In verweer bij de rechtbank en de Afdeling heeft het college zich op het standpunt gesteld dat in het aan het besluit ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek van 16 maart 2016 (hierna: het akoestisch rapport) is opgenomen welke activiteiten zijn toegestaan en tot welke incidentele geluidbelasting de hiervoor genoemde activiteit leidt, namelijk 44 dB(A). Er zijn volgens het college geen aparte voorschriften opgenomen omdat het rapport al onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Zodoende wordt gewaarborgd dat [appellante] zich daaraan moet houden, aldus het college.

    De rechtbank heeft het besluit op dit punt vernietigd omdat het college niet heeft gemotiveerd wat de maximaal toelaatbare geluidsbelasting is voor de incidentele bedrijfssituatie.

    Op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo worden voorschriften aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo verbonden indien dat nodig is met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20. In dit geval gaat het om artikel 2.14 van de Wabo. Ingevolge dat artikel kan een omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Het voorgaande betekent dat de voorschriften nodig moeten zijn ter bescherming van het milieu.

5.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat, gelet op de aard van de activiteiten en op het geringe aantal dagen per jaar dat deze mogen plaatsvinden, het college het inkuilen van gras en maïs terecht als incidentele bedrijfssituatie heeft beschouwd. Over incidentele werkzaamheden is het volgende bepaald in de voorschriften:

"4.3.1: De in voorschriften 4.2.1 en 4.2.2 gestelde geluidsvoorschriften zijn maximaal 12 dagen per jaar niet van toepassing gedurende het inkuilen van gras en maïs.

4.3.2: van de activiteiten zoals bedoeld in voorschrift 4.3.1 dient een logboek overeenkomstig de voorschriften 1.2.1 en 1.2.2 te worden bijgehouden waarin wordt vermeld: de datum waarop de activiteiten hebben plaatsgevonden;"

    De rechtbank heeft gelet op de voorschriften terecht overwogen dat het college niet heeft gemotiveerd wat de maximaal toelaatbare geluidsbelasting is voor de inrichting als het gaat om de incidentele bedrijfssituatie. Gelet op de voorschriften geldt er op grond van de vergunning namelijk geen maximale geluidsbelasting voor die situatie. Zelfs in de motivering van het besluit is niet opgenomen welke geluidsbelasting toelaatbaar moet worden geacht voor de incidentele bedrijfssituatie. Het college heeft slechts aangegeven dat het aanvaardbaar is dat de waarden afwijken van de representatieve bedrijfssituatie. Het enkele feit dat in het akoestische rapport, dat onderdeel uitmaakt van de vergunning, de geluidsbelasting is berekend, maakt niet dat de daarin vermelde geluidsbelasting als voorschrift aan de omgevingsvergunning is verbonden. Nu dat niet is gebeurd, kan het college niet handhavend optreden indien [appellante] in strijd handelt met die waarden. Een voorschrift is derhalve nodig in het kader van de handhaafbaarheid.

    Het betoog faalt in zoverre.

5.3.    Ten aanzien van omvang van het geschil overweegt de Afdeling dat in beroep is aangevoerd dat er voorschriften moeten worden verbonden aan de omgevingsvergunning. Dat de rechtbank in dat kader heeft gekeken naar de Nota en Handreiking maakt niet dat de rechtbank daarmee buiten de omvang van het geding is getreden. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het college bij zijn besluitvorming de Nota en Handreiking heeft betrokken. Ter zitting hebben [appellante] en het college aangegeven dat onduidelijk is wat er nu moet worden gemotiveerd. Ter voorlichting van partijen merkt de Afdeling op dat het college gelet op het voorgaande en de uitspraak van de rechtbank dient te vast te stellen wat de maximaal toelaatbare geluidsbelasting is en waarom daarvoor is gekozen. Verder dient het college daarover voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden. Indien het college zoals het in verweer heeft gesteld 44 dB(A) passend acht voor de incidentele bedrijfssituatie, dient het college te motiveren waarom dat passend is en ervoor te zorgen dat uit de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften volgt dat voor de incidentele bedrijfssituatie die geluidsbelasting geldt.

    Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is gegrond. Het college dient met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet of tevergeefs is aangevochten, een nieuw besluit te nemen.

7.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 253,00 (zegge: tweehonderddrieënvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. De Koning

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019

712.

Bestemmingsplan

Artikel 3.3.5

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.1.1 onder h in die zin dat:

[…]

• dat bedrijfsgebouwen en overkappingen worden gebouwd met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 1.500 m², of

[…]

mits

a. er ten behoeve van een zorgvuldige inpassing, een inpassingsplan wordt opgesteld overeenkomstig de richtlijnen opgenomen in Bijlage 4;

[…]

Artikel 3.2.3

Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van een mestvergistingsinstallatie (daaronder mede verstaan de hiervoor benodigde bouwwerken ten behoeve van de opslag van mest, cosubstraten of digistaat) gelden de volgende regels:

a. bouwwerken ten behoeve van een mestvergistingsinstallatie zullen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestvergister";

b. de oppervlakte en de bouwhoogte van bouwwerken ten behoeve van een mestvergistingsinstallatie zal ten hoogste de bestaande oppervlakte en bouwhoogte bedragen."

Artikel 3.2.7 luidt: "Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

[…]

g. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zal binnen het bouwvlak ten hoogste 10,00 m bedragen;

[…]

Bijlage 4 Inpassingsplan

    1. Toepassing inpassingsplan

Bij een nieuwe ontwikkeling, een uitbreidingsplan, of het plaatsen van een nieuw gebouw of bouwwerk, dient een inpassingsplan te worden gemaakt als een regeling in dit bestemmingsplan daartoe verplicht.

    2. Doel inpassingsplan

Bij het inpassingsplan dient de inpassing in de omgeving centraal te staan: er moet rekening worden gehouden met landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle elementen, structuren en de bebouwde en onbebouwde omgeving.

    3. Inhoud inpassingsplan

De volgende onderdelen maken deel uit van het inpassingsplan:

a. ontsluiting.

b. groene inpassing, bestaande uit gebiedseigen beplanting.

c. de situering van gebouwen, bouwwerken en overige (bedrijfs)onderdelen.

d. een lichtplan waaruit blijkt dat lichthinder / lichtvervuiling wordt beperkt.

e. toekomstbestendigheid van het plan, zoals mogelijke (bedrijfs)uitbreidingen.

f. watercompensatie: bij een toename van verhard oppervlak van minimaal 200 m2 moet minimaal 10 % van de toename van het verharde oppervlak (bijv. gebouw, erfverharding) gecompenseerd worden door water, tenzij er met het waterschap een ander wijze van compensatie is overeengekomen.

g. in specifieke situaties kunnen aanvullende onderdelen van toepassing zijn, voortvloeiend uit het in 2. genoemde doel.

    4. Realisering inpassingsplan

De maatregelen uit het inpassingsplan moeten binnen één jaar na de start van het (bouw)plan gerealiseerd zijn.

    5. Toetsing inpassingsplan

Burgemeester en wethouders bepalen of de onder 3. genoemde inhoud van het inpassingsplan in voldoende mate voldoet aan het onder 2. genoemde doel.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

b. indien de activiteit in strijd is met het exploitatieplan: met toepassing van de daarin opgenomen regels inzake afwijking;

c. indien de activiteit in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: voor zover de betrokken regels afwijking daarvan toestaan;

d. indien de activiteit in strijd is met een voorbereidingsbesluit: met toepassing van de in het voorbereidingsbesluit opgenomen regels inzake afwijking.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°.

Artikel 2.14

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:

a. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:

1°de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;

2° de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;

3° de met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;

4° de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn of de krachtens artikel 3.12, vijfde lid, aangegeven termijn ingebrachte adviezen en zienswijzen;

5°de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;

6°het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting of het mijnbouwwerk voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting of het mijnbouwwerk drijft, met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk voert;

b. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:

1°het voor hem geldende milieubeleidsplan;

2° het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;

3°de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;

c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:

1°dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;

2° de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder;

3° in afwijking van onderdeel 2°, neemt het bevoegd gezag, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht;

4° de onderdelen van het advies, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, aanzien waarvan in het advies is aangegeven dat daaraan moet worden voldaan, voor zover daardoor geen strijd ontstaat met het bepaalde in de andere onderdelen van dit lid of het tweede lid, of het bepaalde bij of krachtens artikel 2.22;

d. en betrekt het bevoegd gezag bij die beslissing de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen op de bij die maatregel aangegeven wijze, voor zover de verplichting daartoe krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in die maatregel.

2. Voor zover de aanvraag om een activiteit als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een inrichting waarin stoffen behorende tot een in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie aanwezig kunnen zijn en die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de beslissing op de aanvraag niet tot gevolg heeft dat minder dan voldoende afstand aanwezig is tussen die inrichting en een beschermd natuurmonument of gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998 of een gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10a van die wet of dat voorlopig als zodanig is aangewezen krachtens artikel 12 van die wet. Bij de beoordeling van de afstand betrekt het bevoegd gezag de maatregelen die zijn of worden getroffen om een voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer waarbij stoffen als bedoeld in de eerste volzin zijn betrokken en waardoor ernstig gevaar voor het milieu ontstaat, in de inrichting te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken.

3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

4. Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag te kennen, op welke wijze de in het eerste lid, onder a, genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.

5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid wordt in gevallen als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, de omgevingsvergunning verleend indien wordt voldaan aan de in het laatstgenoemde lid gestelde voorwaarden.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting of mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden bepaald. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in gevallen die behoren tot een daarbij aangewezen categorie.

7. Bij de toepassing van het eerste lid worden gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.

Artikel 2.22, tweede lid:

Aan een omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20. Indien toepassing is gegeven aan artikel 2.27, vierde lid, worden aan een omgevingsvergunning tevens de bij de verklaring aangegeven voorschriften verbonden. De aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften zijn op elkaar afgestemd.