Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:852

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
201803593/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:1958, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2016 heeft het college van [appellant] een bedrag van € 10.000,- aan verbeurde dwangsom ingevorderd wegens het niet naleven van de bij besluit van 23 augustus 2016 opgelegde last onder dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2019/6945
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803593/1/A1.

Datum uitspraak: 20 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2018 in zaak nr. 17/3200 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2016 heeft het college van [appellant] een bedrag van € 10.000,- aan verbeurde dwangsom ingevorderd wegens het niet naleven van de bij besluit van 23 augustus 2016 opgelegde last onder dwangsom.

Bij besluit van 26 april 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 15 november 2016 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 13 maart 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. K. Kuster, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W. de Jong en C.C. Donker, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is eigenaar van het pand aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Rotterdam (hierna: het pand). Bij besluit van 23 augustus 2016 heeft het college [appellant] gelast om uiterlijk 1 oktober 2016 in en aan het pand de in de bijgevoegde lijsten vermelde maatregelen te treffen. Aan de last is een dwangsom van € 10.000,- verbonden. Naar aanleiding van een verzoek van [appellant] heeft het college de begunstigingstermijn van de last bij besluit van 18 oktober 2016 verlengd tot 1 november 2016.

    Tegen de besluiten van 23 augustus 2016 en 18 oktober 2016 zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze besluiten in rechte onaantastbaar zijn.

    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 november 2016 heeft het college een bedrag van € 10.000,- aan verbeurde dwangsom van [appellant] ingevorderd. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat bij een controle op 2 november 2016 is geconstateerd dat [appellant] elf van de negentien gelaste maatregelen niet dan wel niet volledig of naar behoren heeft uitgevoerd, zodat hij niet volledig aan de last heeft voldaan.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voorbij is gegaan aan de schending van de hoorplicht in de bezwaarfase. [appellant] stelt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dat hij door de schending van de hoorplicht benadeeld is omdat hij geen gelegenheid heeft gehad om zijn standpunten in beroep toe te lichten. Op de zitting bij de rechtbank stelt hij namelijk niet voorbereid te zijn op de situatie dat de rechtbank het gebrek in het besluit van 26 april 2017 zou passeren. Daardoor is ter zitting van de rechtbank uitsluitend gesproken over het feit dat de hoorplicht is geschonden, aldus [appellant].

2.1.    De rechtbank heeft overwogen dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitnodiging voor de hoorzitting daadwerkelijk naar het adres van [appellant] is verstuurd. Het college heeft daarom de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb geschonden, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd omdat [appellant] in het kader van de beroepsprocedure in de gelegenheid is gesteld zijn standpunten schriftelijk en mondeling toe te lichten. Het is daarom aannemelijk dat hij niet is benadeeld door de schending van de hoorplicht, aldus de rechtbank.

2.2.    Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb luidt: "Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord."

    Artikel 6:22 luidt: "Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld."

    Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:22 van de Awb (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 14) is niet de aard van het geschonden voorschrift beslissend voor de beantwoording van de vraag of een gebrek in een besluit kan worden gepasseerd, maar uitsluitend het antwoord op de vraag of door de schending iemand is benadeeld.

2.3.    Toepassing van artikel 6:22 van de Awb is mogelijk indien aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. Een gebrek dat herstel behoeft, leent zich in beginsel niet voor toepassing van deze bepaling. In gevallen waarin van het bestuursorgaan een bepaalde actie is vereist om het gebrek weg te nemen, kan er immers niet zonder meer van worden uitgegaan dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. Alleen indien evident is dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld, kan bij het bestaan van een dergelijk gebrek toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.

    Hoewel het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftprocedure, heeft de rechtbank het gebrek in het besluit van 26 april 2017 als gevolg van het achterwege laten daarvan in dit geval kunnen passeren. Dat [appellant] niet in staat was om zijn standpunten in beroep toe te lichten, is niet gebleken. Uit het proces-verbaal van de zitting en de aangevallen uitspraak volgt dat [appellant] inhoudelijke gronden tegen de invordering van de dwangsom heeft aangevoerd die door de rechtbank bij de beoordeling van het beroep zijn betrokken. Verder heeft [appellant] niet geconcretiseerd welke bezwaren tegen het besluit van 15 november 2016 hij zou hebben aangevoerd of nader toegelicht indien hij wel was gehoord. Gelet daarop kan worden aangenomen dat bij naleving van de hoorplicht geen ander besluit zou kunnen zijn genomen dan het besluit van 26 april 2017. Het is daarom evident dat [appellant] door de schending van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb, niet is benadeeld.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college wegens bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. Daartoe voert hij aan dat hij ten tijde van de controle op 2 november 2016 al een deel van de in de last genoemde maatregelen had getroffen en bezig was om ook de overige maatregelen uit te voeren. Het college was daarvan op de hoogte en mocht de dwangsom daarom niet zonder meer invorderen, aldus [appellant]. [appellant] voert verder aan dat hij onvoldoende financiële middelen heeft om het ingevorderde bedrag te betalen. Hij wijst er daarbij op dat door de gemeente executoriaal beslag is gelegd op zijn panden.

3.1.    Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een toereikende handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het bestuursorgaan hoeft bij een besluit omtrent invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en, indien hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben.

3.2.    De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] aanvoert terecht geen grond gezien voor het oordeel dat er bijzondere omstandigheden zijn waardoor het college geheel of gedeeltelijk van invordering van de verbeurde dwangsom had moeten afzien. In beginsel is het enkele feit dat gedeeltelijk aan de last is voldaan onvoldoende voor het oordeel dat het college geheel dan wel gedeeltelijk van invordering dient af te zien. In hetgeen [appellant] heeft gesteld, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat van dat uitgangspunt in dit geval moet worden afgeweken. Verder volgt uit de door [appellant] ingediende stukken over het beslag dat hij over een aanmerkelijke vastgoedportefeuille beschikt. Zonder nadere onderbouwing van zijn kant is naar het oordeel van de Afdeling dan ook niet gebleken dat [appellant] de verschuldigde dwangsom niet kan voldoen.

    Voor zover [appellant] ter zitting heeft gesteld dat het college vanwege een door hem gedaan verzoek om uitstel teneinde alle gebreken aan het pand te herstellen van invordering had moeten afzien, wordt overwogen dat dit verzoek is gedaan na het nemen van het invorderingsbesluit van 15 november 2016 en onvoldoende is voor het oordeel dat het college van invordering had moeten afzien. Als [appellant] meer tijd nodig had om aan de last te voldoen, had hij voor het verstrijken van de begunstigingstermijn het college moeten verzoeken om verlenging van die termijn.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Drop    w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2019

414-912.