Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:828

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
201901242/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901242/1/V2.

Datum uitspraak: 12 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 februari 2019 in zaak nr. NL19.960 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Bij uitspraak van 5 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Spapens, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Zoals de staatssecretaris in de eerste grief terecht aanvoert, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij de asielaanvraag van de vreemdeling niet buiten behandeling kon stellen, omdat het kennisgevingsformulier, model 35-O, geen eerste verzoek om informatie is. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:574, volgt dat de staatssecretaris met het kennisgevingsformulier wél voor de eerste keer verzoekt om informatie. Eveneens volgt hieruit dat de staatssecretaris tot buitenbehandelingstelling kan overgaan, als de informatie die een vreemdeling heeft verstrekt in het kennisgevingsformulier onvoldoende is om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen, en een vreemdeling ook naar aanleiding van een later verzoek om informatie, bijvoorbeeld in het voornemen, daarmee in gebreke blijft.

2.    De staatssecretaris klaagt in de tweede grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat hij de aanvraag van de vreemdeling inhoudelijk in behandeling moet nemen en de vreemdeling over de nieuwe gebeurtenissen moet horen. De staatssecretaris heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in het kader van een opvolgende aanvraag ook in geval van nieuwe gebeurtenissen een zo volledig mogelijke onderbouwing van die aanvraag is vereist, om zo, zoals ook is overwogen in voormelde uitspraak van 21 februari 2019, efficiënte behandeling van de aanvraag mogelijk te maken. De enkele stelling van de vreemdeling, dat sprake is van nieuwe gebeurtenissen in zijn dorp, zonder de door de staatssecretaris gevraagde informatie te verschaffen, voldoet daar niet aan. De staatssecretaris heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de overgelegde stukken, ter onderbouwing van voormelde gebeurtenissen, slechts kopieën zijn en van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij bij indiening van de aanvraag alle relevante originele stukken overlegt.

3.    De grieven slagen.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 15 januari 2019 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 februari 2019 in zaak nr. NL19.960;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Van de Sluis

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2019

802-853.