Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:79

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
201800050/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:14306, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2016 heeft het college heeft besloten over te gaan tot invordering van de door [appellante] verbeurde dwangsom van € 2.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201800050/1/A1.

Datum uitspraak: 16 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 december 2017 in zaak nr. 17/3084 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2016 heeft het college heeft besloten over te gaan tot invordering van de door [appellante] verbeurde dwangsom van € 2.000,00.

Bij besluit van 23 maart 2017 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2018, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A. Noest, advocaat te Lisserbroek, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.N. Goudswaard, P. Zonneveld en H.C.G.M. Bastiaansen, zijn verschenen.

Ter zitting heeft de Afdeling [appellante] vier weken de tijd gegeven haar geluidsdeskundige Geluid Plus adviseurs (hierna: Geluid Plus) de geluidsopnames van de Omgevingsdienst Haaglanden te laten uitluisteren en hierop een reactie te geven. Bij brief van 28 november 2018 heeft [appellante] de reactie van Geluid Plus van 23 november 2018 overgelegd. Het college heeft hierop bij brief van 17 december 2018 gereageerd.

    De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek op 18 december 2018 gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] exploiteert een snookercentrum aan de [locatie 1] te Den Haag. Naar aanleiding van klachten over geluidsoverlast heeft het college ter plaatse geluidsonderzoek gedaan waaruit is gebleken dat de toepasselijke geluidsnormen werden overschreden.

    Bij besluit van 14 april 2015 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd voor elke keer dat de maximale geluidsnormen worden overschreden. De dwangsom is vastgesteld op € 2.000,00 per overtreding.

    Op 12 november 2016 heeft een toezichthouder van de Omgevingsdienst Haaglanden tussen 22:50 uur en 24:00 uur een geluidsonderzoek uitgevoerd in de slaapkamer op de derde verdieping van een aanpandige woning. Daarbij is vastgesteld dat de ingevolge artikel 2.17 (tabel 2.17a) van het Activiteitenbesluit milieubeheer geldende normwaarde van 45 dB(A) tenminste 11 maal werd overschreden. De maximaal waargenomen LAMAX bedroeg 55 dB(A). Hiermee is van rechtswege een dwangsom verbeurd.

Het hoger beroep van [appellante]

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat overschrijding van de geluidsnormen onaannemelijk is, nu de klachten over geluidsoverlast steeds van dezelfde persoon afkomstig zijn en de overige omwonenden hebben verklaard geen geluidsoverlast te ondervinden.

2.1.    De Afdeling stelt voorop dat bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

2.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor het verbeuren van dwangsommen is vereist dat een overtreding van de last onder dwangsom wordt geconstateerd en niet dat meerdere personen geluidshinder ondervinden. In de omstandigheid dat slechts door één persoon overlast wordt ervaren heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat overschrijding van de geluidsnormen onaannemelijk is.

    Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt voorts dat de overschrijding van de geluidsnormen onaannemelijk is. Volgens [appellante] is de aan het besluit ten grondslag gelegde geluidmeting van de Omgevingsdienst Haaglanden onbetrouwbaar, onjuist en onvolledig. Zij wijst er op dat in 2012 isolerende maatregelen zijn genomen aan vloeren en plafonds van het snookercentrum en dat de plafondplaten volgens de fabrikant daarvan geen geluid doorlaten. De rechtbank heeft niet onderkend dat het gelet hierop vrijwel ondenkbaar is dat de gemeten geluidsoverschrijdingen uit de inrichting van [appellante] afkomstig zijn. Die geluiden moeten afkomstig zijn geweest van externe bronnen zoals het nabijgelegen viaduct en overvliegende vliegtuigen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het onwaarschijnlijk is dat een externe bron de oorzaak van de gemeten overschrijdingen is, omdat deskundigen van de Omgevingsdienst Haaglanden de geluidsopnamen zouden hebben uitgeluisterd en dat de opnames zouden zijn gefilterd voor geluiden uit de omgeving. [appellante] wijst er op dat de Omgevingsdienst Haaglanden refereert aan piekgeluiden als gevolg van dichtslaande deuren, terwijl het snookercentrum geen deuren heeft. De rechtbank heeft volgens [appellante] voorts niet onderkend dat een deel van de gemeten pieken afkomstig moet zijn van tikkende geluiden afkomstig van verwarmingsbuizen van het stadsverwarmingssysteem en van aangrenzende appartementen.

    Verder wijst [appellante] er op dat het geluidrapport van de Omgevingsdienst Haaglanden geen nulmeting bevat, waarbij de geluidswaarden zijn gemeten als het snookercentrum is gesloten. Eerst dan kan immers worden geconcludeerd of de gemeten geluiden daadwerkelijk van het snookercentrum afkomstig zijn of afkomstig zijn van een andere bron.

    [appellante] wijst verder op het in haar opdracht door DPA Cauberg-Huygen B.V. (hierna: DPA) uitgevoerde akoestisch onderzoek van 24 mei 2017, waaruit blijkt dat de gemeten situaties alle voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit met betrekking tot de maximale geluidniveaus voor alle perioden. In het licht van dit onderzoeksrapport zijn de uitkomsten van het akoestisch onderzoek door de Omgevingsdienst Haaglanden zeer twijfelachtig, aldus [appellante].

    Voorts betoogt [appellante] dat uit het rapport van Geluid Plus van 23 november 2018 blijkt dat een groot aantal door de Omgevingsdienst Haaglanden gemeten piekgeluiden niet aan het snookercentrum zijn toe te rekenen en dat uitsluitend met simultaan meten met zekerheid kan worden vastgesteld of de door de Omgevingsdienst Haaglanden gemeten overschrijdingen daadwerkelijk uit het snookercentrum afkomstig zijn, aldus [appellante].

3.1.    De Afdeling stelt vast dat DPA in opdracht van [appellante] op 2 mei 2017 geluidmetingen heeft verricht in de slaapkamers van de woningen aan de Ammunitiehaven 663 en 665, gelegen op de tweede verdieping van het pand waarin het snookercentrum is gevestigd en direct grenzend aan de bovenzijde van het snookercentrum. In dat onderzoek is geconcludeerd dat hoewel ten tijde van de metingen in alle gevallen formeel wordt voldaan aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, er situaties in de avondperiode zijn gemeten die in de nachtperiode tot overschrijding van de eisen zouden leiden. Het betreft een overschrijding tot ongeveer 1dB(A). Het is niet geheel uit te sluiten dat op enig moment gedurende de nachtperiode een overschrijding van de eisen uit het Activiteitenbesluit kan optreden, aldus DPA.

3.2.    De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat [appellante] met het door haar overgelegde onderzoek van DPA niet aannemelijk heeft gemaakt dat de metingen van de Omgevingsdienst Haaglanden ondeugdelijk zijn. Hierbij acht de Afdeling van belang dat DPA de uitkomst van de op 12 november 2016 door de Omgevingsdienst Haaglanden verrichte metingen niet in twijfel heeft getrokken. Voorts is met de door DPA uitgevoerde meting niet aannemelijk gemaakt dat [appellante] op 12 november 2016 de maximale geluidsnorm niet heeft overschreden. De rechtbank heeft in dit verband terecht van belang geacht dat de meting van DPA eerst een half jaar na het verbeuren van de dwangsom heeft plaatsgevonden en dat het onderzoek van DPA heeft plaatsgevonden op een dinsdagavond, terwijl de overschrijding van de geluidsnormen zich heeft voorgedaan op een zaterdagavond. Bovendien heeft DPA, zoals de rechtbank terecht in aanmerking heeft genomen, gerapporteerd dat op enig moment gedurende de nachtperiode overschrijdingen van de eisen van het Activiteitenbesluit kunnen optreden in de woningen op de tweede verdieping, waarmee DPA indirect de onderzoeksresultaten van de Omgevingsdienst Haaglanden onderschrijft.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank voorts het door [appellante] ingenomen standpunt dat een deel van de geluidsoverschrijdingen afkomstig moet zijn van externe bronnen zoals het stadsverwarmingssysteem, vliegtuigen en het nabijgelegen viaduct terecht niet gevolgd, nu dit standpunt niet nader is onderbouwd. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat het college heeft toegelicht dat bijgeluiden uit de metingen zijn gefilterd nadat deskundigen van de Omgevingsdienst Haaglanden de opnames hebben nageluisterd en geanalyseerd, waarbij uitsluitend piekgeluiden die qua aard duidelijk afkomstig waren van de inrichting zijn meegenomen. Dit betroffen geluiden die waarschijnlijk het gevolg zijn van activiteiten met keu’s en/of met speelballen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door het college gemeten geluiden niet uit het snookercentrum afkomstig waren.

    Ten aanzien van het standpunt dat ten onrechte geen meting is uitgevoerd op een moment waarop het snookercentrum is gesloten, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling voorts terecht overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een dergelijk onderzoek een voorwaarde is voor het kunnen vaststellen van overtredingen van de geldende geluidsnormen.

    Voorts heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling in de omstandigheid dat in 2012 isolerende maatregelen zijn genomen aan vloeren en plafonds geen aanleiding hoeven zien om tot de conclusie te komen dat het om die reden onaannemelijk is dat de gemeten geluidsoverschrijdingen afkomstig zijn uit de inrichting van [appellante]. Nu desondanks toch geluidsoverschrijdingen hebben plaatsgevonden, zijn de desbetreffende maatregelen immers kennelijk niet afdoende geweest.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] met het door haar overgelegde onderzoeksrapport van Geluid Plus van 7 juni 2018 evenmin aannemelijk gemaakt dat de resultaten van de metingen van de Omgevingsdienst Haaglanden van 12 november 2016 onbetrouwbaar, onjuist en onvolledig zijn. Hierbij betrekt de Afdeling dat het betreffende rapport van Geluid Plus ziet op metingen die zijn uitgevoerd op 11 tot en met 13 mei 2018 in de woningen aan de [locatie 2] en [locatie 3]. De metingen zijn derhalve verricht na 12 november 2016 en in het rapport is niet geconcludeerd dat de uitkomst van de op 12 november 2016 door de Omgevingsdienst Haaglanden verrichte metingen niet juist is.

3.3.    De Afdeling stelt voorts vast dat Geluid Plus in het rapport van 23 november 2018 heeft geconcludeerd dat veel van de geluiden die door de Omgevingsdienst Haaglanden aan Delta worden toegeschreven herkenbaar zijn en qua aard overeenkomen met de door Geluid Plus uitgevoerde metingen en dat het maximaal (piek)geluidniveau dat waarschijnlijk aan het snookercentrum kan worden toegeschreven in de nachtperiode van 12 november 2016 ten hoogste 55 dB(A) bedraagt. Door Geluid Plus worden minder piekgeluiden aan het snookercentrum toegeschreven dan door de Omgevingsdienst Haaglanden is gedaan. In een aantal metingen is volgens Geluid Plus wel het geluid van Delta waar te nemen, maar vanwege stoorgeluid is het maximale geluidniveau niet (volledig) toe te schrijven aan Delta. Van een ander deel van de metingen is niet aannemelijk dat het geconstateerde maximale geluidniveau afkomstig is van Delta. Alleen met simultaan meten bij de ontvanger en de veroorzaker is met zekerheid onderscheid te maken tussen deze stoorgeluiden van het geluid vanuit de inrichting, aldus Geluid Plus.

    Hoewel met het rapport van Geluid Plus nuances worden aangebracht ten aanzien van de hoeveelheid piekgeluiden die aan de inrichting van [appellante] kunnen worden toegeschreven, laat dit naar het oordeel van de Afdeling onverlet dat uit het rapport blijkt dat op 12 november 2016 de normwaarde voor de nachtperiode van 45 dB(A) is overschreden waardoor [appellante] de in geding zijnde dwangsom heeft verbeurd.

    De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de metingen die zijn verricht in de woning aan de [locatie 2] niet aan het besluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd, nu uit de door [appellante] overgelegde verklaring van de bewoner van die woning, anders dan [appellante] betoogt, niet blijkt dat hij geen toestemming heeft gegeven voor de meting op 12 november 2016.

3.4.    Het vorenstaande in aanmerking genomen, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat de overschrijding van de geluidsnormen op 12 november 2016 niet heeft plaatsgevonden en dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] op die datum de maximale geluidsnorm heeft overschreden, waardoor zij de dwangsom heeft verbeurd.

    Het betoog faalt.    

4.    Het hoger beroep is ongegrond.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Slump    w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019

490.