Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:749

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2019
Datum publicatie
13-03-2019
Zaaknummer
201900959/3/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2019 heeft het college de locatie Noorderhoofdstraat - Parklaan aangewezen als locatie voor een ondergrondse restafval container (hierna: ORAC).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900959/3/A1.

Datum uitspraak: 8 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend te Krommenie, gemeente Zaanstad,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2019 heeft het college de locatie Noorderhoofdstraat - Parklaan aangewezen als locatie voor een ondergrondse restafval container (hierna: ORAC).

Tegen dit besluit hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke brief hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 februari 2019, waar [verzoeker A] en [verzoeker B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door F.P. Brouwer en mr. S.M. Barends, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het college heeft bij het besluit van 4 februari 2019 de locatie Noorderhoofdstraat - Parklaan aangewezen als locatie voor het plaatsen van een ORAC. [verzoeker A] en [verzoeker B] wonen aan de Parklaan, tegenover de beoogde locatie.

3.    [verzoeker A] en [verzoeker B] voeren aan dat het college niet in redelijkheid de locatie Noorderhoofdstraat - Parklaan heeft kunnen aanwijzen voor het plaatsen van een ORAC. Zij voeren daartoe onder meer aan dat zij vrezen voor geluidsoverlast van de ORAC, wanneer er in de avond afval in de container wordt gedeponeerd en de klep wordt geopend en gesloten. Volgens hen is er een alternatieve locatie beschikbaar aan het Oranjeplein, waar ook een ORAC is voorzien en waar ander afval werd ingezameld, zoals glas.

3.1.    Het college heeft toegelicht dat er door de ontwikkelde techniek van de openingsklep van de ORAC’s geen onacceptabele geluidshinder wordt verwacht. Daarbij leert de ervaring dat afval zelden ’s nachts wordt weggebracht, aldus het college. Verder is toegelicht dat de ORAC is voorzien op meer dan 5 m van de voorgevel van de woning van [verzoeker A] en [verzoeker B].

Gelet op deze toelichting bestaat er in zoverre geen aanleiding tot schorsing van het besluit van 4 februari 2019.

3.2.    Het college heeft ter zitting over het door [verzoeker A] en [verzoeker B] aangedragen alternatief op het Oranjeplein aan de hand van een kaart toegelicht dat wanneer de aangewezen locatie op de Noorderhoofdstraat - Parklaan wegvalt en er een extra container op het Oranjeplein wordt geplaatst, de ORAC’s niet meer evenredig zijn verspreid. De locatie op Noorderhoofdstraat - Parklaan zorgt volgens het college voor een betere spreiding van de ORAC’s en is daarmee een logische plek. Het heeft ter zitting verder toegelicht dat het liever had gezien dat de ORAC in Noorderhoofdstraat nabij de kruising met de Parklaan zou worden geplaatst, maar dit bleek niet mogelijk, omdat bij het graven op kabels en leidingen werd gestuit.

De voorzieningenrechter ziet op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat het door [verzoeker A] en [verzoeker B] aangedragen alternatief zoveel geschikter dan de gekozen locatie dat het college daarom in redelijkheid niet voor de gekozen locatie maar voor het alternatief had moeten kiezen.

3.3.    Gelet op het voorgaande en ook omdat in het overige door [verzoeker A] en [verzoeker B] aangevoerde naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding wordt gevonden voor schorsing van het besluit van 4 februari 2019, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Kamphorst-Timmer

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2019

776.