Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:733

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201804728/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2016 heeft het college de aanvraag voor [appellant sub 1] om verlening van een urgentieverklaring voor woningtoewijzing op medische gronden, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2019/383 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804728/1/A3.

Datum uitspraak: 6 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.     [appellant sub 1], wonend te Almere,

2.     het college van burgemeester en wethouders van Almere,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 april 2018 in zaak nr. 16/5814 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2016 heeft het college de aanvraag voor [appellant sub 1] om verlening van een urgentieverklaring voor woningtoewijzing op medische gronden, afgewezen.

Bij besluit van 17 november 2016 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 27 juni 2017 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld een in het besluit van 17 november 2016 geconstateerd gebrek te herstellen.

Bij brief van 18 juli 2017 heeft het college een aanvullende motivering gegeven.

[appellant sub 1] heeft een zienswijze ingediend.

Bij uitspraak van 25 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 17 november 2016 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2018, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. E.D. van Tellingen, advocaat te Almere, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.A. de Kruijf-Nijkamp, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het college heeft een aanvraag om [appellant sub 1] op medische gronden een urgentieverklaring te verlenen voor woningtoewijzing afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat volgens de geconsulteerde instelling A-REA geen sprake is van ernstige psychopathologie en dat [appellant sub 1] geen behandeling krijgt voor zijn klachten. In haar aanvullende motivering heeft A-REA gesteld dat [appellant sub 1] al dertig jaar last heeft van psychogene niet-epileptische aanvallen die aan stress gerelateerd zijn. Volgens A-REA is geen sprake van een ernstig ziektebeeld en is twijfelachtig of een relatie tussen de woonsituatie en het psychiatrisch ziektebeeld aannemelijk is. Een stabiele financiële situatie en een stabiele woonsituatie geven volgens A-REA uiteraard meer psychische rust en een beter behandelresultaat, maar het gegeven dat de psycholoog van mening is dat een behandeling pas aan de orde is wanneer eigen huisvesting en basale financiële zekerheid is geregeld, acht hij onvoldoende reden om een urgentie op medische gronden te verstrekken.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het college de afwezigheid van een behandeling zonder nadere motivering niet aan [appellant sub 1] mocht tegenwerpen. In de einduitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat A-REA voldoende inzichtelijk heeft gemaakt aan welke drie voorwaarden moet zijn voldaan om tot de conclusie te komen dat sprake is van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld dat voortkomt uit, of duidelijk te maken heeft met de huidige woonsituatie. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank in de aanvullende motivering voldoende uiteengezet waarom in het geval van [appellant sub 1] geen sprake is van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld dat voortkomt uit, of duidelijk te maken heeft met de huidige woonsituatie en waarom dus niet is voldaan aan het criterium uit de Huisvestingsverordening Almere 2015 (hierna: de Huisvestingsverordening). Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 17 november 2016 vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten.

Regelgeving

3.    Artikel 11, tweede lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingsverordening luidt als volgt: "De behoefte aan woonruimte wordt dringend noodzakelijk geacht en een urgentieverklaring wordt verleend indien, ter beoordeling van burgemeester en wethouders: de woningzoekende op grond van medische of sociale redenen dringend moet omzien naar andere woonruimte; of".

    Volgens bijlage II, hoofdstuk I, paragraaf 3, wordt aan dat criterium voldaan indien op grond van medische en/of sociale omstandigheden sprake is van een levensontwrichtende situatie die alleen kan worden opgelost met (andere) zelfstandige woonruimte op zeer korte termijn. De woningzoekende dient zelf zijn levensontwrichtende woonsituatie aan te tonen en te zorgen voor bewijsmateriaal. Tot een levensontwichtende situatie worden uitsluitend gerekend:

a. ernstige medische redenen, waarbij vereist is dat

- het medisch probleem langdurig is en

- de situatie dermate ontwrichtend is dat deze alleen kan worden opgelost met een woning op korte termijn (maximaal 3 tot 4 maanden)

    De GGD (of een vergelijkbare door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke instelling) toetst of de woningzoekende in aanmerking komt voor een medische urgentie en adviseert de urgentiecommissie.

    […]

Incidenteel hoger beroep college

4.    Het college betoogt dat de rechtbank het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat hij al voordat het besluit van 17 november 2016 is genomen naar een andere (tijdelijke) woning is verhuisd. Als [appellant sub 1] desondanks nog steeds een grondslag zag voor medische urgentie, bijvoorbeeld vanwege het tijdelijke karakter van de ruime eengezinswoning, dan is het college van oordeel dat hij een nieuwe aanvraag had moeten indienen.

4.1.    Volgens de door het college geconsulteerde instelling A-REA is de omstandigheid dat een psycholoog van mening is dat behandeling van [appellant sub 1] pas aan de orde kan zijn wanneer eigen huisvesting en basale financiële zekerheid is geregeld onvoldoende reden om een urgentie op medische gronden te verlenen. Anders dan het college betoogt, heeft [appellant sub 1] wel degelijk belang bij een uitspraak op het door hem ingestelde beroep en hoger beroep. Naar het oordeel van de Afdeling is niet evident dat de gewijzigde, eveneens tijdelijke, woonsituatie tot een ander oordeel op dat beroep en hoger beroep zou leiden.

4.2.    Het betoog faalt.

Hoger beroep [appellant sub 1]

5.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding geven voor het oordeel dat A-REA niet onafhankelijk is. Daartoe voert hij aan dat A-REA niet kan worden aangemerkt als een met de GGD vergelijkbare door het college aangewezen onafhankelijke instelling als bedoeld in de Huisvestingsverordening, omdat de geraadpleegde arts tevens directeur/eigenaar van A-REA is. A-REA is voorts, als vaste adviseur van de gemeente, financieel afhankelijk van de gemeente. Reeds omdat bij [appellant sub 1] twijfel is ontstaan over de onafhankelijkheid, had het college een andere onafhankelijke deskundige onderzoek moeten laten doen naar zijn medische situatie.

5.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de enkele omstandigheid dat A-REA als vaste adviseur van de gemeente fungeert - en de gemeente een belangrijke klant van A-REA is - onvoldoende is voor het oordeel dat A-REA niet onafhankelijk is. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:164), betekent de enkele omstandigheid dat de instelling die het medisch advies uitbrengt daarvoor een vergoeding krijgt, niet zonder meer dat de advisering niet als onafhankelijk en onpartijdig kan worden aangemerkt. Indien de overheid een adviseur inschakelt, is een financiële vergoeding niet ongebruikelijk. Dat het college herhaaldelijk eenzelfde adviseur inschakelt, betekent evenmin dat die adviseur niet onafhankelijk is. Ook niet wanneer een van de deskundigen van A-REA eerder in een zaak van [appellant sub 1] heeft geadviseerd. Dat [appellant sub 1] twijfelt aan de onafhankelijkheid van A-REA brengt niet mee dat het college reeds daarom een andere adviseur had moeten inschakelen. De door [appellant sub 1] aangehaalde uitspraak van de rechtbank Overijssel leidt niet tot een ander oordeel omdat die uitspraak gaat over (on)partijdigheid wegens eerdere betrokkenheid bij dezelfde zaak.

5.2.    Het betoog faalt.

6.    Verder betoogt [appellant sub 1] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het door A-REA uitgevoerde onderzoek op voldoende deugdelijke wijze heeft plaatsgevonden. Daartoe wijst hij op de duur van het onderzoek en op de mate waarin op zijn psychische problematiek is ingegaan. Volgens [appellant sub 1] had A-REA nadere informatie moeten opvragen bij de behandelend artsen, GGZ, dan wel de maatschappelijk werker.

6.1.    De rechtbank heeft overwogen dat de duur van een medisch onderzoek niet bepalend is voor de deugdelijkheid ervan. A-REA heeft bij haar onderzoek gebruikgemaakt van de door [appellant sub 1] aangeleverde medische informatie en heeft daarnaast zelf onderzoek verricht. Hetgeen [appellant sub 1] in hoger beroep betoogt betreft louter een herhaling van hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd. In hoger beroep heeft hij evenmin omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat A-REA onvoldoende medische informatie had om tot een beoordeling te komen zonder nadere informatie in te winnen bij de behandelaren.

6.2.    Het betoog faalt.

7.    Tot slot betoogt [appellant sub 1] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is voldaan aan het criterium in de Huisvestingsverordening dat sprake moet zijn van een levensontwrichtende situatie. Daartoe voert hij aan dat wel degelijk sprake is van een levensontwrichtende situatie omdat zijn medische problematiek langdurig is en zijn situatie dermate ontwrichtend is dat deze alleen kan worden opgelost met een woning op korte termijn. Hij wijst op de bij zijn aanvraag overgelegde brieven van maatschappelijk werk, de GZ-psycholoog en het intakeverslag van de Afdeling Psychologie. Daaruit volgt dat hij al dertig jaar  psychogene niet-epileptische aanvallen heeft, dat de aanvallen de laatste jaren zijn toegenomen en dat een vaste woon- of verblijfsplaats zal bijdragen aan het verminderen van deze aanvallen. Behandeling is volgens het intakeverslag niet mogelijk omdat hij geen stabiele woonsituatie heeft. [appellant sub 1] stelt dat indien hij niet op korte termijn andere woonruimte zal verkrijgen door middel van een urgentieverklaring, de toename van zijn aanvallen zal kunnen verergeren. Volgens [appellant sub 1] is onduidelijk en ongemotiveerd hoe A-REA voorbijgaat aan het in de Huisvestingsverordening neergelegde criterium en aan drie voorwaarden heeft getoetst om te beoordelen of sprake is van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld dat voortkomt uit, of duidelijk te maken heeft met de huidige woonsituatie. [appellant sub 1] bestrijdt voorts het oordeel van de rechtbank dat A-REA in de aanvullende motivering voldoende heeft uiteengezet waarom in het geval van [appellant sub 1] geen sprake is van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld dat voortkomt uit, of duidelijk te maken heeft met de huidige woonsituatie.

7.1.    In de aanvullende motivering heeft A-REA toegelicht dat teneinde in aanmerking te komen voor een woonurgentie er drie situaties zijn waarbij er sprake kan zijn van een medisch onhoudbare of ontwrichtende situatie:

1. De bruikbaarheid of toegankelijkheid is ernstig belemmerd (meestal fysieke problemen);

2. Er is sprake van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld dat voortkomt uit, of duidelijk te maken heeft met de huidige woonsituatie;

3. De huidige woonsituatie veroorzaakt ernstige schade aan de gezondheid.

    In deze zaak betreft het volgens A-REA een beoordeling van situatie 2. In het door de artsen gehanteerde protocol is vastgelegd dat bij de beoordeling van situatie 2, ernstig psychiatrisch ziektebeeld, de volgende voorwaarden gelden:

1. Er moet te allen tijde sprake zijn van een therapeutische interventie;

2. Er moet sprake zijn van een ernstig ziektebeeld (van belang: diagnose, behandeling en prognose);

3. De relatie woonsituatie-psychiatrisch ziektebeeld moet aannemelijk zijn. Er zal nooit een 1:1 relatie zijn, dat wil zeggen de woonsituatie zal hoogstens een verergerende of medebepalende factor zijn.

7.2.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de door A-REA gehanteerde criteria, noch aan de vraag of A-REA zich op dit protocol heeft mogen baseren. Dat de status van het protocol niet duidelijk is, is niet doorslaggevend voor de vraag of A-REA zich daarop heeft mogen baseren. Er bestaat immers geen rechtsregel die bepaalt dat in dit geval een protocol moet worden gehanteerd. Bovendien bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de in het protocol gehanteerde normen onjuist zijn. Voorts heeft de medische adviseur de door [appellant sub 1] overgelegde gegevens van de psycholoog kenbaar bij haar oordeel betrokken. A-REA heeft voldoende inzichtelijk gemaakt hoe getoetst is aan de drie voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om tot de conclusie te komen dat sprake is van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld dat voortkomt uit, of duidelijk te maken heeft met de huidige woonsituatie. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in de nadere motivering van het college ook verder voldoende is gemotiveerd waarom in het geval van [appellant sub 1] geen sprake is van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld dat voortkomt uit, of duidelijk te maken heeft met de huidige woonsituatie en waarom dus niet is voldaan aan het criterium uit de Huisvestingsverordening. Voor zover [appellant sub 1] ter zitting bij de Afdeling een beroep heeft gedaan op de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1104), kan dit hem niet baten. De enkele omstandigheid dat tussen A-REA en de psycholoog verschil van inzicht bestaat, is onvoldoende voor het oordeel dat het advies onvoldoende inzichtelijk is. [appellant sub 1] heeft de relatie tussen de woonsituatie en het psychiatrisch ziektebeeld niet aannemelijk gemaakt. Uit de door [appellant sub 1] overgelegde stukken volgt niet dat de woonsituatie de oorzaak is van de psychiatrische problemen of de psychiatrische problemen verergert. Weliswaar volgt uit die informatie dat een vaste woon- of verblijfplaats zal bijdragen aan het verminderen van de aanvallen die een psychogene oorzaak hebben en aan het welslagen van een behandeling, maar dit maakt niet dat de psychiatrische klachten voortkomen uit de woonsituatie. Nu [appellant sub 1] in hoger beroep niet het medisch advies met objectieve gegevens bestrijdt, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij om medische redenen voor urgentie in aanmerking komt

7.3.    Het betoog faalt.

Conclusie

8.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Van Deventer-Lustberg

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2019

587.