Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:73

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
201801847/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:278, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2017 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801847/1/A3.

Datum uitspraak: 16 januari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 januari 2018 in zaak nr. 17/4278 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de minister voor Rechtsbescherming.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2017 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) afgewezen.

Bij besluit van 7 juli 2017 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 januari 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.T. Pel, advocaat te Hattem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. Trijsburg, zijn verschenen.

Overwegingen

    Wet- en regelgeving

1.    De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

    Inleiding

2.    [appellant] heeft op 8 december 2016 een aanvraag ingediend om afgifte van een VOG om vrijwilligersactiviteiten te kunnen uitvoeren ter ondersteuning in de keuken en het restaurant bij verpleeg- en verzorgingshuis Gerardus Majella, onderdeel van de Zorggroep Sint Maarten te Dinkelland. Bij de beoordeling van de aanvraag zijn de criteria toegepast die zijn gepubliceerd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (hierna: de beleidsregels). De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen en de afwijzing in bezwaar gehandhaafd. Aan het besluit op bezwaar van 7 juli 2017 heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat binnen de terugkijktermijn van vier jaar en vier maanden in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS) op naam van [appellant] is geregistreerd dat hij in aanraking is gekomen met Justitie. In het JDS staat vermeld dat [appellant] op 30 december 2015 is veroordeeld wegens diefstal met geweldpleging tot een werkstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis en een maatregel tot schadevergoeding is opgelegd van €150,00, op 20 januari 2015 in eerste aanleg is veroordeeld wegens twee gevallen van bedreiging tot een gevangenisstraf van tien maanden waarvan zes voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en tot slot op 15 oktober 2013 is veroordeeld wegens mishandeling tot een werkstraf van 40 uur subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een maatregel tot schadevergoeding is opgelegd van €416,19. De terugkijktermijn is met vier maanden verlengd, omdat [appellant] een vrijheidsstraf heeft uitgezeten vanaf 28 juli 2014 tot 1 december 2014.

3.    [appellant] betoogt dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn beroep ter zitting bij de rechtbank toe te lichten. Hij heeft tweemaal verzocht om uitstel van de zitting. De rechtbank wees dit verzoek per brief van 7 november 2017 af en heeft daarbij gesteld dat alleen in uitzonderlijke gevallen uitstel wordt verleend. Daarmee handelt de rechtbank in strijd met het Procesregelement bestuursrecht 2017, het aanwezigheidsrecht en het recht op rechtsbijstand ter zitting ingevolge artikel 18 van de Grondwet en artikel 6 van het EVRM, aldus [appellant].

3.1.    De griffier heeft per brief van 23 oktober 2017 de zitting van 11 december 2017 aangekondigd en verzocht om verhinderdata. Gemachtigde heeft per brief van 30 oktober 2017 tijdig verhinderdata doorgegeven aan de rechtbank en verzocht om uitstel van de zitting van 11 december 2017. Het verzoek bevatte echter alleen de verhinderdata. In het verzoek werd niet gemotiveerd waarom gemachtigde verhinderd was op de geplande zittingsdatum. Het verzoek voldeed daarmee niet aan de eisen aan een verzoek om uitstel van de zitting ingevolge artikel 2.13, eerste lid, van het Procesreglement bestuursrecht 2017. Gemachtigde heeft niet aan de motiveringsplicht voldaan door alleen de verhinderdata op te noemen. De griffier heeft gemachtigde per brief van 7 november 2017 laten weten dat het verzoek om uitstel is afgewezen omdat een reden voor uitstel in het verzoek ontbrak. Gemachtigde heeft per brief van 7 december 2017, een maand na het bericht van afwijzing en vier dagen voor de zittingsdatum van 11 december 2017, aangegeven zich niet te kunnen vinden in de afwijzing van het verzoek, omdat hij op 11 december 2017 de hele dag aanwezig moest zijn bij een beroepscursus. Die reden had gemachtigde echter reeds in de brief van 30 oktober 2017 moeten vermelden. De rechtbank mocht zich daarom op het standpunt stellen dat geen aanleiding bestond om tot uitstel van de zitting over te gaan. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat pas een maand na de afwijzing én vier dagen voor de zitting is gereageerd op de afwijzing van het verzoek. Derhalve is de afwijzing van het verzoek om uitstel niet in strijd met artikel 18 van de Grondwet en artikel 6 van het EVRM. Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat een wettelijke basis voor de behandeling van de VOG-aanvraag ontbreekt. Uit paragraaf 2.1, aanhef en onder b en onder 2, van de beleidsregels volgt dat een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager in ieder geval noodzakelijk is wanneer het doel van de aanvraag voor een VOG ziet op het bestendigen dan wel aangaan van een al dan niet betaalde werkrelatie. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de wettelijke basis niet ontbreekt en in zijn geval kan worden gesproken van een werkrelatie. Hij zou de keuken en het restaurant namelijk als vrijwilliger ondersteunen en dit betreft slechts een dagbesteding met als doel zijn sociale leven positief te ontwikkelen. In de wens van Zorggroep Sint Maarten om vanwege beleidsmatige redenen om een VOG te vragen, kan geen aanleiding worden gevonden om te oordelen dat een VOG noodzakelijk was om een risico voor de samenleving te beperken, aldus [appellant].

4.1.    De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat een VOG niet noodzakelijk was om een risico voor de samenleving te beperken. Het doel van de VOG-aanvraag is gelegen in het willen uitvoeren van ondersteunende activiteiten in het restaurant en de keuken van verpleeg- en verzorgingshuis Gerardus Majella. Gezien het feit dat [appellant] gedurende de activiteiten regelmatig contact zou krijgen met kwetsbare oudere personen, mochten de Zorggroep Sint Maarten en de staatssecretaris zich op het standpunt stellen dat een onderzoek naar zijn gedrag in het kader van de VOG-aanvraag noodzakelijk was om een risico voor de samenleving te beperken. Daaraan doet niet af het betoog van [appellant] dat de ondersteunende activiteiten niet aangemerkt kunnen worden als vrijwilligerswerk en geen sprake was van een werkrelatie. Gelet op het gebruik van de woorden ‘in ieder geval’ in de bepaling volgt de Afdeling de staatssecretaris waar hij stelt dat paragraaf 2.1, aanhef en onder b en onder 1, 2 en 3, van de beleidsregels geen limitatieve opsomming geeft van gevallen waarin een onderzoek naar het gedrag noodzakelijk is om een risico voor de samenleving te beperken. Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte oordeelt dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aan het subjectieve criterium is voldaan. Paragraaf 3.3.1 van de beleidsregels geeft aan welke omstandigheden altijd in de beoordeling betrokken moeten zijn, te weten de afdoening van de zaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom uit de wijze van afdoening van de zaken volgt dat de ernst van de strafbare feiten niet gering is. De pleegdatum en niet de datum van de rechterlijke uitspraak in eerste aanleg had bepalend moeten zijn voor het vaststellen van het tijdsverloop. Gezien ook de overige omstandigheden van het geval kon niet zonder meer geoordeeld worden dat het tijdsverloop tot weigering van de afgifte van de VOG moest leiden. Wat betreft de hoeveelheid antecedenten heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris gevolgd moet worden in het oordeel dat de kans op recidive aanwezig is. De rechtbank gaat er in het geheel aan voorbij dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 27 januari 2017 heeft overwogen dat [appellant] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat het in het belang van de maatschappij is om deze positieve wending in zijn leven niet ongedaan te maken, aldus [appellant].

5.1.    Op grond van paragraaf 3.3 van de beleidsregels kan de minister oordelen dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Op 15 oktober 2013 is [appellant] veroordeeld wegens mishandeling, op 20 januari 2015 is hij veroordeeld wegens twee gevallen van bedreiging en op 30 december 2015 is hij veroordeeld wegens diefstal met geweldpleging. Het bij de rechtbank bestreden besluit dateert van 7 juli 2017. Verder is hij tussen 2006 en 2008 meermaals met justitie in aanraking gekomen in verband met onder meer mishandeling onder strafverzwarende omstandigheden, diefstallen en bedreigingen. Gelet op de frequentie van de strafbare feiten en de relatief korte tijd die is verstreken sinds de twee veroordelingen uit 2015, heeft de staatssecretaris zich op grond van voornoemde feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het besluit van 7 juli 2017 in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat tot afgifte van de VOG moet worden overgegaan op basis van het subjectieve criterium. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] te maken zou krijgen met kwetsbare personen gedurende zijn ondersteunende activiteiten in de keuken en het restaurant. Zelfs indien rekening gehouden zou worden met het tijdsverloop tussen pleegdata en het bestreden besluit, geldt dat de periode tussen de diefstal met geweldpleging op 19 december 2015 en het besluit van 7 juli 2017 betrekkelijk kort is. Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Derhalve is er geen aanleiding om het verzoek tot schadevergoeding toe te wijzen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2019

176-898. BIJLAGE

Procesreglement bestuursrecht 2017

Artikel 2.13

1. De griffier kan partijen bij wijze van aankondiging mededelen wanneer de zitting plaatsvindt. Een verzoek om een andere datum kan uitsluitend worden ingewilligd indien:

- dit verzoek is gemotiveerd;

- verhinderdata binnen een periode van twee weken voor tot zes weken na de geagendeerde zittingsdatum worden vermeld; en

- het verzoek binnen een week na verzending van de aankondiging is ingediend.

[…]

Beleidsregels VOG-NP-RP 2013

Paragraaf 2.1

Het COVOG neemt een aanvraag om afgifte van de VOG in behandeling onder de voorwaarden dat:

a. voldaan is aan de vereisten die de Algemene wet bestuursrecht stelt aan het in behandeling nemen van een aanvraag en

b. een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager noodzakelijk is om, gelet op het doel van de aanvraag, een risico voor de samenleving te beperken.

Met betrekking tot de onder b genoemde voorwaarde geldt ten aanzien van de VOG-NP dat een onderzoek naar het gedrag van de aanvrager in ieder geval noodzakelijk is indien:

1. de VOG wettelijk is voorgeschreven. Indien de aanvrager zich erop beroept dat een VOG verplicht is voorgeschreven op grond van buitenlandse wet- of regelgeving, dient de aanvrager het wettelijke vereiste altijd aan te tonen.

2. het doel van de aanvraag voor een VOG ziet op het bestendigen dan wel aangaan van een al dan niet betaalde werkrelatie, het aanvragen van een visum of op emigratie.

3. een eenmanszaak door een rechtspersoon wordt gevraagd een VOG te overleggen voor het aangaan van een zakelijke overeenkomst met deze rechtspersoon.

[…]

Paragraaf 3.3.

Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

[…]

Paragraaf 3.3.1.

Het subjectieve criterium ziet op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:

- de afdoening van de strafzaak;

- het tijdsverloop;

- de hoeveelheid antecedenten.

[…]