Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:721

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201802974/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:1183, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2017 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een uitweg op het perceel [locatie] te Amstelveen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802974/1/A1.

Datum uitspraak: 6 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amstelveen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2018 in zaak nr. 17/4847 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2017 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een uitweg op het perceel [locatie] te Amstelveen.

Bij besluit van 29 juni 2017 heeft het college de door [partij A], [partij B] en [partij C] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 31 januari 2017 herroepen en alsnog geweigerd om aan [appellant] de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

Bij uitspraak van 1 maart 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en [partij A], [partij B] en [partij C] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Bijlsma, advocaat te Almere, vergezeld door [persoon] en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Meyer, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] woont aan de [locatie] in Amstelveen en wenst een uitweg van zijn perceel naar de openbare weg aan te leggen zodat hij dicht bij zijn woning zijn auto kan parkeren. Volgens [appellant] is de uitweg nodig omdat hij een oplaadpunt voor zijn elektrische auto op eigen perceel wenst te realiseren. Ook kunnen zijn kleine kinderen dan op een verkeersveiliger manier in en uit de auto stappen. Langs beide zijden van de Wedderborg bevinden zich openbare parkeerstroken parallel aan het trottoir, waar onder meer de bewoners aan de Weddeborg hun auto kunnen parkeren.

    Het college heeft geweigerd de gevraagde vergunning te verlenen omdat de uitweg in strijd met artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amstelveen (hierna: APV) zonder noodzaak ten koste zal gaan van de openbare parkeerplaatsen aan de Wedderborg.

2.    Artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV luidt: "In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats."

3.    Het college heeft ter invulling van artikel 2:12 van de APV de "Beleidsregel maken en veroorzaken van een uitweg op basis van artikel 2:12 van de APV" (hierna: de beleidsregel) vastgesteld. Deze luidde ten tijde van het besluit van 29 juni 2017, voor zover van belang:

" Een in-/uitrit bij een woning is toegestaan indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(…)

-- een in-/uitrit dient aan de straatzijde minimaal 4 meter breed te zijn;

-- de aanleg van een in-/uitrit mag niet ten koste gaan van openbaar groen;

-- de in-/uitrit mag niet ten koste gaan van meer dan één openbare parkeerplek;

(…)"

4.    Het college heeft in bezwaar alsnog de omgevingsvergunning geweigerd te verlenen wegens strijd met artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV. Volgens het college komt door de aanleg van de uitweg een openbare parkeerplaats te vervallen en bestaat er geen noodzaak voor de aanleg van de uitweg. Het college heeft de beleidsregel buiten toepassing gelaten omdat deze in strijd is met de APV waar deze stelt dat een uitweg is toegestaan indien deze niet ten koste gaat van meer dan één openbare parkeerplek.

Toepasselijke regelgeving

5.    De relevante regelgeving is als bijlage bij deze uitspraak gevoegd, behalve voor zover de regelgeving in de uitspraak is opgenomen.

Grondslag bezwaarschrift

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij het besluit op bezwaar van 29 juni 2017 de grondslag van de bezwaarschriften heeft verlaten. Volgens [appellant] is in de bezwaarschriften niet aangevoerd dat de beleidsregel in strijd is met artikel 2:12 APV.

6.1.    Hetgeen [appellant] hierover heeft aangevoerd, vormt louter een herhaling van gronden die hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is daarop in de uitspraak uitdrukkelijk ingegaan en [appellant] heeft in hoger beroep niet uiteengezet waarom de desbetreffende overwegingen van de rechtbank onjuist, dan wel onvolledig zijn. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond om de aangevallen uitspraak te vernietigen.

    Het betoog faalt.

Behoud openbare parkeerplaats

7.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond dat de aanleg van een uitweg niet ten koste zal gaan van een openbare parkeerplaats niet inhoudelijk heeft besproken. Volgens [appellant] concludeert de rechtbank ten onrechte dat hij deze beroepsgrond ter zitting heeft ingetrokken. De openbare parkeerplaats kan volgens [appellant] behouden blijven en derhalve doet zich geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2:12 APV voor. Ter onderbouwing van dit betoog verwijst hij naar het rapport van Bureau Schoorstra Verkeerskundig Advies van 7 mei 2018 (hierna: het rapport). In dit rapport is voorgesteld een alternatieve indeling van de parkeerstrook te hanteren zodat geen parkeerplaatsen verloren gaan, de naastgelegen boom niet hoeft te worden verwijderd en er een uitweg wordt gemaakt van 3,75 m breed.

7.1.    Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank blijkt dat [appellant] niet betwist dat de uitrit in de aangevraagde situatie ten koste gaat van één openbare parkeerplaats. De Afdeling heeft geen reden voor twijfel aan de juistheid van het proces-verbaal, ook omdat [appellant] zich verder op het standpunt stelt dat een vergunning op grond van de beleidsregel pas wordt geweigerd indien meer dan één parkeerplaats vervalt. Het college is er terecht van uitgegaan dat in de aangevraagde situatie de uitweg ten koste gaat van één openbare parkeerplaats. In de bij de aanvraag behorende situatietekening is de uitweg immers voorzien op een gedeelte van een openbare parkeerplaats. Realisatie van de uitweg volgens de aanvraag brengt met zich dat een openbare parkeerplaats verloren gaat. Het college heeft in een reactie op het rapport, kort samengevat, gesteld dat de alternatieve uitweg dit niet naders maakt omdat deze niet voldoet aan de minimale breedte van 4 m die een uitweg volgens de beleidsregel vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid dient te hebben. Ter zitting heeft de opsteller van het rapport van 7 mei 2018 erkend dat het voorgestelde alternatief op dit punt niet voldoet aan de beleidsregel. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het door [appellant] voorgestelde alternatief op grond van de beleidsregel niet toelaatbaar is en dat met de aangevraagde uitweg een openbare parkeerplaats verloren gaat. Dat, naar [appellant] stelt, op grond van de richtlijnen van de CROW een uitweg met een breedte van 3,75 m wel is toegestaan, wat daar ook van zij, doet hieraan niet af. Het college heeft te handelen naar zijn eigen beleidsregel en heeft de maatvoering van de CROW niet aan zijn beleid ten grondslag gelegd. In hetgeen [appellant] stelt, bestaat voorts geen grond om aan te nemen dat het college wegens bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van de beleidsregel op dit punt.    

    Het betoog faalt.

Beleidsregel

8.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omgevingsvergunning diende te worden geweigerd omdat een openbare parkeerplaats verloren gaat met de aanleg van de uitweg. Hij stelt dat het college de ten tijde van het besluit van 29 juni 2017 geldende beleidsregel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. Op grond van de beleidsregel is een uitweg volgens [appellant] toegestaan nu bij de aanleg van de uitweg hoogstens één openbare parkeerplek verloren gaat.

8.1.    Op grond van artikel 2:12 APV wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats. De beleidsregel bepaalt dat de uitweg niet ten koste mag gaan van meer dan één openbare parkeerplaats. De beleidsregel had ten tijde van het besluit van 29 juni 2017 derhalve een ruimere strekking dan artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV. Het in de toenmalige beleidsregel neergelegde beleid strekte er toe dat alleen werd beoordeeld of de uitweg niet ten koste zou gaan van twee of meer parkeerplaatsen. Daarmee werd er aan voorbij gegaan dat een vergunning op grond van artikel 2:12, tweede lid, onder b, APV ook moet worden geweigerd als er door de aanleg van een uitweg één parkeerplaats zonder noodzaak vervalt. De beleidsregel is op dit onderdeel dan ook in strijd met artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV. Gelet op het imperatieve karakter van de in artikel 2:12, tweede lid, van de APV neergelegde weigeringsgronden dient een uitwegvergunning in beginsel op grond van artikel 2.18 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) te worden geweigerd indien één van die gronden zich voordoet. De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de beleidsregel zich in zoverre niet verdraagt met artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV en dat het college de beleidsregel terecht buiten toepassing heeft gelaten.

    Het betoog faalt.

9.    Nu [appellant] in zijn hogerberoepschrift geen gronden heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen noodzaak voor de uitweg bestaat, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er een weigeringsgrond aan de orde is.

Gelijkheidsbeginsel

10.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Hij wijst in zijn hogerberoepschrift op de Hillenraad 41 te Amstelveen waar het college wel een uitwegvergunning heeft verleend, terwijl het volgens hem om hetzelfde type woning en dezelfde situatie gaat als in zijn geval.

10.1.    Het college heeft toegelicht dat de aanleg van een uitweg aan de Hillenraad 41 niet ten koste is gegaan van een openbare parkeerplaats omdat deze tegelijk met de bouw van de woning is gerealiseerd. Bovendien past de uitweg binnen het toetsingskader voor uitwegen van de destijds geldende APV, aldus het college. [appellant] heeft die toelichting niet weersproken. De Afdeling volgt het college in zijn standpunt dat het niet gaat om een vergelijkbaar geval. De eerst ter zitting van de Afdeling genoemde uitweg aan Sterkenburg 8 is zo laat aangevoerd dat het college daarop niet inhoudelijk heeft kunnen reageren. De Afdeling laat het beroep op het gelijkheidsbeginsel, voor zover dat ziet op deze situatie, daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

Conclusie

11.    Concluderend heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college terecht de gevraagde omgevingsvergunning heeft geweigerd.

12.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2019

414-908.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

    Artikel 2.2:

1. Voor zover ingevolge een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:

(…)

e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.

(..)

geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteit bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

    Artikel 2.18:

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amstelveen

    Artikel 1:8: Weigeringsgronden:

1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

(…)

    Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg:

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b. indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

(…)