Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:715

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201806366/1/A2 en 201806343/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:4708, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] voor het jaar 2011 definitief vastgesteld op nihil en een bedrag van € 2.382,00 van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806366/1/A2 en 201806343/1/A2

Datum uitspraak: 6 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 22 juni 2018 in zaken nrs. 17/5161 en 17/5556 in de gedingen tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] voor het jaar 2011 definitief vastgesteld op nihil en een bedrag van € 2.382,00 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 5 augustus 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 augustus 2015 vernietigd en de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 21 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen opnieuw op het door [appellante] tegen het besluit van 8 juni 2015 gemaakte bezwaar beslist en dat bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld (201806343/1/A2).

Bij besluit van 3 januari 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om bij de berekening van de huurtoeslag over 2011 met bijzonder inkomen rekening te houden afgewezen.

Bij besluit van 25 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakt bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld (201806366/1/A2).

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 10 januari 2019, waar [appellante], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken zijn verschenen.

Overwegingen

Het wettelijk kader

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

De huurtoeslag over 2011

2.    [appellante] huurde in 2011 een woning aan de [locatie] te Maassluis. De Belastingdienst/Toeslagen heeft haar voor de huur van deze woning voorschotten huurtoeslag toegekend. Bij het besluit van 8 juni 2015, gehandhaafd bij het besluit van 5 augustus 2015, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] voor het jaar 2011 definitief vastgesteld op nihil en een bedrag van € 2.382,00 van haar teruggevorderd. Aan deze nihilstelling heeft de dienst ten grondslag gelegd dat het gezamenlijk inkomen van [appellante] en haar toenmalige echtgenoot, [persoon], in dat jaar te hoog was om in aanmerking te komen voor huurtoeslag.

    Omdat de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om aanvullende gronden van bezwaar in te dienen en zij in bezwaar niet door de dienst is gehoord, heeft de rechtbank in haar uitspraak van 21 december 2016 het door [appellante] tegen het besluit van 5 augustus 2015 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de Belastingdienst/Toeslagen opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Bij het besluit van 21 juli 2017 heeft de dienst, ter uitvoering van deze uitspraak, het bezwaar van [appellante] onder een aanvullende motivering opnieuw ongegrond verklaard.

Het buiten beschouwing laten van een nabetaling van inkomsten

3.    [appellante] heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om bij de berekening van de huurtoeslag over 2011 met een zogenoemd bijzonder inkomen rekening te houden. De ex-echtgenoot van [appellante] heeft een nabetaling van inkomsten ten bedrage van € 33.749,04 ontvangen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Bij het besluit van 3 januari 2017, gehandhaafd bij het besluit van 25 juli 2017, heeft de dienst dit verzoek afgewezen. Aan de afwijzing van dit verzoek is ten grondslag gelegd dat de door [persoon] ontvangen nabetaling van inkomsten niet buiten beschouwing kan worden gelaten. De in 2011 ontvangen nabetaling heeft betrekking op de periode 29 juni 2006 tot 1 december 2010 en bedraagt gemiddeld meer dan € 2.300,00 per jaar. Een zodanige nabetaling van inkomsten kan, gelet op artikel 2b, tweede lid, van het Besluit op de huurtoeslag slechts buiten beschouwing worden gelaten indien het nadeel nu groter is dan het nadeel in de voorgaande jaren zou zijn geweest als het betrokken bedrag niet zou zijn nabetaald. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen is dit hier niet het geval. Het door [appellante] gedane beroep op de zogenoemde 10%-regeling, neergelegd in artikel 8, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), leidt niet tot een ander standpunt, nu deze regeling in dit geval toepassing mist, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

De aangevallen uitspraken

4.    De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de bepaling van de draagkracht, waarvan het recht op huurtoeslag afhankelijk is, terecht is uitgegaan van het verzamelinkomen zoals opgenomen in de aanslag inkomstenbelasting van [appellante] en haar toenmalige echtgenoot. Nu [appellante] en [persoon] tot 27 juni 2012 gehuwd zijn geweest en in 2011 dus geen sprake is geweest van beëindiging van het partnerschap tussen beiden, heeft de Belastingdienst/Toeslagen terecht geen toepassing gegeven aan de 10%-regeling zoals bepaald in artikel 8, derde lid, van de Awir, aldus de rechtbank.

De hoger beroepen

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het in de basisregistratie personen (hierna: brp) geregistreerde gegeven dat de ex-echtgenoot van [appellante] zich met ingang van 16 februari 2012 heeft uitgeschreven van het adres van [appellante], niet overeenkomt met de werkelijkheid, nu hij al veel eerder was vertrokken. Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht geen toepassing heeft gegeven aan de hiervoor genoemde 10%-regeling.

6.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen [persoon], op grond van artikel 3, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 5a, eerste lid, aanhef en onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr), terecht als de toeslagpartner van [appellante] heeft aangemerkt. Vaststaat immers dat zij in de periode van 1 juni 1995 tot 27 juni 2012 waren gehuwd. Voor zover [appellante] betoogt dat [persoon] ten onrechte als haar toeslagpartner is aangemerkt omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5a, vierde lid, van de Awr, wordt dit niet gevolgd. De stelling van [appellante] dat de inschrijving in de brp onjuist is en dat [persoon] in de periode in geding niet op haar woonadres verbleef, is niet gestaafd met gegevens uit een objectieve bron. Dat het moeilijk is om in Rotterdam woonruimte te vinden waarbij inschrijving in de brp mogelijk is, is daarvoor onvoldoende. Dit geldt eveneens voor de omstandigheid dat er, zoals [appellante] ter zitting heeft toegelicht, sprake was van huwelijksproblemen. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank dan ook terecht overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen ter bepaling van de draagkracht van [appellante], waarvan het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk is, terecht is uitgegaan van het verzamelinkomen zoals opgenomen in de aanslag inkomstenbelasting van [appellante] en [persoon]. Nu [appellante] de hoogte van het verzamelinkomen niet heeft betwist, heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich in beginsel terecht op het standpunt gesteld dat zij geen aanspraak heeft op huurtoeslag over het jaar 2011.

7.    Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht geen toepassing heeft gegeven aan de in artikel 8, derde lid, van de Awir neergelegde 10%-regeling, wordt evenmin gevolgd. Nu vaststaat dat [appellante] en [persoon] in de periode in geding gehuwd waren en [persoon] op hetzelfde woonadres als [appellante] verbleef, is geen sprake van beëindiging van partnerschap, hetgeen een vereiste is voor toepassing van de 10%-regeling.

8.    De betogen falen.

Conclusie

9.    De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2019

97-854.

Besluit op de huurtoeslag

Artikel 2b

1. Op verzoek blijven bij de toepassing van artikel 7, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor zover het betreft het toekennen van een huurtoeslag, de navolgende bestanddelen van het toetsingsinkomen buiten beschouwing:

a. afkoopsommen van ouderdoms- of nabestaandenpensioen die in het berekeningsjaar niet meer bedragen dan het bedrag dat is opgenomen in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet en artikel 78, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

b. nabetalingen van inkomsten als bedoeld in afdeling 3.3 en 3.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

c. wezenuitkeringen die met toepassing van artikel 49 van de Algemene nabestaandenwet aan een ander dan de wettelijke vertegenwoordiger van het kind betaalbaar zijn gesteld;

d. afkoopsommen op grond van de Liquidatiewet ongevallenwetten;

e. verhogingen op grond van artikel 10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 2:51 of 3:9 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of artikel 22 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering voorzover het bedrag van de verhoging niet hoger is dan het in artikel 6.20, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde drempelbedrag voor uitgaven voor specifieke zorgkosten.

2. Indien sprake is van een nabetaling die over de berekeningsjaren waarop deze nabetaling betrekking heeft gemiddeld meer dan € 2300 per jaar bedraagt, vindt het eerste lid, onderdeel b, uitsluitend toepassing indien over de berekeningsjaren waarop de nabetaling betrekking heeft minder huurtoeslag zou worden genoten dan indien de betrokken inkomsten niet als nabetaling zouden zijn uitbetaald.

[…].

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 3

1. Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.

[…].

Artikel 8 (Geldend van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011)

[…]

3. Indien zulks leidt tot een ten minste 10 percent lager toetsingsinkomen, wordt bij beëindiging van het partnerschap in het berekeningsjaar, in afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid, op verzoek van de belanghebbende bij de berekening van het toetsingsinkomen van de partner:

a. geen rekening gehouden met:

1°. belastbaar loon dat is genoten na de beëindiging van het partnerschap;

2°. winst uit een onderneming die na de beëindiging van het partnerschap is gestart; en

3°. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden indien de werkzaamheden na beëindiging van het partnerschap zijn gestart;

b. het belastbare loon dat in de periode van partnerschap is genoten tijdsevenredig herleid naar een jaarloon.

4 Bij beëindiging van het medebewonerschap in het berekeningsjaar is het derde lid van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het toetsingsinkomen van de medebewoner.

[…].

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 5

1. Als partner wordt aangemerkt:

a. de echtgenoot;

[…]

4. In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt ingeval:

a. een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk 169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en

b. hij niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige.

[…].