Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201801798/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2018 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Uilennest (wijk 75) te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801798/1/A1.

Datum uitspraak: 6 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Vereniging van Eigenaren van Ary Schefferstraat 127 tot en met 141, gevestigd te Den Haag (hierna: de Vereniging),

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2018 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Uilennest (wijk 75) te Den Haag.

Tegen dit besluit heeft de Vereniging beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2018, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door S.E. el Boustati, vergezeld door ing. R. van Koevorden, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Het bij besluit van 20 februari 2018 vastgestelde plaatsingsplan voorziet onder meer in de plaatsing van twee ORAC’s in de middenberm tussen de twee rijbanen van de Ary Schefferstraat ter hoogte van het pand op nummer 141 (locatie 75-24A; hierna: de locatie). De locatie bevindt zich nabij de woningen van leden van de Vereniging. De Vereniging kan zich niet met het aanwijzen van deze locatie verenigen.

Geschiktheid locatie

2.    Bij de keuze voor een locatie voor ORAC’s dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Daarbij heeft het college beleidsruimte. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college al dan niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen. Daarbij wordt allereerst beoordeeld of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een ORAC. Als dat zo is, wordt vervolgens beoordeeld of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

2.1.    Bij de vaststelling van het plaatsingsplan heeft het college de randvoorwaarden, neergelegd in zijn stuk "Voorstel van het college inzake 4e Programma Ondergrondse Restafvalcontainers (ORAC’s): 1000 extra" met kenmerk RIS 280886 (hierna: de randvoorwaarden), gehanteerd. De randvoorwaarden houden in:

"- Loopafstand: De maximale loopafstand van perceel tot de container mag maximaal 75 meter bedragen, waarbij een uitloop naar maximaal 125 meter wordt gehanteerd. De maximale loopafstand van 125 meter kan gehanteerd worden wanneer geen andere locatie beschikbaar is of wanneer aan één van de onderstaande criteria meer recht kan worden gedaan. Wanneer er binnen de 125 meter geen locatie beschikbaar is kan het college onder bijzondere omstandigheid besluiten hiervan af te wijken.

- Parkeren: het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt.

- Bomen: zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.

- Ondergrondse infrastructuur: zo min mogelijk omleggen van reeds aanwezige kabels, leidingen en riolering.

- Overige obstakels: zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM-masten en bovenleidingen.

- Bereikbaarheid leegwagen: De leegwagen moet voldoende ruimte hebben om de ORAC’s te kunnen legen.

- Veiligheid: Bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden."

2.2.    De Vereniging betoogt dat het college niet in redelijkheid tot de aanwijzing van de locatie had kunnen overgaan, omdat de locatie ongeschikt is. Zij voert aan dat plaatsing van de ORAC’s leidt tot een verslechtering van het straatbeeld, omdat de groenstrook daarmee wordt ontsierd. Zij wijst erop dat verder in de wijk geen ORAC’s in groenstroken zijn voorzien.

2.3.    De Afdeling stelt voorop dat in de randvoorwaarden niet is opgenomen dat het straatbeeld niet mag worden aangetast of dat ORAC’s niet in een groenstrook geplaatst mogen worden. Dit laat onverlet dat het college de daarmee gemoeide belangen bij de belangenafweging kan betrekken.

    Het college heeft, zo volgt uit de Nota van Antwoord, die onderdeel uitmaakt van het besluit, in de gestelde gevolgen voor het straatbeeld geen aanleiding gezien de locatie niet aan te wijzen. Daartoe heeft het college van belang geacht dat de ORAC’s grotendeels onder de grond worden geplaatst en dat de hoogte van het bovengrondse gedeelte ongeveer 1 m bedraagt. Verder heeft het college te kennen gegeven dat het plaatsen van ORAC’s in groen(stroken) niet de voorkeur heeft, maar dat in dit specifieke geval gekozen is om dit wel te doen, omdat dan geen parkeerplaatsen verloren gaan.

    Het zoveel mogelijk behouden van parkeerplaatsen is één van de randvoorwaarden. Als er al gevolgen zijn voor het straatbeeld, dan zullen deze, gelet op de geringe omvang van het bovengrondse deel van de ORAC’s, beperkt zijn. Gelet op de gegeven motivering heeft het college in de  gevolgen voor het straatbeeld geen aanleiding hoeven zien de locatie niet aan te wijzen. Dat er in de wijk geen andere ORAC’s in een groenstrook zijn voorzien, wat daar ook van zij, doet daar niet aan af.

    Het betoog faalt.

Alternatieve locaties

3.    De Vereniging betoogt dat het college de locatie niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen, nu er geschikte alternatieve locaties voorhanden zijn. Daarbij wijst zij in de eerste plaats op een locatie nabij de inrit van de garage tegenover het pand aan de Ary Schefferstraat 145. Volgens de Vereniging maakt de aanwezigheid van een rioolleiding de locatie niet ongeschikt. Bij de door het college aangewezen locatie 75-21A ligt immers ook een leiding, zo stelt zij.

    De Vereniging wijst verder op de mogelijkheid om de twee ORAC’s elk op een andere locatie te plaatsen. Volgens de Vereniging kan één van de ORAC’s geplaatst worden nabij het pand aan de Van Trigtstraat 2 en de andere ORAC op de stoep bij de kruising van de Laan van Clingendael en de Ary Schefferstraat. Gelet op de lage frequentie en de korte duur van het ledigen, ontstaat er, anders dan waarvan het college uitgaat, geen verkeersonveilige situatie bij het ledigen van een ORAC op de laatstgenoemde locatie, zo stelt zij. Bovendien kan die ORAC geledigd worden vanaf de verkeersluwe parallelle rijstrook van de Laan van Clingendael, aldus de Vereniging.

3.1.    Uit de Nota van Antwoord naar aanleiding van de ingediende zienswijzen volgt dat het college niet heeft gekozen voor de locatie nabij de inrit van de garage tegenover Ary Schefferstraat 145 vanwege de aanwezigheid van een rioolleiding. Ter zitting heeft het college toegelicht dat deze rioolleiding de plaatsing van een ORAC weliswaar niet feitelijk geheel onmogelijk maakt, maar dat het plaatsen van een ORAC op die locatie onwenselijk is, omdat er een risico bestaat dat de aanwezige rioolleiding en datakabels bij het plaatsen van een ORAC beschadigd raken. Het college heeft ter zitting hieraan toegevoegd dat de voorgestelde locatie niet in het midden tussen de woningen van de leden van de Vereniging en de panden tegenover hen is gelegen. Weliswaar wordt de afstand tussen de woningen van de leden van de Vereniging tot de ORAC’s daarmee vergroot, maar dat betekent ook dat de ORAC’s dichter bij de andere woningen komt te staan en dat acht het college minder wenselijk. Het college heeft zich gelet op de gegeven motivering in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangedragen alternatieve locatie niet geschikter is voor de plaatsing van een ORAC dan locatie 75-24A.

    Wat betreft het genoemde alternatief om de twee ORAC’s elk op een andere locatie te plaatsen, heeft het college ter zitting toegelicht dat het niet wenselijk is om de twee ORAC’s op verschillende locaties te plaatsen, omdat de ledigingswagen in dat geval twee keer moet stoppen om de ORAC’s te ledigen. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college het door de Vereniging voorgestelde alternatief in redelijkheid geschikter had moeten achten dan locatie 75-24A.

    Gelet op het voorgaande heeft het college in de gestelde alternatieven geen reden hoeven vinden om af te zien van aanwijzing van de locatie.

    Het betoog faalt.

Procedure

4.    Voor zover de Vereniging betoogt dat het college ten onrechte niet met de plaatsing van de ORAC’s heeft gewacht tot de beroepsprocedure is afgerond, overweegt de Afdeling dat de plaatsing van de ORAC’s de uitvoering van het besluit van het college betreft en niet het besluit zelf. In het aangevoerde bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het college het besluit niet in redelijkheid heeft kunnen nemen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2019

414-884.