Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:711

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201806437/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:3249, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2017 heeft de RDW de tenaamstelling in het kentekenregister van de personenauto met kenteken […] (hierna: het motorrijtuig) op de naam van [appellant] met ingang van die dag vervallen verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806437/1/A2.

Datum uitspraak: 6 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 juli 2018 in zaak nr. 18/1508 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2017 heeft de RDW de tenaamstelling in het kentekenregister van de personenauto met kenteken […] (hierna: het motorrijtuig) op de naam van [appellant] met ingang van die dag vervallen verklaard.

Bij besluit van 23 februari 2018 heeft de RDW het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juli 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2019, waar de RDW, vertegenwoordigd door I.J. Brouwer, is verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Motorrijtuigen waarvoor een kenteken is opgegeven dienen te zijn ingeschreven en tenaamgesteld in het kentekenregister. Het kentekenregister wordt beheerd door de RDW. Degene die naar zijn mening ten onrechte als tenaamgestelde in het kentekenregister is vermeld, kan de RDW op grond van artikel 40c van het Kentekenreglement (hierna: Kr) verzoeken de tenaamstelling te doen vervallen.

2.    Artikel 40c van het Kr luidt:

"1. […] De [RDW] verklaart de tenaamstelling vervallen indien hiervoor naar het oordeel van deze dienst voldoende gronden aanwezig zijn.

2. De tenaamstelling in het kentekenregister vervalt niet eerder dan op de dag waarop daartoe een verzoek bij deze dienst is ingediend.

3. In afwijking van het tweede lid kan de [RDW] in uitzonderlijke gevallen het vervallen van de tenaamstelling eerder laten ingaan."

3.    De RDW heeft de tenaamstelling van het motorrijtuig op verzoek van [appellant] vervallen verklaard. In geschil is de datum van de vervallenklaring.

    Oordeel van de rechtbank

4.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] pas bij brief van 3 augustus 2017 heeft verzocht om vervallenverklaring van de tenaamstelling en niet, zoals hij stelt, al bij e-mail van 30 juni 2016.

    De rechtbank heeft verder overwogen dat de RDW in redelijkheid heeft kunnen weigeren de tenaamstelling van het motorrijtuig met terugwerkende kracht vervallen te verklaren, omdat geen sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 40c, derde lid, van het Kr.

    Beoordeling van het hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank de e-mail van 30 juni 2016 ten onrechte niet heeft aangemerkt als een verzoek om vervallenverklaring. Dat verzoek is wellicht wat gebrekkig opgesteld, maar valt wel als zodanig te begrijpen. Indien dat niet het geval was, had het op de weg van de RDW gelegen hem om een nadere toelichting te vragen.

    [appellant] betoogt subsidiair dat sprake is van een uitzonderlijk geval. Hij heeft het motorrijtuig reeds in juli 2015 ingeruild bij een autobedrijf, maar wegens gebrek aan medewerking door dat bedrijf geen vrijwaringsbewijs voor het motorrijtuig ontvangen. Omdat hij met gezondheidsproblemen kampte, heeft hij zijn belangen niet adequaat kunnen behartigen. Het niet met terugwerkende kracht vervallen verklaren van de tenaamstelling heeft grote financiële gevolgen voor hem gehad. Omdat het motorrijtuig op zijn naam is blijven staan, is hij geconfronteerd met verschillende verkeersboetes en belastingaanslagen, aldus [appellant].

    Verzoek om vervallenverklaring

5.1.    In de e-mail van 30 juni 2016 staat: "Ik zou bij deze graag een bewijs van schorsing willen opvragen voor auto op kentekenbewijs : […]. Wegens een geschil met het sloopbedrijf dat mij de vrijwaring niet wilt verstrekken heb ik de auto noodgedwongen geschorst. Met als resultaat dat de verzekering ten onrechte nu 2 maanden verzekering wilt incasseren onterecht." De RDW heeft als reactie op dit verzoek bij brief van 30 juni 2016 medegedeeld dat uit het kentekenregister blijkt dat het voertuig per 28 januari 2016 als geschorst geregistreerd staat.

    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat uit de inhoud van deze e-mail niet kan worden afgeleid dat [appellant] hiermee, naast een bewijs voor een verzekeringskwestie dat het motorrijtuig is geschorst, tevens heeft beoogd een vervallenverklaring van de tenaamstelling aan te vragen. Daar komt bij dat [appellant], ook nadat hij de brief van 30 juni 2016 had ontvangen, niet aan de RDW te kennen heeft gegeven dat hij eveneens de tenaamstelling van het motorrijtuig vervallen wilde laten verklaren. De rechtbank heeft die e-mail daarom terecht niet als een zodanig verzoek aangemerkt.

    Het betoog faalt in zoverre.

    Uitzonderlijk geval

5.2.    Uit artikel 40c, tweede en derde lid, van het Kr vloeit voort dat in beginsel geen terugwerkende kracht toekomt aan besluiten die zijn genomen met toepassing van het eerste lid van dat artikel, maar dat in uitzonderlijke gevallen onjuiste gegevens ook met terugwerkende kracht kunnen worden gecorrigeerd. De RDW volgt bij de invulling van de hem daarbij toekomende beoordelingsruimte de nota van toelichting bij het Besluit van 26 november 2013, tot wijziging van het Kr (Stb. 2013, 523, blz. 45). Daarin staat dat artikel 40c, derde lid, is bedoeld voor gevallen waarin de geregistreerde op geen enkele manier deel heeft aan de tenaamstelling.

    De Afdeling heeft bij herhaling, onder meer in de door de rechtbank genoemde uitspraak van 11 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:14), overwogen dat dit beleid niet onredelijk is. De juistheid van het kentekenregister en de rechtszekerheid met betrekking tot de tenaamstelling rechtvaardigen dit beleid. Gebruikers van dat register, waaronder ook particulieren, moeten op elk moment aan de hand van de registratie kunnen bepalen wie op een bepaalde datum houder was van een voertuig, zonder dat zij erop bedacht behoeven te zijn dat die registratie in de toekomst wordt aangepast.

5.3.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de RDW in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd in redelijkheid geen aanleiding behoefde te zien om in dit geval terugwerkende kracht te verlenen aan de vervallenverklaring van de tenaamstelling. [appellant] had, juist gelet op de omstandigheid dat hij niet direct na de verkoop van het motorrijtuig een vrijwaringsbewijs van het autobedrijf had ontvangen, er niet van uit mogen gaan dat dat bedrijf voor de wijziging van de tenaamstelling had zorggedragen. Het had daarom op zijn weg gelegen de RDW zo snel mogelijk te verzoeken de tenaamstelling alsnog te doen vervallen (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2678, en 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:908). Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, blijkt uit de overgelegde stukken niet dat [appellant] reeds ten tijde van de verkoop van het motorrijtuig in 2015 psychische klachten had die hem hebben belet zijn belangen te behartigen.

    De nadelige financiële consequenties die voortvloeien uit de tenaamstelling in het kentekenregister zijn een gevolg van het feit dat [appellant] niet eerder een verzoek tot het vervallen verklaren van de tenaamstelling heeft ingediend. Verder heeft de RDW [appellant] erop gewezen dat de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie beide beleidsruimte hebben met betrekking tot het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het op naam hebben van een voertuig. Vanwege de nadelige financiële consequenties waarmee hij als gevolg van de tenaamstelling in het kentekenregister is geconfronteerd, had hij zich tot de desbetreffende instanties kunnen wenden om de door hem aangevoerde omstandigheden naar voren te brengen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1570).

    Gezien het voorgaande heeft de RDW zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 40c, derde lid, van het Kr voordoet.

    Het betoog faalt in zoverre eveneens.

    Eindoordeel

6.    De RDW heeft de tenaamstelling in het kentekenregister van het motorrijtuig terecht met ingang van 8 augustus 2017 vervallen verklaard.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P. Vermeulen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Vermeulen    w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2019

611.