Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:709

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201806005/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:3365, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] om herziening van de kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806005/1/A2.

Datum uitspraak: 6 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juni 2018 in zaak nr. 18/195 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellant] om herziening van de kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 afgewezen.

Bij besluit van 4 december 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2019, waar [appellant], vergezeld door zijn [echtgenote] en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] maakte in 2012 en 2013 voor zijn vier kinderen gebruik van gastouderopvang via [gastouderbureau]. Ten behoeve van deze opvang heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan hem voorschotten kinderopvangtoeslag verstrekt. Bij besluit van 28 maart 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2012 definitief berekend en op nihil vastgesteld en een bedrag van € 28.999,00 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 30 april 2014 heeft de dienst het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellant] over 2013 op nihil gesteld.

    Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] tegen de besluiten van 28 maart 2014 en 30 april 2014 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Het beroep dat [appellant] tegen dit besluit heeft ingesteld heeft de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift te laat is ingediend. Het door [appellant] tegen deze uitspraak gedane verzet heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

1.1.    Bij brief van 30 april 2017 heeft [appellant] de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om herziening van de kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013. Bij besluit van 5 augustus 2017, zoals gehandhaafd bij besluit van 4 december 2017, heeft de dienst dit verzoek afgewezen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [appellant] om herziening van de besluiten vraagt, maar daarbij geen nieuwe feiten aandraagt.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat de dienst zich terecht op dit standpunt heeft gesteld. [appellant] is het daar niet mee eens en vecht het oordeel van de rechtbank in hoger beroep aan.

Het hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte in stand heeft gelaten. Daartoe voert hij aan dat hij tot voor kort niet wist dat hij de kosten voor gastouderopvang over 2012 en 2013 uiterlijk binnen twee maanden na afloop van die berekeningsjaren moest voldoen of in die periode een betalingsregeling met het gastouderbureau had moeten treffen. Voorts stelt [appellant] zich op het standpunt dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door hem aantoonbaar betaalde kosten aan gastouderopvang over de jaren 2012 en 2013.

2.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellant] aan zijn herzieningsverzoek van 30 april 2017 geen feiten of omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, op grond waarvan de kinderopvangtoeslag over 2012 en 2013 moest worden herzien. Dat [appellant] tot voor kort niet wist dat hij de opvangkosten over 2012 en 2013 uiterlijk binnen twee maanden na afloop van die berekeningsjaren moest voldoen of een betalingsregeling met het gastouderbureau had moeten treffen, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Dit geldt ook voor de ter zitting ingenomen stelling van [appellant] dat hij door de Belastingdienst/Toeslagen en het gastouderbureau niet ambtshalve is geïnformeerd over deze voor de kinderopvangtoeslag geldende voorwaarden. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1936, is het de verantwoordelijkheid van de aanvrager van de kinderopvangtoeslag om steeds aan de daarvoor geldende voorwaarden te voldoen. [appellant] had zich dan ook van die voorwaarden op de hoogte moeten stellen. Het betoog van [appellant] dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door hem aantoonbaar betaalde opvangkosten over 2012 en 2013, leidt evenmin tot het oordeel dat de dienst zijn herzieningsverzoek had moeten honoreren. Dat hij aantoonbaar een deel van de opvangkosten heeft betaald, betekent niet dat hij aanspraak heeft op een evenredig lagere tegemoetkoming (zie de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3630).

    Het betoog faalt.     

Conclusie

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2019

97-854.