Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:708

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201802648/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2867, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 15 februari 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herziening regeling windturbines Agrarische gebieden" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/394
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201802648/2/R3.

Datum uitspraak: 6 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Appingedam,

en

de raad van de gemeente Appingedam,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2867, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak het daarin geconstateerde gebrek in het besluit van 15 februari 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herziening regeling windturbines Agrarische gebieden" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

De raad heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak het plan nader gemotiveerd.

[appellant] en Stichting De Groninger Poldermolens hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek

1.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling in overweging 5.4 het volgende overwogen: "In de plantoelichting en in de Reactienota zienswijzen is niet ingegaan op de gevolgen van de bestemmingswijzigingen van de dijk en de molen voor de privacy en het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Groeve WZ 26. De raad stelt slechts dat hij de gevolgen voor de omgeving beperkt acht en dat ter plaatse van de woning aan de Groeve WZ 26 gesproken kan worden van een planologische verslechtering. Dat is geen kenbare belangenafweging op grond waarvan de raad de gevolgen van het plan ter plaatse van de woning aan de Groeve WZ 26 aanvaardbaar acht. Een dergelijke belangenafweging mag niet ontbreken. Daarbij betrekt de Afdeling het volgende. Ter zitting is aan de hand van foto’s en kaarten van de omgeving besproken dat het recreatieve pad is voorzien op de hoger gelegen dijk langs de Groeve, die vlak langs de woning van [appellant] loopt. Vanaf de dijk is er rechtstreeks zicht op de woning en de tuin. Op grond van artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planregels is de Olinger Koloniemolen bestemd voor het behoud en het herstel van de cultuurhistorische waarden (molen) van de gronden, alsmede museum-, educatie-, en/of expositieruimte. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt wat de verwachting is ten aanzien van de intensiteit van het gebruik van de molen en het voorziene recreatieve pad, terwijl de molen naast de betreffende woning staat en het recreatieve pad langs deze woning is voorzien. Daar komt bij dat het pad onderdeel uitmaakt van recreatieve (fiets)routes in de omgeving en dus naar verwachting ook zal worden gebruikt door personen die de molen niet willen bezoeken. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb is vastgesteld, voor zover het plan het mogelijk maakt dat ter hoogte van de Groeve WZ 26 en 28 een recreatief pad kan worden aangelegd en de Olinger Koloniemolen gebruikt kan worden als museum, educatie- en/of expositieruimte."

Opdracht in de tussenuitspraak

2.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het geconstateerde gebrek in het besluit van 15 februari 2018 te herstellen. De raad diende daartoe alsnog deugdelijk te motiveren dat als gevolg van de bestemming "Water-Waterkering", die is toegekend aan de gronden ter hoogte van de Groeve WZ 26 en 28, en de bestemming "Cultuur en ontspanning", die is toegekend aan de Olinger Koloniemolen, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Groeve WZ 26 kan worden gewaarborgd.

De wijze waarop het gebrek is hersteld

3.    Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad op 13 december 2018 beslist over een nadere motivering van het besluit van 15 februari 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herziening regeling windturbines agrarische gebieden". In deze nadere motivering gaat de raad in op de gebruiksintensiteit van de Olinger Koloniemolen en het aan te leggen pad op de dijk langs de Groeve. Ook gaat de raad in op de voorheen geldende planologische regimes en het feitelijk gebruik van de dijk en de molen. In de conclusie stelt de raad dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt geschaad. Hiermee heeft de raad een nadere motivering ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit.

Zienswijze over het herstel

4.    Stichting De Groninger Poldermolens heeft in haar zienswijze naar voren gebracht de nadere motivering van de raad geheel te onderschrijven. [appellant] kan zich niet verenigen met de nadere motivering van de raad. Hierna zal de Afdeling aan de hand van de door [appellant] naar voren gebrachte zienswijze beoordelen of de raad met de nadere motivering heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak. Indien het gebrek in het besluit van 15 februari 2018 is hersteld, geeft dat aanleiding de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten.

5.    [appellant] voert aan dat de raad in de nadere motivering niet is ingegaan op zijn belangen van privacy en zijn wens om afgelegen en ongestoord te blijven wonen, zodat er geen kenbare belangenafweging heeft plaatsgevonden. Over de gebruiksintensiteit van de molen voert [appellant] aan dat de raad ten onrechte is uitgegaan van de huidige openstelling van de molen. Dit is niet vastgelegd in de planregels of in een vergunning, zodat de raad daar geen garanties over kan geven, aldus [appellant]. [appellant] vreest dat hij op 10 m van zijn woning een museum met tuin krijgt waar picknickbanken zullen worden geplaatst. Over het recreatief medegebruik van het aan te leggen pad op de dijk langs de Groeve voert [appellant] aan dat de aanleg van een dergelijk pad in het voorgaande plan niet was toegestaan. De nadere motivering is volgens [appellant] op dit punt onjuist. Verder voert hij aan dat de inschatting van het gebruik van het voorziene fietspad is gebaseerd op oude tellingen van een parallel gelegen fietspad die niet representatief zijn, omdat het tellingen zijn van het gebruik van het fietspad in één week, in één bepaalde maand, in één jaar, in september 2014. Daarnaast is de weergegeven kaart van het fietsroutenetwerk volgens [appellant] niet volledig, omdat er ook ten westen van de Groeve al een fietspad aanwezig is. Over de vergelijking van de raad met het fietspad richting het Lauwersmeer bij Zoutkamp voert [appellant] aan dat dit niet te controleren is en de tellingen daarvan ten onrechte worden vergeleken met tellingen uit 2014. Volgens [appellant] kan de Olinger Koloniemolen een toeristische trekpleister worden, zoals het Lauwersmeer dat is. Verder betoogt [appellant] dat ook al zouden er maar vijftig fietsers per dag van het fietspad gebruik maken, dan betekent dit een verslechtering omdat er nu nooit een fietser over de dijk rijdt. De raad besteedt ten onrechte geen aandacht aan deze aanmerkelijke verslechtering, aldus [appellant]. Voorts voert [appellant] aan dat uit het zijn van een rijksmonument geen uitbreidingen of beperkingen van de planologische mogelijkheden voortvloeien.

Beoordeling nadere motivering

6.    In de nadere motivering concludeert de raad dat ook in de voorheen geldende planologische situatie de aanleg en opwaardering van een pad al mogelijk was en het recreatief medegebruik onder het overgangsrecht viel. In zoverre brengt het nieuwe plan volgens de raad geen substantiële wijziging in de planologische situatie en is er ten aanzien van het recreatief medegebruik sprake van een beperkte verslechtering van het woon-en leefklimaat. Ten aanzien van de molen is er volgens de raad wel sprake van een wijziging van de voorheen geldende planologische rechten, maar niet ten opzichte van de feitelijke situatie. In de nadere motivering is de raad ervan uitgegaan dat op jaarbasis er drie vaste weekenden zijn dat de molen of op de zaterdag of op de zondag open is voor publiek. In 2017 is de molen 46 uren open geweest voor publiek verdeeld over 19 dagen. Er zijn toen 9 bezoekers in de molen geweest en in het Groninger molenweekend zijn 2 bezoekers in de molen geweest, aldus de nadere motivering. De raad verwacht niet dat de komende jaren de openingsuren van de molen zullen wijzigen. Verder stelt de raad dat de bestemming "Cultuur en ontspanning" alleen aan de molen zelf is toegekend zodat het gebruik is beperkt tot de molen zelf. Het plan brengt volgens de raad geen nieuwe planologische gevolgen met zich die niet ook voortvloeiden uit het rijksmonumentale karakter van de molen. De raad stelt in de conclusie van de nadere motivering dan ook de gevolgen voor het woon- en leefklimaat gering te achten.

    Over het aantal gebruikers van de dijk na realisatie van het fietspad concludeert de raad dat het aantal gebruikers zal toenemen ten opzichte van de huidige situatie, maar objectief gezien op een laag niveau blijft. In de nadere motivering schat de raad dat gemiddeld 50 fietsers per dag in het fietsseizoen, dat loopt van april tot en met september, van het aan te leggen pad op de dijk langs de Groeve gebruik zullen maken. Deze schatting baseert de raad op tellingen in een week in september 2014 van het aantal fietsers op een parallel aan de dijk langs de Groeve gelegen fietspad tussen de fietsknooppunten 75 en 76 en tellingen van het Routebureau Groningen in het zomerseizoen 2018 van een volgens de raad vergelijkbaar fietspad bij Zoutkamp, dat deel uitmaakt van een toeristisch fietsproduct: "het rondje Lauwersmeer". Volgens de raad geeft het Routebureau Groningen aan dat buiten het fietsseizoen het aantal fietsers substantieel minder is, namelijk maximaal een derde van het aantal fietsers in het fietsseizoen. Daarbij zal in het weekend het aantal fietsers hoger liggen dan op werkdagen, aldus de raad. De te verwachten gebruiksintensiteit van het voorziene fietspad leidt volgens de raad niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

    Verder stelt de raad in de nadere motivering het van maatschappelijk belang te achten dat een rijksmonumentale molen bereikbaar is voor publiek en dat er een aantrekkelijk padennetwerk is. Daarbij betrekt de raad dat er geen blijvend recht bestaat op uitzicht of andere waarden.

6.1.    De raad gaat in de nadere motivering weliswaar niet expliciet in op de gevolgen voor de privacy en de wens van [appellant] om afgelegen en ongestoord te wonen, maar stelt zich onder meer op basis van een schatting van het gebruik van de molen en het voorziene pad op de dijk langs de Groeve op het standpunt dat het plan een beperkte verslechtering betekent voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de beoordeling van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat in dit geval, waarbij het gaat om een afgelegen molen die alleen te voet of per fiets te bereiken zal zijn, in redelijkheid kunnen uitgaan van de huidige openstelling van de molen. Verder ziet de Afdeling in wat [appellant] aanvoert geen aanleiding om de door de raad gemaakte schatting van het gebruik van het voorziene fietspad onredelijk te achten.

    Gezien de gebruiksmogelijkheden waarin het plan voorziet, zal het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Groeve WZ 26 verslechteren en zal [appellant] in zijn privacy worden aangetast. Gelet echter op de nadere motivering heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Groeve WZ 26. De Afdeling behoeft daarom niet meer in te gaan op de vraag welk gebruik van de dijk onder het voorgaande plan was toegestaan.

6.2.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad met de nadere motivering het gebrek in het besluit van 15 februari 2018 heeft hersteld.

Conclusie

7.    Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 15 februari 2018 gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Water-Waterkering" en de bestemming "Cultuur en ontspanning" ter plaatse van de percelen aan de Groeve WZ 26 en 28 te Appingedam.

8.    De Afdeling ziet, gelet op wat hiervoor is overwogen over de nadere motivering van de raad, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 15 februari 2018, voor zover vernietigd, in stand blijven. Dit betekent dat het bestemmingsplan van kracht blijft en dat de mogelijkheden waarin het plan voorziet, kunnen worden gerealiseerd.

Proceskosten

9.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Appingedam van 15 februari 2018 tot vaststelling van het bestemmingplan "Herziening regeling windturbines Agrarische gebieden", voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Water-Waterkering" en "Cultuur en ontspanning" ter plaatse van de percelen aan de Groeve WZ 26 en 28 te Appingedam;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Appingedam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.280,00 (zegge: twaalfhonderdtachtig euro), toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Appingedam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Alderlieste

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2019

590.