Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:698

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-03-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201806590/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:9301, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2017 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/157
AB 2019/371 met annotatie van A.C. Hendriks
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806590/1/A2.

Datum uitspraak: 6 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 juni 2018 in zaak nr. 18/501 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2017 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 29 december 2017 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2019, waar [appellant] en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    Op 2 mei 2017 heeft de politie aan het CBR mededeling gedaan, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), van het vermoeden dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van de categorieën van motorrijtuigen waarvoor zijn rijbewijs is afgegeven. De mededeling is gebaseerd op een proces-verbaal terzake artikel 8 van de WVW 1994 en een proces-verbaal van bevindingen van 27 april 2017, waarin is vermeld dat bij [appellant] die dag, terwijl hij een motorrijtuig had bestuurd, een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 815 ug/l (1,875 ‰). Naar aanleiding van die mededeling heeft het CBR bij besluit van 16 mei 2017 het rijbewijs van [appellant] geschorst en hem een onderzoek naar zijn alcoholgebruik opgelegd. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 12 september 2017. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een verslag van bevindingen van keurend psychiater J.W. Gerritsen van 12 september 2017 (hierna: het onderzoeksverslag). Op basis daarvan heeft het CBR vervolgens bij het besluit van 24 oktober 2017, zoals gehandhaafd bij het besluit van 29 december 2017, het rijbewijs met toepassing van artikel 134, tweede lid, van de WVW 1994 ongeldig verklaard vanaf 31 oktober 2017.

Geschil

3.    [appellant] erkent dat hij op 27 april 2017 is aangehouden met een te hoog alcoholgehalte. Hij betwist niet dat het CBR hem terecht een onderzoek heeft opgelegd naar zijn rijgeschiktheid. Het onderzoek heeft bestaan uit een psychiatrisch onderzoek, een lichamelijk onderzoek en een laboratoriumonderzoek. Op basis van dat onderzoek heeft de keurend psychiater de diagnose van misbruik van alcohol in ruime zin gesteld. [appellant] betwist die diagnose. Hij komt in hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank dat het CBR zich op grond van het onderzoeksverslag terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij ongeschikt is voor het besturen van motorrijtuigen en aldus op goede gronden zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard. [appellant] stelt dat het onderzoeksverslag onzorgvuldig tot stand is gekomen en het CBR de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs daarop niet heeft mogen baseren. Volgens hem heeft het CBR ook onzorgvuldig gehandeld door hem de mogelijkheid te onthouden direct op het onderzoeksverslag te reageren en hem tot aan de behandeling van het beroepschrift kennisneming van het verslag van de in bezwaar gehouden hoorzitting te onthouden.

Verslag hoorzitting

4.    In artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de verplichting opgenomen om een verslag van de hoorzitting te maken. Er is voor een bestuursorgaan echter geen wettelijke verplichting om, alvorens een besluit te nemen, een conceptverslag van de hoorzitting ter goedkeuring aan de betrokkenen toe te zenden en dit verslag vervolgens vast te stellen. Evenmin is in de Awb neergelegd op welk moment het verslag aan betrokkenen dient te worden toegezonden. Van een achterhouden van het verslag, zoals [appellant] stelt, is geen sprake. Dat [appellant] het verslag niet direct van het CBR maar eerst via de rechtbank heeft gekregen, is weliswaar onzorgvuldig als juist is dat hem op de hoorzitting is gezegd dat hij het verslag binnen twee weken zou ontvangen, maar daarin is geen grond gelegen voor vernietiging van het besluit van 29 december 2017. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor in zijn processuele belangen is geschaad. Onjuistheden in het verslag vormen op zichzelf geen grond voor vernietiging van het besluit op bezwaar. [appellant] heeft deze in beroep en hoger beroep aan de orde kunnen stellen.

Inzagerecht onderzoeksverslag

5.    Het door de psychiater in opdracht van het CBR verrichte onderzoek is een handeling ter beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon, verricht in opdracht van een ander dan die persoon in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen, als bedoeld in artikel 7:446, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan betrokkene komt het in artikel 7:464, tweede lid, aanhef en onder b, van het BW vermelde inzagerecht toe. Dit recht biedt betrokkene de gelegenheid voorafgaande aan de besluitvorming het rapport in te zien en daarbij kanttekeningen te maken. Zoals de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3089, terecht heeft overwogen, moeten deze kanttekeningen door het CBR gemotiveerd worden meegewogen bij het zich ervan vergewissen, of het onderzoeksverslag op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en aan de besluitvorming ten grondslag kan worden gelegd.

5.1.    Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het CBR bij het inzagerecht in dit geval niet zorgvuldig heeft gehandeld. [appellant] stelt terecht dat in het onderzoeksverslag ten onrechte is vermeld dat hij geen gebruik maakte van zijn recht op inzage vooraf. Hij heeft geen verklaring ondertekend dat hij de keurend psychiater toestemming heeft gegeven om het onderzoeksverslag zonder meer, zonder dat hij daarin inzage heeft gehad, aan het CBR te sturen. Eerst naar aanleiding van de mededeling van de uitslag van het onderzoek bij brief van 27 september 2017, heeft [appellant] kunnen reageren. Dat heeft hij gemotiveerd gedaan bij brief van 10 oktober 2017, met als onderwerp "bezwaar". Blijkens zijn brief van 18 oktober 2017 heeft het CBR daarmee geen rekening gehouden. Door deze gang van zaken is [appellant] het recht onthouden om voorafgaand aan de besluitvorming kanttekeningen te maken bij het onderzoeksverslag. Anders dan [appellant] stelt leidt dit echter niet tot vernietiging van het besluit van 29 december 2017. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] in bezwaar zijn kanttekeningen bij het onderzoeksverslag volledig naar voren heeft kunnen brengen.

Inhoud onderzoeksverslag

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het onderzoeksverslag onzorgvuldig tot stand is gekomen en het CBR daarop niet mocht afgaan. Ten onrechte zijn daarin aannames gedaan over alcoholtolerantie en de onderzoeksarts heeft deze op niet-wetenschappelijke wijze geëxtrapoleerd. [appellant] verzoekt daarom om beoordeling van het onderzoeksverslag door een taalkundige/wetenschapper.

6.1.    Voor zover de keurend psychiater in het onderzoeksverslag onder 10, "classificatie", bij "tolerantie" heeft vermeld dat [appellant] slechts weinig effect van de alcohol voelde bij een ademalcoholgehalte van 1,875 ‰ en dat hij reed met dit promillage zonder problemen en zonder te slingeren, wat volgens de psychiater wijst op tolerantie, is dit gebaseerd op de speciële anamnese onder 3 van het onderzoeksverslag. Daarin is niet vastgesteld dat [appellant] reed zonder te slingeren - hij stelt terecht dat dit niet blijkt uit de processen-verbaal van de politie omdat er geen getuigen waren van het incident - maar daarin is opgenomen wat [appellant] zelf tijdens het onderzoek heeft verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de hiervoor vermelde uitspraak van 7 oktober 2015, terecht geoordeeld dat, voor zover [appellant] betwist dat hij de verklaringen zoals weergegeven in het onderzoeksverslag heeft afgelegd, hij dit niet aannemelijk heeft gemaakt. De enkele ontkenning van [appellant] dat hij deze verklaringen heeft afgelegd en zijn stelling dat de keurend psychiater hem verkeerd heeft begrepen, heeft de rechtbank terecht onvoldoende geacht voor het oordeel dat het CBR het besluit van 29 december 2017 niet heeft mogen baseren op het onderzoeksverslag. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen is de diagnose van de psychiater niet enkel op de geconstateerde tolerantie gebaseerd.

6.2.    De stelling dat de keurend psychiater in zijn onderzoeksverslag op niet-wetenschappelijke wijze extrapoleert, volgt de Afdeling niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de psychiater op basis van de bekende gegevens en diens deskundigheid tot een medische conclusie is gekomen. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat het verslag tegenstrijdigheden bevat wat de vraag naar aanwijzingen voor misbruik van psychotrope stoffen betreft, ziet de Afdeling die niet. Die vraag is in het verslag verschillende malen gesteld en weliswaar niet steeds op dezelfde wijze beantwoord, maar dat heeft te maken met de verschillende deelonderzoeken die in het verslag duidelijk zijn onderscheiden. [appellant] heeft na het uitbrengen van het onderzoeksverslag, ingevolge artikel 134, derde lid, van de WVW 1994 de mogelijkheid gehad bij het CBR een tweede onderzoek aan te vragen. Van die mogelijkheid, waarop hij bij brief van 27 september 2017 uitdrukkelijk is gewezen, heeft hij geen gebruik gemaakt. Zijn "open brief" aan het CBR met als datering 10 oktober 2017, waarin hij vraagt of het mogelijk is dat het CBR de beschikbare onderzoeksgegevens en het onderzoeksverslag opnieuw laat beoordelen door een specialist, bevat, daargelaten of het dan tijdig zou zijn gedaan, uitdrukkelijk geen verzoek om een tweede onderzoek als bedoeld in artikel 134, derde lid, van de WVW 1994. Na de negatieve reactie van het CBR op die brief en het besluit van 24 oktober 2017, had [appellant] ter staving van zijn stellingen over het onderzoeksverslag zelf dit verslag kunnen voorleggen aan een andere deskundige dan wel zelf met een tegenadvies kunnen komen door zich nogmaals te laten onderzoeken door een deskundige. Dat heeft hij niet gedaan. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om het onderzoeksverslag ter beoordeling voor te leggen aan een taalkundige dan wel andere wetenschapper.

6.3.    Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het CBR mocht afgaan op het onderzoeksverslag en aldus op goede gronden het rijbewijs van [appellant] ongeldig heeft verklaard.

Slotsom

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Bijloos    w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2019

18.

De bepalingen uit de WVW 1994 die op het geschil van toepassing zijn luidden ten tijde van belang als volgt:

Artikel 8

[…]

2. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht […]

[…].

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

[…].

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

[…]

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

[…].

Artikel 133

1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel c, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

[…].

Artikel 134

[…]

2. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

3. Indien het CBR voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, deelt het dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. De aan dit tweede onderzoek verbonden kosten, waarvan de hoogte door het CBR wordt vastgesteld, komen ten laste van betrokkene. […]

[…].

De bepaling uit de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 die op het geschil van toepassing is luidt als volgt:

Artikel 27

Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde [lees: tweede] lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:

[…]

b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.

De bepaling uit de Regeling eisen geschiktheid 2000 die op het geschil van toepassing is luidt als volgt:

Artikel 2

De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Deze bijlage luidt, voor zover van belang, als volgt:

Hoofdstuk 8. Psychiatrische stoornissen

8.8. Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)

Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist.

Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt.

[…].

Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

8.8.1. Het regelmatig gebruik maken van psychoactieve middelen in dusdanige hoeveelheden dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt beïnvloed, valt mede onder het begrip misbruik van psychoactieve middelen, als bedoeld in paragraaf 8.8. Paragraaf 8.8 is daarmee ook van toepassing op personen die regelmatig gebruik maken van psychoactieve middelen in zodanige hoeveelheden dat daardoor de rijvaardigheid ongunstig wordt beïnvloed.