Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201808715/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808715/1/V3.

Datum uitspraak: 28 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 oktober 2018 in zaak nr. NL18.18431 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2018 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 24 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.J.E. Hogewind, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij rechtmatig is staandegehouden en dat zijn rechtmatig verblijf in Nederland daar niet aan kan afdoen. De vreemdeling betoogt daartoe dat nu hij zich ten tijde van de staandehouding rechtmatig in Nederland bevond, er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was als bedoeld in artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).

1.1.    Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 4 oktober 2018 volgt dat de vreemdeling zich heeft gemeld bij een centraal aanmeldpunt in Ter Apel om een asielaanvraag in te dienen en vervolgens per bus tezamen met een groep vreemdelingen naar de ID-straat van de Afdeling Vreemdelingen Identificatie en Mensenhandel te Amsterdam is overgebracht. De vreemdeling is staandegehouden omdat bleek dat hij een Eurodac-treffer in Duitsland heeft, vermoedelijk een valse naam heeft opgegeven en omdat hij in het NSIS-systeem gesignaleerd staat als niet tot het Schengengebied toe te laten vreemdeling.

1.2.    De staatssecretaris heeft desgevraagd bij brief van 13 december 2018 te kennen gegeven dat de signalering in het NSIS-systeem, betreffende een nationale ongewenstverklaring wegens roof dan wel diefstal en illegaal oponthoud in Duitsland, een concreet aanknopingspunt bevat van illegaal verblijf op het grondgebied van de lidstaten indien niet evident is dat de vreemdeling sinds de registratie het grondgebied heeft verlaten. Indien echter voldoende kenbaar is dat de vreemdeling voorafgaand aan de toepassing van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, een asielaanvraag heeft ingediend, zoals hier het geval is, heeft hij volgens de staatssecretaris ingevolge die aanvraag rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. De staatssecretaris betoogt dat dit onverlet laat dat een gebrek in de procedure leidend tot de inbewaringstelling kan worden gepasseerd in geval de met de bewaring gediende belangen zwaarder wegen dan de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen van de vreemdeling. Dit is thans het geval, aldus de staatssecretaris.

1.3.    De Afdeling stelt vast dat de vreemdeling, gelet op zijn asielaanvraag in Nederland, voorafgaand aan de staandehouding rechtmatig verblijf had ingevolge artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Dat de vreemdeling in het NSIS-systeem gesignaleerd staat als niet tot het Schengengebied toe te laten vreemdeling doet, zoals de staatssecretaris ook heeft erkend, hieraan geen afbreuk. Daardoor kon, bij gebreke van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, artikel 50 van de Vw 2000 niet worden toegepast (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2992). Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staandehouding naar aanleiding van de Eurodac-treffer in Duitsland en de signalering in het NSIS-systeem rechtmatig is en dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland hieraan niet kan afdoen.

1.4.    De vraag is vervolgens of dit de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig maakt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 4 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2933, vastgesteld dat de staatssecretaris er kennelijk bewust voor heeft gekozen om na de uitspraak van 1 november 2016 de onrechtmatig geoordeelde werkwijze met betrekking tot het staandehouden, overbrengen en ophouden van rechtmatig verblijvende Dublinclaimanten voort te zetten, dat het onrechtmatige handelen door de staatssecretaris daarmee een structureel karakter heeft gekregen en in beginsel niet langer kan worden gepasseerd langs de weg van een belangenafweging. Weliswaar heeft de vreemdeling in onderhavige zaak geen rechtmatig verblijf ingevolge artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw 2000, zoals in die zaken, maar dit betekent niet dat voornoemde lijn in dit geval niet van toepassing is. De vreemdeling valt immers binnen het toepassingsbereik van de Dublinverordening, verbleef ten tijde van de staandehouding rechtmatig in Nederland en duidelijk is dat voor de staandehouding geen rechtsgrondslag in de Vw 2000 bestond. Gelet op het vorenstaande kan, anders dan de staatssecretaris betoogt, het gebrek in de staandehouding niet worden gepasseerd langs de weg van een belangenafweging. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de inbewaringstelling rechtmatig is.

De grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 4 oktober 2018 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 4 oktober 2018 tot 9 november 2018, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

3.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 oktober 2018 in zaak nr. NL18.18431;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 2.880,00 (zegge: achtentwintighonderdtachtig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. Troostwijk voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Nienhuis

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019

466-888.