Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:660

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201707984/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2017:13869, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201707984/1/V2.

Datum uitspraak: 28 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1.    de minister van Veiligheid en Justitie, thans: staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

2.    [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 september 2017 in zaak nr. 16/29073 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 19 september 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. U.H. Hansma, advocaat te Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling is geboren op [1999] en bezit de Afghaanse nationaliteit. Hij is op jonge leeftijd samen met zijn ouders en twee zussen vanuit Afghanistan naar Iran vertrokken. Nadat de vreemdeling in Iran met de Iraanse politie in aanraking was gekomen, is hij naar Nederland gegaan. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in Afghanistan problemen krijgt met de Taliban. Hierover gaat het geschil.

In het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling

2.    Wat in het incidenteel hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.1.    De rechtbank heeft daarmee terecht overwogen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk in de negatieve belangstelling van de Taliban staat wegens de eerdere problemen van zijn vader en broers met de Taliban.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

3.    De rechtbank heeft verder overwogen dat uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt dat hij gelet op zijn posttraumatische stressstoornis, zijn beneden gemiddeld intelligentieniveau, zijn sociale en psychische omstandigheden, zijn jonge leeftijd en het ontbreken van een sociaal netwerk in Afghanistan bijzonder kwetsbaar is. De rechtbank heeft verder overwogen dat er een reëel risico bestaat dat de vreemdeling zich door deze bijzondere kwetsbaarheid bij terugkeer niet kan handhaven en in het bijzonder vatbaar is voor rekrutering door de Taliban. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de vreemdeling al ruim acht jaar niet meer in Afghanistan is geweest en dat van zijn ouders niet kan worden verlangd dat zij hem begeleiden naar Afghanistan, omdat zij wegens de problemen met de Taliban in 2009 noodgedwongen Afghanistan hebben moeten verlaten. De staatssecretaris heeft onvoldoende gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in Afghanistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, aldus de rechtbank.

4.    De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte tot deze beoordeling is gekomen. Hij betoogt hierover onder meer dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling het risico dat hij zich bij terugkeer naar Afghanistan niet kan handhaven en vatbaar is voor rekrutering door de Taliban niet aannemelijk heeft gemaakt, omdat uit geen van de door de rechtbank betrokken omstandigheden, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, een dergelijke risico volgt en de vreemdeling dit ook niet nader heeft onderbouwd. De rechtbank is dan ook ten onrechte uitgegaan van de aanname dat de vreemdeling door het onder 3 genoemde samenstel van omstandigheden specifiek vatbaar is voor rekrutering door de Taliban, aldus de staatssecretaris. De staatssecretaris betoogt verder dat van de ouders van de vreemdeling, die illegaal in Iran verblijven, kan worden verlangd dat zij de vreemdeling zonodig naar Afghanistan begeleiden, omdat de rechtbank niet heeft onderkend dat het gezien het tijdsverloop niet zonder meer aannemelijk is dat zij een risico lopen wegens de problemen in 2009.

4.1.    De staatssecretaris voert terecht aan dat de rechtbank is uitgegaan van niet nader onderbouwde aannames en stellingen van de vreemdeling en daarmee niet heeft onderkend dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM wegens het onder 3 genoemde samenstel van omstandigheden. Weliswaar heeft de vreemdeling zijn sociale en psychische problemen onderbouwd, maar daarmee heeft hij nog niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in Afghanistan zich niet zal kunnen handhaven of dat hij daardoor dit risico loopt. Enige toelichting daarover en onderbouwing daarvan ontbreekt immers. De staatssecretaris voert ook terecht aan dat de rechtbank eraan is voorbij gegaan dat de vreemdeling het risico om door de Taliban te worden gerekruteerd niet met bronnen heeft onderbouwd. De vreemdeling heeft immers alleen verwezen naar een rechtbankuitspraak van 5 april 2017, die bovendien niet gaat over rekrutering door de Taliban. Daarom heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat er een reëel risico bestaat dat de vreemdeling zich bij terugkeer naar Afghanistan niet kan handhaven en bijzonder vatbaar is voor rekrutering door de Taliban. Bovendien voert de staatssecretaris terecht aan dat de rechtbank, door er van uit te gaan dat van de ouders van de vreemdeling niet kan worden verlangd dat zij hem zonodig begeleiden naar Afghanistan, niet heeft onderkend dat de vreemdeling met de enkele verwijzing naar de gehoren van zijn broers uit 2009 en 2010 niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn ouders nu een risico lopen wegens de eerdere problemen.

De grief slaagt.

Conclusie hoger beroepen

5.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Over het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 25 november 2016 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is er een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en wat in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans daarom buiten het geding.

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 september 2017 in zaak nr. 16/29073;

IV.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van de Sluis

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019

802-869.