Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:658

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
201809571/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 september 2018 heeft de raad van de gemeente Loon op Zand het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030" vastgesteld. Het plangebied bestaat uit het attractiepark van de Efteling, verblijfsaccommodaties, een golfterrein, bos- en natuurgebied en enkele (agrarische) percelen. Het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van het attractiepark in oostelijke en westelijke richting, de aanleg van een nieuwe parkeervoorziening aan de westzijde en het mogelijk maken van zogenoemd parkeren op afstand aan de oostzijde, een uitbreiding van verblijfsrecreatieve voorzieningen, een aanpassing van de golfbaan en aanpassingen van de infrastructuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809571/2/R2.

Datum uitspraak: 1 maart 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb)) in het geding tussen onder meer:

1.    [verzoeker sub 1 A] en [verzoekster sub 1 B], wonend te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker sub 1]),

2.    [verzoeker sub 2], gevestigd te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, en anderen (hierna: [verzoeker sub 2] en anderen),

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Loon op Zand,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 14 februari 2019, waar [verzoeker sub 1], bijgestaan door [gemachtigde A], en [verzoeker sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door [personen], en de raad, vertegenwoordigd door drs. L.A.F. Vorster, G. van de Vrande en ing. N.A.M.E.J. Broerx, zijn verschenen. Tevens is daar de Efteling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het plangebied bestaat blijkens paragraaf 1.2 van de plantoelichting uit het attractiepark van de Efteling, verblijfsaccommodaties, een golfterrein, bos- en natuurgebied en enkele (agrarische) percelen.

    Blijkens paragraaf 3.3 van de plantoelichting voorziet het plan in een uitbreiding, globaal bestaande uit: een uitbreiding van het attractiepark in oostelijke en westelijke richting, de aanleg van een nieuwe parkeervoorziening aan de westzijde en het mogelijk maken van zogenoemd parkeren op afstand aan de oostzijde, een uitbreiding van verblijfsrecreatieve voorzieningen, een aanpassing van de golfbaan en aanpassingen van de infrastructuur in de vorm van onder meer een verlegging van de Horst en de realisering van een nieuwe zuidelijke ontsluiting.

    Het plangebied wordt blijkens paragraaf 1.2 van de plantoelichting globaal begrensd door de Europalaan aan de noordzijde, aan de oostzijde door de Midden-Brabantweg (hierna: N261), aan de zuidzijde door het Hooispoor en de Eerste Dwarsbaan en aan de westzijde door de Dreefseweg.

2.1.    Bedoelde uitbreiding zou zich in het licht van het op 16 februari 2017 vastgestelde Masterplan Wereld van de Efteling 2030, blijkens paragraaf 1.1.1 van de plantoelichting, in een drietal fasen moeten voltrekken, te weten: de korte termijn (tot 2020), de middellange termijn (2020 tot 2025) en de lange termijn (2025 tot 2030).

3.    [verzoeker sub 1], exploitant van de camping Bernsehoeve en bewoner van de woning op het perceel [locatie 1] in Kaatsheuvel, kan zich niet verenigen met het plan. Hij betoogt dat het plan tot een aanzienlijke intensivering van het verkeer en het gebruik van de Efteling zal leiden, waardoor zijn woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering van de door hem geëxploiteerde camping negatief zal worden beïnvloed.

    Ook [verzoeker sub 2] en anderen, die wonen aan respectievelijk de [acht locaties], kunnen zich niet met het plan verenigen. Zij vrezen voor een verdere toename van de reeds bestaande verkeersoverlast op de Bernsehoef en de Heideweg, alsmede voor geluid-, licht-, en stofhinder en een aantasting van hun privacy en uitzicht. Daarnaast stellen zij dat de bedrijfsvoering van door enkelen van hen geëxploiteerde bedrijven negatief door het plan zal worden beïnvloed.

    [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen beogen met de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening en de mogelijke onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen.

4.    Ter zitting heeft de Efteling B.V. toegezegd dat - voordat door de Afdeling een uitspraak zal worden gedaan op de beroepen in de bodemprocedure - niet begonnen zal worden met de effectuering van de in het plan voorziene uitbreidingsmogelijkheden op de locaties die in het als bijlage 2 aan de planregels gehechte Beeldkwaliteitsplan Wereld van de Efteling 2030 (hierna: Beeldkwaliteitsplan) zijn aangeduid als deelgebied 8.1 Efteling Park-Oost, voor zover het betreft het zuidelijke deel daarvan, de deelgebieden 8.2 Efteling Park-West I, 8.3 Efteling Park-West II, 8.4 Verblijfsrecreatie-Eftelingsestraat West, 8.5 Verblijfsrecreatie-Bernsehoef, de gebiedsontsluitingsweg Eftelingsestraat & Horst, voor zover het betreft het verbreden en verharden van en het kappen van bomen ter plaatse van de Eftelingsestraat, de erftoegangswegen en de parkeervoorzieningen West en Oost. Het zuidelijke deel van deelgebied 8.1, Efteling Park-Oost betreft gronden in dat deelgebied waar blijkens de verbeelding van het plan bebouwing met een hoogte van maximaal 50 meter mag worden opgericht.

    Die toezegging inzake het niet effectueren van bedoelde uitbreidingsmogelijkheden houdt in dat geen aanvang zal worden gemaakt met de uitvoering van daarop gerichte werken en werkzaamheden en met het oog daarop ook geen aanvragen om omgevingsvergunningen zullen worden ingediend.

4.1.    Voorts heeft de Efteling B.V. toegezegd dat - voordat door de Afdeling een uitspraak zal worden gedaan op de beroepen in de bodemprocedure - niet de in het plan voorziene mogelijkheid van een zorgboerderij ter plaatse van het perceel aan de [locatie 2] zal worden geëffectueerd, ook in die zin dat daarvoor geen aanvragen om omgevingsvergunningen zullen worden ingediend.

4.2.    De werken en werkzaamheden met betrekking tot de aanpassingen van de in het Beeldkwaliteitsplan bedoelde gebiedsontsluitingsweg Eftelingsestraat & Horst, voor zover die zien op de verlegging van de Horst en de aanleg van een snelfietsroute, zijn reeds in uitvoering krachtens een daartoe verleende omgevingsvergunning, waarvan niet is gebleken dat deze door verzoekers is bestreden. De voorzieningenrechter is voorts niet gebleken dat verzoekers in hun beroepen ook specifiek tegen die planonderdelen bezwaren hebben aangevoerd. Dat laatste geldt naar voorlopig oordeel tevens voor de aanpassingen van de in het Beeldkwaliteitsplan bedoelde gebiedsontsluitingsweg Europalaan 8.6, voor de in het plan voorziene aanpassing van het Efteling Golfpark en voor de overige in het Beeldkwaliteitsplan aangeduide gebieden, waarvoor blijkens bladzijde 23 van het Beeldkwaliteitsplan geen zogenoemde gebiedspaspoorten zijn opgesteld.

4.3.    Waar het betreft de uitvoering van werken en werkzaamheden ter plaatse van het bestaande Eftelingpark heeft de Efteling B.V. ter zitting toegezegd dat - totdat door de Afdeling een uitspraak zal worden gedaan op de beroepen in de bodemprocedure - ter plaatse uitsluitend van de daartoe in het bestemmingsplan opgenomen mogelijkheden gebruik zal worden gemaakt, voor zover die mogelijkheden reeds bij recht of door middel van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid waren voorzien in het ter plaatse vòòr het onderhavige plan vigerende bestemmingsplan "Wereld van de Efteling" van 2013, maar daarbij wel buiten beschouwing latend eventuele in dat bestemmingsplan vervatte beperkingen met betrekking tot archeologische aspecten, voor zover die beperkingen verder gaan dan de ter zake in het plan opgenomen beperkingen. Verzoekers hebben ter zitting aangegeven daartegen geen bezwaar te hebben.

4.4.    Derhalve is de voorzieningenrechter van oordeel dat - waar het de in de onderdelen 4 t/m 4.2 bedoelde plandelen betreft - in zoverre met de verzoeken geen spoedeisend belang is gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening ter zake rechtvaardigt. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken in zoverre dan ook af.

5.    Gelet op het voorgaande ligt thans de beoordeling voor van de mogelijke gevolgen van de inwerkingtreding van het plan voor wat betreft het noordelijk deel van het in het Beeldkwaliteitsplan bedoelde deelgebied 8.1, Efteling Park-Oost - te weten: het deel van deelgebied 8.1 Efteling Park-Oost, alwaar blijkens de verbeelding van het plan bebouwing met een hoogte van maximaal 35 meter mag worden opgericht (hierna: de locatie Efteling Park-Oost/noord) - voor [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen en de beroepsgronden die zij aan hun verzoeken om een voorlopige voorziening ten grondslag hebben gelegd.

    Voor zover de Efteling B.V. betwist dat verzoekers vanwege de afstand van de locatie Efteling Park-Oost/noord tot hun percelen belanghebbenden zijn bij dat plandeel, wordt overwogen dat deze stelling niet kan worden gevolgd, reeds omdat niet kan worden uitgesloten dat de hier in het plan voorziene uitbreiding van het Eftelingpark gevolgen heeft voor de verkeersintensiteit op de wegen op de Eftelingsestraat en de Heideweg, welke wegen in de directe omgeving van de percelen van verzoekers zijn gelegen.

6.    Hetgeen [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen ten grondslag hebben gelegd aan hun verzoeken om een voorlopige voorziening heeft betrekking op een aanzienlijk aantal onderwerpen. Zij zijn in het bijzonder bevreesd voor geluidoverlast ten gevolge van de door het plan mogelijk gemaakte realisering van nieuwe attracties en de daarmee samenhangende verkeersbewegingen van de bezoekers ervan. Zij hebben in dat verband onder meer betoogd dat de voorwaardelijke verplichtingen die in de planregels zijn opgenomen onduidelijk en ontoereikend zijn.

7.    In het kader van de vaststelling van het plan heeft bureau Rho het rapport "Milieueffectrapportage Wereld van de Efteling 2030" van 12 februari 2018 (hierna: MER) opgesteld.

Hierin is onderzocht welke gevolgen voor het milieu de voorziene uitbreidingen van het Eftelingpark hebben en welke mogelijke maatregelen er zijn om de negatieve effecten daarvan te voorkomen, respectievelijk te beperken.

    In het bij de MER behorende ‘Effectrapport inrichtingslawaai’ is het aspect inrichtingslawaai - het geluid afkomstig van de met het plan mogelijk gemaakte nieuwe attracties - onderzocht.

    In de MER zijn voorts diverse varianten onderzocht ten behoeve van een goede ontsluiting van de Efteling en de bereikbaarheid van Kaatsheuvel en de regio. Op basis van een vergelijking van de alternatieven is in de MER ter zake een voorkeursalternatief bepaald.

    Dat voorkeursalternatief, ook wel de zuidelijke ontsluiting genoemd, behelst volgens paragraaf 3.6 van de plantoelichting onder meer de inzet van een tweede ontsluitende verkeersroute voor gemotoriseerd verkeer via de aansluiting Loon op Zand op de N261 voor de drukste dagen van het jaar, waarop de Europalaan het Eftelingverkeer niet kan verwerken. Het tracé van die zuidelijke ontsluitingsroute loopt grotendeels via de aansluiting Loon op Zand op de N261, de te verleggen Horst en de deels aan te passen Eftelingsestraat naar een ten westen van het Eftelingpark aan te leggen parkeerterrein.

8.    Aan de gronden op de locatie Efteling Park-Oost/noord zijn onder meer de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie" en de functieaanduidingen "specifieke vorm van recreatie-voorwaardelijke verplichting zuidelijke ontsluiting en voldoende parkeervoorzieningen" en "specifieke vorm van recreatie-voorwaardelijke verplichting geluid" toegekend.

8.1.    In artikel 10, lid 10.1, van de planregels is bepaald dat de voor "Recreatie-Dagrecreatie" aangewezen gronden bestemd zijn voor:

a. dagrecreatieve voorzieningen;

b. aan de in a genoemde functie gerelateerde voorzieningen zoals horeca;

c. verblijfsrecreatieve voorzieningen;

d. ter plaatse van de bestemmingen Recreatie - Dagrecreatie, Recreatie - Verblijfsrecreatie en Recreatie - Sport geldt dat in totaal ten hoogste 5.800 slaapplaatsen/bedden toegestaan zijn;

e. (ondersteunende) functies ten behoeve van de bestemmingen Recreatie - Dagrecreatie, Recreatie - Verblijfsrecreatie en Recreatie - Sport zoals kantoren, opslag- en tijdelijke gronddepots, parkeren, natuur(ontwikkeling), water, groen enzovoort;

f. het houden van bijen;

g. voorzieningen voor verkeer en verblijf, (onverharde) paden, (openbare) wegen en parkeervoorzieningen;

h. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en nutsvoorzieningen;

i. geluidwerende voorzieningen;

j. groenvoorzieningen;

k. behoud, herstel en/of ontwikkeling van ecologische waarden, natuurwaarden en/of landschappelijke waarden.

8.2.    Artikel 10.5 bevat blijkens de aanhef van dit hoofdstuk specifieke gebruiksregels.

8.2.1.    Artikel 10.5, lid 10.5.2, Voorwaardelijke verplichting geluid, bepaalt het volgende:

"De ingebruikname van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - voorwaardelijke verplichting geluid' is uitsluitend toegestaan indien middels een geluidsonderzoek is aangetoond dat op de beoordelingspunten, zoals opgenomen in het Onderzoek inrichtingslawaai MER en bestemmingsplan, Loon op Zand, Wereld van de Efteling 2030, Rho adviseurs, 12-02-2018, na ingebruikname wordt voldaan aan de grenswaarden in tabel 1. Eventuele noodzakelijke maatregelen dienen voorafgaand aan ingebruikname getroffen te zijn.

8.2.2.    Artikel 10.5, lid 10.5.3, Voorwaardelijke verplichting zuidelijke ontsluiting en voldoende parkeervoorzieningen, bepaalt het volgende:

"De ingebruikname van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - voorwaardelijke verplichting zuidelijke ontsluiting en voldoende parkeervoorzieningen' is uitsluitend toegestaan indien:

a. de wegen die onderdeel uitmaken van de zuidelijke ontsluiting, zoals opgenomen in het voorkeursalternatief, zodanig zijn ingericht/aangepast dat deze wegen kunnen worden gebruikt als zuidelijke ontsluiting;

b. is aangetoond dat voldoende parkeervoorzieningen aanwezig zijn".

9.    Ter zitting is gebleken dat met de woorden ingebruikname van de gronden, als opgenomen in artikel 10.5, lid 10.5.2, is bedoeld het moment van ingebruikname - openstelling voor bezoekers - van de op de betreffende gronden te realiseren nieuwe attracties.  Deze planregeling verschaft volgens de raad een dubbele waarborg. Enerzijds zal in het kader van de indiening van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van de betreffende attractie moeten worden aangetoond dat aan bedoelde grenswaarden zal worden voldaan en welke maatregelen daartoe eventueel noodzakelijk zijn, anderzijds zal datzelfde moeten gebeuren op het moment waarop de betreffende attractie voor het publiek zal worden opengesteld.

    De voorzieningenrechter wijst er op dat het woord ‘ingebruikname’ van gronden in de planregels niet is gedefinieerd. Daarvan kan ook reeds sprake zijn op het moment, waarop een aanvang wordt gemaakt met de uitvoering van werken en werkzaamheden ter realisering van de aan de gronden toegekende bestemming.

    Voorts is artikel 10.5, lid 10.5.2 geplaatst onder het kopje specifieke gebruiksregels en is het woord bouwen daarin niet opgenomen. Aldus is onduidelijk hoe daaruit kan voortvloeien dat ook in het kader van de indiening van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet worden aangetoond dat op de betrokken beoordelingspunten aan de ter zake aangegeven geluidgrenswaarden, in combinatie met ter zake eventueel noodzakelijkerwijs te treffen maatregelen, wordt voldaan.

    Voor zover met deze planregeling ook bedoeld is te regelen dat op het moment, waarop de gronden voor een in artikel 10, lid 10.1, bedoelde functie in gebruik worden genomen, ook zal moeten worden aangetoond dat daarmee in combinatie met ter zake eventueel noodzakelijkerwijs te treffen maatregelen op bedoelde beoordelingspunten wordt voldaan aan de ter zake aangegeven geluidgrenswaarden, wijst de voorzieningenrechter erop dat in de planregeling niet is aangegeven aan wie dat zal moeten worden aangetoond.

    Voorts wordt daarmee dan ook het gebruik van gronden, niet zijnde bouwen, afhankelijk gesteld van een nadere beoordeling en waarbij het ook onduidelijk is of belanghebbenden daartegen kunnen opkomen. Bovendien wordt de beoordeling van de planologische aanvaardbaarheid van de voorziene functies - waarvan de geluidsbelasting één van de daarbij aan de orde komende aspecten is - met een planregeling als de onderhavige gedeeltelijk doorgeschoven naar het moment van uitvoering van het plan. Het is de vraag of een dergelijke planregeling wel verenigbaar is met het systeem van de Wro. Deze vraag zal verder in de bodemprocedure aan de orde komen.

10.    In artikel 10.5, lid 10.5.3, is een enigszins met lid 10.5.2 vergelijkbare voorwaardelijke verplichting opgenomen, inhoudende dat de ingebruikname van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-voorwaardelijke verplichting zuidelijke ontsluiting en voldoende parkeervoorzieningen' uitsluitend is toegestaan als de wegen die onderdeel uitmaken van de zuidelijke ontsluiting, zoals opgenomen in het voorkeursalternatief, zodanig zijn ingericht/aangepast dat deze wegen kunnen worden gebruikt als zuidelijke ontsluiting, alsmede is aangetoond dat voldoende parkeervoorzieningen aanwezig zijn.

    Blijkens paragraaf 3.6 van de plantoelichting wordt de zuidelijke ontsluiting gevormd door aansluiting Loon op Zand op de N261, de te verleggen Horst en de deels aan te passen Eftelingsestraat naar een aan te leggen parkeerterrein aan de westzijde van het park.

10.1.    Blijkens het verhandelde ter zitting is ook hier met ingebruikname van de gronden bedoeld het moment van ingebruikname - openstelling voor bezoekers - van de op de betreffende gronden te realiseren nieuwe attracties.

    Volgens de raad zal in het kader van de indiening van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van de betreffende attractie moeten worden aangetoond dat aan de voorwaarden als opgenomen in artikel 10.5, lid 10.5.3, omtrent de zuidelijke ontsluiting en het voorhanden zijn van voldoende parkeervoorzieningen is voldaan, en zal datzelfde moeten worden vastgesteld op het moment waarop de betreffende attractie voor het publiek zal worden opengesteld.

    De voorzieningenrechter wijst er ook hier op dat het woord ‘ingebruikname’ van gronden in de planregels niet is gedefinieerd. Daarvan kan ook reeds sprake zijn op het moment, waarop een aanvang wordt gemaakt met de uitvoering van werken en werkzaamheden ter realisering van de aan de gronden toegekende bestemming. Die interpretatie brengt dan met zich dat in ieder geval pas een aanvang kan worden gemaakt met de uitvoering van bedoelde werken en werkzaamheden nadat de - de zuidelijke ontsluiting vormende - wegen zodanig zijn ingericht/aangepast dat deze daartoe kunnen worden aangewend. Dat laatste zal nog de nodige tijd op zich laten wachten.

    Voorts is ook artikel 10.5, lid 10.5.3, geplaatst onder het kopje specifieke gebruiksregels en is het woord bouwen daarin niet opgenomen. Aldus is onduidelijk hoe daaruit kan voortvloeien dat ook in het kader van de indiening van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet worden aangetoond dat aan de daarin vervatte voorwaarden voor wat betreft de zuidelijke ontsluiting en het voor handen zijn van voldoende parkeervoorzieningen wordt voldaan.

    Voor zover met deze planregeling ook bedoeld is te regelen dat op het moment, waarop de gronden voor een in artikel 10.5, lid 10.5.3, bedoelde functie in gebruik worden genomen, ook zal moeten worden aangetoond dat voldoende parkeervoorzieningen aanwezig zijn, wijst de voorzieningenrechter erop dat in de planregeling niet is aangegeven aan wie dat zal moeten worden aangetoond.

    Voorts wordt daarmee dan ook het gebruik van gronden, niet zijnde bouwen, afhankelijk gesteld van een nadere beoordeling en waarbij het ook onduidelijk is of belanghebbenden daartegen kunnen opkomen.

    De voorzieningenrechter overweegt voorts dat artikel 10.5, lid 10.5.3, onder b, waarin is bepaald dat voorafgaand aan de ingebruikname van de gronden moet zijn aangetoond dat voldoende parkeervoorzieningen aanwezig zijn, onvoldoende rechtszeker is, omdat in of bij de planregels niet is aangegeven in welke gevallen daarvan sprake is. Een parkeernormering - of een adequate verwijzing daarnaar - aan de hand waarvan per voorziene functie of categorieën daarvan en gerelateerd aan de omvang ervan wordt bepaald wanneer sprake is van voldoende parkeervoorzieningen, ontbreekt.

    Ook de parkeerregeling, als opgenomen in artikel 25, lid 25.4, van de planregels verschaft ter zake geen duidelijkheid, nu daarin slechts is bepaald dat een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, niet kan worden gebouwd wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein is voorzien en in stand wordt gehouden, en dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie. Daarin is ook niet aangegeven wanneer van voldoende parkeergelegenheid sprake is.

11.    De voorzieningenrechter betwijfelt dan ook of het plan reeds hierom de toets der kritiek in de bodemprocedure zal kunnen doorstaan.

12.    Gelet op het voorgaande en de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan als dit plandeel in werking treedt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen voor zover dat betreft het plandeel ter plaatse van de locatie Efteling Park-Oost/noord.  Daarbij ziet de voorzieningenrechter in de omstandigheden van dit geval, zoals ter zitting ook aan de orde is geweest, aanleiding om de behandeling van de bodemzaak te bespoedigen.

13.    De overige gronden van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen behoeven thans geen bespreking meer.

14.    De raad dient ten aanzien van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Loon op Zand van 20 september 2018, waarbij het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030" is vastgesteld, waar het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie" ter plaatse van het deelgebied 8.1 Efteling Park-Oost, dat in het als bijlage 2 bij de planregels gevoegde Beeldkwaliteitsplan Wereld van de Efteling 2030 als zodanig is aangegeven, en voor zover dat betrekking heeft op de gronden binnen dat deelgebied alwaar blijkens de verbeelding van het plan bebouwing met een bouwhoogte van maximaal 35 meter mag worden opgericht;

II.    veroordeelt de raad van de gemeente Loon op Zand tot vergoeding van de bij verzoekers in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt, voor:

- [verzoeker sub 1 A] en [verzoekster sub 1 B] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en:

- [verzoeker sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

III.    gelast dat de raad van de gemeente Loon op Zand aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [verzoeker sub 1 A] en [verzoekster sub 1 B] en € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor [verzoeker sub 2] en anderen vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Zijlstra

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2019

240.