Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:655

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201805212/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2018 in zaak nr. 17/6467.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805212/2/A3.

Datum beslissing: 27 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2018 in zaak nr. 17/6467 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2018 in zaak nr. 17/6467.

De minister heeft twee gedingstukken overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Het betreft een bijlage bij het besluit van 15 maart 2006 houdende aanwijzing van vertrouwensfuncties ten behoeve van de beveiliging van de burgerluchtvaart en een onderzoeksrapport van 28 december 2016.

Overwegingen

1.    De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. Ter motivering van zijn verzoek heeft de minister aangevoerd dat kennisneming van deze stukken door anderen dan de Afdeling ertoe zal kunnen leiden dat lopende en toekomstige onderzoeken worden gefrustreerd en daardoor de nationale veiligheid in gevaar zal komen.

    Desgevraagd heeft de minister de motivering van zijn verzoek bij brief van 20 februari 2019 nader aangevuld. Hierbij heeft hij vooropgesteld dat de beide stukken zijn gerubriceerd als Stg. Confidentieel. Ten aanzien van de bijlage bij het besluit van 15 maart 2006 heeft hij hieraan toegevoegd dat deze een actueel gegeven betreft dat relevant is voor lopende onderzoeken. Als deze informatie bij anderen dan de Afdeling bekend zou raken, kan de nationale veiligheid in gevaar komen, aldus de minister. Ten aanzien van het onderzoeksrapport heeft hij erop gewezen dat het een actueel gegeven betreft, meer specifiek een actuele werkwijze en informatie omtrent het actuele kennisniveau van de AIVD.

2.    Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

3.    De Afdeling heeft kennis genomen van de overgelegde stukken en daarbij vastgesteld dat deze de rubricering Stg. Confidentieel hebben. Gelet op het hiervoor onder 2 opgenomen toetsingskader is de enkele rubricering van een document onvoldoende voor inwilliging van het verzoek om beperking van de kennisneming zonder nadere belangenafweging. De Afdeling acht aannemelijk dat de hiervoor genoemde bijlage een actueel gegeven betreft dat relevant is voor lopende procedures en dat kennisneming door anderen dan de Afdeling de nationale veiligheid kan schaden en dat uit het onderzoeksrapport een actuele werkwijze en informatie omtrent het actuele kennisniveau van de AIVD kunnen worden afgeleid. De Afdeling is van oordeel dat het belang van beperking van de kennisneming zwaarder weegt dan het belang dat de wederpartij kennis neemt van de stukken.

4.    De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek toe.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Klein

lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019