Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:654

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201808243/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:11267, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808243/1/V1.

Datum uitspraak: 27 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 14 september 2018 in zaak nr. 17/9667 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 11 april 2017 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. N.D. Schraa, advocaat te Arnhem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling is, naar gesteld, geboren op [geboortedatum] 1988 en heeft, naar gesteld, de Eritrese nationaliteit. Hij beoogt verblijf bij referent, met wie hij stelt in Eritrea kerkelijk te zijn gehuwd. Referent is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.    De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat de vreemdeling zijn identiteit niet heeft aangetoond met officiële documenten en evenmin aannemelijk gemaakt met de door hem overgelegde onofficiële documenten, namelijk een kopie van een kerkelijke huwelijksakte en kopieën van twee Israëlische documenten, een 'conditional release' en een detentiepas. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert. De staatssecretaris is niet toegekomen aan de beoordeling van de gestelde familierelatie.

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door de vreemdeling overgelegde documenten hem geen aanleiding hebben gegeven om de vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Volgens de rechtbank had de staatssecretaris de kerkelijke huwelijksakte, die twee pasfoto's bevat, moeten aanmerken als substantieel bewijs van de gestelde familierelatie. Verder vormt de kerkelijke huwelijksakte samen met de detentiepas en de 'conditional release' volgens de rechtbank substantieel bewijs van de identiteit. De rechtbank heeft erop gewezen dat zowel op de detentiepas als op de 'conditional release' een pasfoto staat en dat de gegevens op de detentiepas, voor zover vertaald, gedeeltelijk overeenkomen met de gegevens op de 'conditional release'. 

4.    In de enige grief bestrijdt de staatssecretaris deze overweging van de rechtbank.

5.    In de uitspraak van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1508, heeft de Afdeling overwogen dat artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) niet in de weg staat aan de in die uitspraak weergegeven nieuwe vaste gedragslijn die de staatssecretaris volgt bij de beoordeling of herbeoordeling van alle op 23 november 2017 lopende nareisaanvragen. Als de staatssecretaris zo'n aanvraag afwijst, moet hij deugdelijk motiveren waarom die aanvraag, gelet op de overgelegde officiële en onofficiële documenten en afgelegde verklaringen, niet voor inwilliging in aanmerking komt.    

6.    De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de detentiepas en de 'conditional release' geen substantieel bewijs van de identiteit vormen. Hij wijst erop dat hij beperkte waarde hecht aan documenten die zijn opgesteld op basis van eigen verklaringen van een vreemdeling. Daarnaast wijst hij erop dat de namen van de vreemdeling, zoals vermeld op deze twee documenten, in grote mate afwijken van de namen zoals referent die heeft vermeld op het aanvraagformulier en ook onderling van elkaar verschillen. 

6.1.    Volgens de door referent verstrekte informatie op het aanvraagformulier heeft de vreemdeling één voornaam en twee achternamen. Op de detentiepas is de gestelde voornaam van de vreemdeling voor het grootste deel onleesbaar en is slechts een klein gedeelte van zijn gestelde eerste achternaam vermeld. De tweede achternaam van de vreemdeling komt in het geheel niet voor op de detentiepas en evenmin op de 'conditional release'.

    Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen substantieel bewijs heeft overgelegd van zijn identiteit. Daarom is de staatssecretaris niet ten onrechte niet toegekomen aan de beoordeling of de vreemdeling de gestelde familierelatie aannemelijk heeft gemaakt met de door hem overgelegde documenten en of deze documenten hem aanleiding geven om haar aanvullend onderzoek aan te bieden. De staatssecretaris heeft het besluit dus deugdelijk gemotiveerd.

    De grief slaagt.   

7.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 11 april 2017 alsnog ongegrond verklaren.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 14 september 2018 in zaak nr. 17/9667;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Keizer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019

716.