Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:653

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
201809298/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2019/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809298/1/V3.

Datum uitspraak: 27 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 14 november 2018 in zaak nr. NL18.19820 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 14 november 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.G. Brands, advocaat te Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft het asielverzoek van de vreemdeling niet in behandeling genomen, omdat volgens hem Italië krachtens de Dublinverordening (PB 2013, L 180) verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling daarvan.

2.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de vreemdeling in strijd met zijn in paragraaf C1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 neergelegde beleid geen leeftijdsonderzoek heeft aangeboden. Hij voert aan dat de vreemdeling in Italië als meerderjarige is geregistreerd en dat de rechtbank heeft miskend dat hij in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de informatie die door de autoriteiten van Italië is verstrekt. Verder voert de staatssecretaris aan dat de vreemdeling geen identificerend document heeft overgelegd ter staving van haar gestelde minderjarigheid en dat de omstandigheid dat de voogd van het Nidos in een brief heeft verklaard dat zij de vreemdeling als minderjarige inschat evenmin kan dienen als bewijs van de door haar gestelde minderjarigheid.

3.    Naar aanleiding van het onderzoek in het Eurodac-systeem heeft de staatssecretaris navraag gedaan bij de Italiaanse autoriteiten, waarbij hij heeft vernomen dat de vreemdeling bij binnenkomst in Italië onder een andere naam is geregistreerd met als geboortedatum [geboortedatum] 1998. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is de staatssecretaris er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel terecht van uitgegaan dat die registratie zorgvuldig heeft plaatsgevonden, zodat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat deze in Italië geregistreerde geboortedatum onjuist is. Hierin is zij niet geslaagd. Weliswaar wijst zij er met juistheid op dat in Italië nog twee registraties van haar bekend zijn, te weten, onder nog een andere naam met de geboortedata [geboortedatum] 1998 en [geboortedatum] 2002, maar zij heeft daarvoor geen verklaring gegeven. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling van de vreemdeling, dat zij bij aankomst in Italië heel erg ziek was en om die reden niet meer weet hoe de registratie in zijn werk is gegaan, biedt geen aanleiding om van voornoemd uitgangspunt af te wijken. Dit te meer nu de Italiaanse autoriteiten in hun op 26 september 2018 afgegeven claimakkoord uitgaan van de geregistreerde geboortedatum [geboortedatum] 1998. De vreemdeling heeft ook geen identificerende documenten overgelegd. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling overgelegde doopakte niet volstaat. De vreemdeling bestrijdt niet dat dit document niet is afgegeven door de overheid van Eritrea en niet haar pasfoto of geboorteplaats bevat (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1596). De brief van de voogd van de vreemdeling kan evenmin als bewijs dienen voor de door de vreemdeling gestelde minderjarigheid. Niet is gebleken dat de mening van de voogd dat de vreemdeling zich gedraagt als een minderjarige is gebaseerd op objectiveerbare gegevens.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris terecht heeft afgezien de vreemdeling een leeftijdsonderzoek aan te bieden.

    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

5.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het besluit van 24 oktober 2018 toetsen in het licht van de daartegen bij de rechtbank ingediende beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

6.    De vreemdeling klaagt dat de staatssecretaris gelet op het decreet dat de Italiaanse autoriteiten op 24 september 2018 hebben uitgevaardigd ten aanzien van Italië ten onrechte nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat.

7.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131, overwogen dat het decreet een aantal veranderingen in de opvang van vreemdelingen in Italië tot gevolg heeft maar er niet toe leidt dat Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. In de, niet nader toegelichte, stelling van de vreemdeling dat het decreet maakt dat er gerede twijfel bestaat of Italië haar internationaalrechtelijke verplichtingen zal nakomen, ziet de Afdeling geen aanleiding om van haar uitspraak terug te komen.

    De beroepsgrond faalt.

8.    Het beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 14 november 2018 in zaak nr. NL18.19820;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019

47.