Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:643

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
201801389/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Reedijk P+R Heinenoord" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801389/1/R3.

Datum uitspraak: 27 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en [appellante B], gevestigd te [plaats],

en

de raad van de gemeente Binnenmaas (nu: de raad van de gemeente Hoeksche Waard),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Reedijk P+R Heinenoord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante A] en [appellante B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante A] en [appellante B], en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2019, waar zijn verschenen:

-    [appellante A] en [appellante B], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en

-    de raad, vertegenwoordigd door mr. J.A.F. de Cok en L. Bos.

Tevens is ter zitting gehoord het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, vertegenwoordigd door M. Andriessen.

Overwegingen

1.    Het plan voorziet in de realisatie van een P+R-terrein ten noordwesten van het busstation "Heinenoord" aan de Reedijk te Heinenoord. Deze parkeerplaats dient ter vervanging van het P+R-terrein aan de zuidzijde van de Reedijk en wordt aangelegd door de provincie Zuid-Holland.

2.    Ten zuidwesten van het plangebied ligt de provinciale weg N217. Aan de overige zijden grenst het gebied aan agrarische gronden. Ten noorden van het plangebied ligt, op enige afstand, de A29.

3.    Beide appellanten zijn dochterondernemingen van [bedrijf] [appellante B] is eigenaar van de gronden in het plangebied en de daaraan grenzende percelen. [appellante A] wenst deze gronden te ontwikkelen tot een regionaal transferium. De twee vennootschappen komen hoofdzakelijk op tegen het bestemmingsplan omdat er volgens hen sprake is van een te kleine gebiedsontwikkeling.

Ontvankelijkheid

4.    De raad neemt het standpunt in dat het beroep van [appellante A] niet-ontvankelijk is. De raad ziet niet in welk rechtstreeks belang zij heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Volgens de raad is [appellante A] op geen enkel moment eigenaar geweest van de percelen. Dat zij op andere gronden als belanghebbende zou moeten worden aangemerkt is gesteld noch gebleken, aldus de raad.

     Ook is het beroep van [appellante B] volgens de raad niet-ontvankelijk, omdat het beroep niet steunt op een door [appellante B] ingediende zienswijze. Uit de stukken blijkt niet dat er sprake is van verschoonbare omstandigheden, aldus de raad.

4.1.    Artikel 1:2, eerste lid van de Awb luidt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

     Artikel 6:13 van de Awb luidt:

"Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld."

4.2.    De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of [appellante A] op basis van een rechtstreeks belang bij het bestreden besluit als belanghebbende moet worden aangemerkt. Daarnaast moet worden onderzocht of [appellante B] ondanks het niet indienen van een zienswijze ontvankelijk is in haar beroep.

[appellante A]

4.2.1.    De Afdeling is van oordeel dat [appellante A] in haar hoedanigheid als projectontwikkelaar slechts een afgeleid belang heeft bij het bestreden besluit. Zij heeft de betrokken percelen immers niet zelf in eigendom, maar is in concernverband belast met de ontwikkeling daarvan. Omdat haar belang niet rechtstreeks is betrokken bij het plan, is zij geen belanghebbende bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en kan zij daartegen geen beroep instellen.

     Het beroep van [appellante A] is niet-ontvankelijk.

[appellante B]

4.2.2.    [appellante B] heeft een leveringsakte overgelegd waaruit blijkt dat op 28 december 2017 aan haar de eigendom van de percelen is overgedragen. In deze akte staat dat de mondelinge koopovereenkomst eerder is gesloten, maar niet wanneer. Gelet op het verhandelde ter zitting acht de Afdeling het aannemelijk dat de mondelinge koopovereenkomst enkele weken voor de eigendomsoverdracht is gesloten. Dit is na het einde van de zienswijzetermijn op 17 juni 2017. Daarom kan het [appellante B] redelijkerwijs niet worden verweten dat zij geen zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerpplan.

     Het beroep van [appellante B] is ontvankelijk.

Geen integrale ontwikkeling

5.    Het beroep van [appellante B] is hoofdzakelijk gericht tegen de planbegrenzing. De planbegrenzing is volgens [appellante B] in strijd met een goede ruimtelijke ordening, omdat de raad ten onrechte kiest voor alleen de aanleg van een P+R- terrein en niet voor een grotere, integrale gebiedsontwikkeling. Dit is in strijd met haar belangen als grondbezitter en in strijd met de Structuurvisie Hoeksche Waard en de Structuurvisie Binnenmaas 2020, aldus [appellante B] Ze stelt dat uit de voorgenoemde Structuurvisies volgt dat het plangebied is aangewezen als onderdeel van een mogelijk regionaal transferium. Door de aanleg van alleen een P+R-terrein verliest [appellante B] naar eigen zeggen een belangrijk deel van de ontwikkelpotentie van haar percelen.

5.1.    De raad stelt dat het P+R-terrein noodzakelijk is, maar acht een grotere gebiedsontwikkeling onwenselijk. Volgens de raad moet de ontwikkeling van het P+R-terrein los worden gezien van de plannen van [appellante B], maar maakt het een het ander niet onmogelijk. Nu de raad geen andere ontwikkeling nodig acht dan de aanleg van een P+R-terrein valt volgens de raad niet in te zien dat de begrenzing van het plangebied in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

     De raad heeft ter zitting toegelicht dat uit de Structuurvisies volgt dat de locatie aantrekkelijk moet worden gemaakt voor verkeer en openbaar vervoer. Volgens de raad is een transferium geen doel op zich, maar een plaats van een knooppunt. Uit de Structuurvisies volgt niet dat er meer moet worden ontwikkeld dan alleen een P+R-terrein, aldus de raad. De raad stelt dat er voor de bestreden locatie is gekozen omdat deze plek beter aansluit bij het busstation.

5.2.    De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

5.3.    In de Structuurvisie Hoeksche Waard staat dat het bustransferium bij Heinenoord niet optimaal wordt benut, aantrekkelijker moet worden gemaakt als centraal OV-schakelpunt en kan worden uitgebreid met P+R-faciliteiten. De Afdeling leest in deze Structuurvisie niet dat is beoogd dat het P+R-terrein alleen mogelijk wordt gemaakt tezamen met een verdere ontwikkeling van de aangrenzende gronden.

     In de Structuurvisie Binnenmaas 2020 staat dat het busstation aan de Reedijk kansen biedt om uit te groeien tot een regionaal transferium. Ook kunnen hier in de toekomst volgens de Structuurvisie "bijbehorende voorzieningen" mogelijk worden gemaakt. Weliswaar blijkt hieruit dus dat het mogelijk is geacht dat er meer voorzieningen dan alleen een P+R-terrein worden gerealiseerd, maar de Afdeling leest in deze structuurvisie evenmin dat is beoogd dat alleen een P+R-terrein wordt aangelegd als tevens wordt voorzien in een meeromvattende ontwikkeling.

    Verder is van belang dat, zoals [appellante A] ter zitting ook erkend heeft, het plan de ontwikkeling van de overige gronden van [appellante A] niet onmogelijk maakt. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

     Het betoog faalt.    

Economische uitvoerbaarheid

6.    Volgens [appellante B] is de economische uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende aangetoond. Er is geen sprake  van overeenstemming over de verkoop van de gronden waarop het P+R-terrein moet komen. Daarnaast twijfelt [appellante B] aan de rechtmatigheid van de onteigeningsprocedure die door de provincie is gestart. Ze stelt dat niet vaststaat dat de onteigening doorgang vindt. Het is daarom onzeker of de provincie de percelen tijdig in eigendom zal krijgen, aldus [appellante B].

6.1.    De raad heeft toegelicht dat de provincie Zuid-Holland het P+R-terrein gaat realiseren en bereid is de daarvoor benodigde gronden te onteigenen. Daarom is er geen reden om aan de uitvoerbaarheid van het plan te twijfelen, aldus de raad.

6.2.    In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

6.3.    Anders dan [appellante B] kennelijk veronderstelt, betekent het feit dat er geen overeenstemming is over de aankoop van haar percelen niet dat de uitvoering van het plan niet mogelijk is. De provincie is immers bereid de gronden desnoods te onteigenen. De rechtmatigheid van de eventuele onteigening staat in deze procedure niet ter beoordeling. Het aangevoerde leidt dan ook niet tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode.

     Het betoog faalt.

Conclusie

7.    Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [appellante A]

8.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door [appellante A];

II.    verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Jacobs

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019

717-913.