Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:640

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
201805825/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:5411, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2016 heeft het college de lijnbusbaanontheffing van [vennoot] geschorst voor de duur van twee weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805825/1/A2.

Datum uitspraak: 27 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[vennootschap], gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 juni 2018 in zaak nr. 17/7041 in het geding tussen:

[vennootschap]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2016 heeft het college de lijnbusbaanontheffing van [vennoot] geschorst voor de duur van twee weken.

Bij besluit van 18 augustus 2017 heeft het college het door [vennootschap] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2018 heeft de rechtbank het door [vennootschap] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [vennootschap] hoger beroep ingesteld.

[vennootschap] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.A.K. Pieters, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.   [vennoot] is werkzaam als taxichauffeur en aangesloten bij een door de gemeente Amsterdam toegelaten taxiorganisatie. Hij beschikte ten tijde van belang naast een taxivergunning als bedoeld in artikel 76 van de Wet personenvervoer 2000, over een taxivergunning als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Taxiverordening Amsterdam 2012, voor het aanbieden van taxivervoer op de Amsterdamse opstapmarkt. Hij beschikte ten tijde van belang ook over een ontheffing als bedoeld in artikel 87, gelezen in samenhang met artikel 81 van het reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: Rvv 1990) om in Amsterdam over de vrije tram- en busbanen te mogen rijden (lijnbusbaanontheffing).

1.1.     Het in bezwaar gehandhaafde besluit is genomen nadat een [hoofdagent] van de politie [vennoot] op 24 februari 2016 over de lijnbusbaan/-strook vanaf het Leidseplein in de richting van de Spiegelgracht zag rijden. Deze bevinding is neergelegd in het politierapport van 25 februari 2016. Door deze gedraging heeft [vennoot] voorschrift 10 overtreden, aldus het college.

De uitspraak van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft erop gewezen dat zij alleen bevoegd is om de rechtmatigheid van de schorsing van de ontheffing voor de lijnbusbaan te beoordelen. Voor zover [vennootschap] gronden heeft aangevoerd die zijn gericht tegen de tijdelijke schorsing van de taxivergunning, laat de rechtbank deze onbesproken omdat niet zij, maar het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het CBB) bevoegd is daarover te oordelen. Ten aanzien van het betoog dat de Taxiverordening Amsterdam 2012 niet zou zijn gepubliceerd, heeft de rechtbank geoordeeld dat dit niet kan afdoen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit omdat de schorsing van de lijnbusbaanontheffing niet is gebaseerd op de Taxiverordening Amsterdam 2012 maar op artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de lijnbusbaanontheffing terecht voor twee weken is geschorst. [vennootschap] heeft de overtreding begaan en er zijn geen redenen om van handhaving af te zien. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de mededeling in het advies van de bezwaarschriftencommissie dat [vennootschap] heeft afgezien van het recht te worden gehoord. Nu [vennootschap] de brief waaruit zou blijken dat hij geen afstand heeft gedaan van het recht te worden gehoord, niet heeft overgelegd, kan de rechtbank niet beoordelen of uit die brief inderdaad blijkt dat hij alsnog wilde worden gehoord.

Het hoger beroep

3.    [vennootschap] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen de schorsing van de ontheffing voor de lijnbusbaan. Volgens [vennootschap] heeft het CBB het beroepschrift ten onrechte doorgezonden naar de rechtbank. [vennootschap] wenst dat zijn beroep in behandeling wordt genomen door het CBB.

3.1.    Artikel 8:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), eerste lid, luidt: "Het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift."

Artikel 4 van bijlage 2, Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, luidt voor zover van belang:

"Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

- Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid."

3.2.    Het besluit van 24 februari 2016 strekt tot schorsing van de lijnbusbaanontheffing van [vennootschap]. [vennootschap] stelt zich op het standpunt dat dit besluit tot rechtsgevolg heeft dat zijn taxivergunning is geschorst. Uit het besluit van 24 februari 2016 blijkt echter niet dat het besluit tevens strekt tot schorsing van zijn taxivergunning. Het college heeft ter zitting ook bevestigd dat, hoewel de raamkaart van [vennootschap] is ingenomen, geen besluit is genomen tot schorsing van zijn taxivergunning.

3.3.    Ingevolge artikel 8:6, eerste lid, van de Awb is de rechtbank bevoegd te oordelen over de tijdelijke schorsing van de lijnbusbaanontheffing. In hetgeen [vennootschap] in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank met juistheid beroepsgronden tegen de schorsing van de lijnbaanontheffing gelezen en daarover geoordeeld.

3.4.    Hetgeen [vennootschap] in hoger beroep heeft aangevoerd, richt zich niet tegen overwegingen van de rechtbank, zodat dit niet kan leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Slump

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019

343-902.