Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2019:626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
201804599/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2016 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de uitbouw op het dak van de woning aan de [locatie A] te Amsterdam (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804599/1/A1.

Datum uitspraak: 27 februari 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2018 in zaak nr. 17/4001 in het geding tussen:

[appellant]

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Nieuw-West (thans en hierna: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2016 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de uitbouw op het dak van de woning aan de [locatie A] te Amsterdam (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 30 mei 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 8 september 2017 is het college overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsom.

Bij uitspraak van 24 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. G.B. van Driel, is verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is eigenaar van de woning op het perceel. Hij heeft op het dakterras op de eerste verdieping van zijn woning een uitbouw gerealiseerd zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning. Het college heeft bij besluit van 9 oktober 2016 een last onder dwangsom opgelegd. Deze houdt in dat [appellant] de uitbouw moet verwijderen en verwijderd houden en hij, als de uitbouw op de dag na afloop van de in de last genoemde begunstigingstermijn niet is verwijderd, een dwangsom verbeurt van € 9.995,00. Het college heeft na inspectie op 5 september 2017 vastgesteld dat [appellant] niet heeft voldaan aan de last en heeft op 8 september 2017 besloten over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 9.995,00.

2.    Niet in geschil is dat [appellant] de uitbouw zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning heeft gebouwd en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

3.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie Nieuw-West van 10 mei 2017 in het besluit op bezwaar van 30 mei 2017 niet heeft vermeld uit welke maatregelen de handhaving bestaat, faalt, reeds omdat de desbetreffende passage uit genoemd advies geen betrekking heeft op de bij het besluit op bezwaar van 30 mei 2017 in stand gelaten last onder dwangsom maar op het daaraan voorafgaande voornemen tot handhavend optreden. Uit de besluiten van 9 oktober 2016 en 30 mei 2017 blijkt uit welke maatregelen de handhaving bestaat.

4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Hij betoogt dat de rechtbank bij die overweging niet zijn stelling heeft betrokken dat het standpunt van het college dat de uitbouw niet wenselijk is, subjectief is. De rechtbank is evenmin ingegaan op zijn betoog dat de uitbouw volgens hem geen afbreuk doet aan de architectonische eenheid van het ensemble waarvan de woning onderdeel uitmaakt. Verder had het college bij zijn standpunt over de architectonische eenheid dienen te motiveren welk beleid het aan zijn besluit ten grondslag heeft willen leggen. Bovendien hebben derden niet over de uitbouw geklaagd, aldus [appellant].

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in bijvoorbeeld de uitspraak van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:920 volstaat voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat, in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen. Een besluit tot weigering om gebruik te maken van deze bevoegdheid is als zodanig in deze procedure niet aan de orde, zodat de rechterlijke toetsing ter zake zeer terughoudend is.

Het college is niet bereid een omgevingsvergunning in afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Slotermeer" te verlenen, omdat - kort weergegeven - vanuit stedenbouwkundig oogpunt bezwaar bestaat tegen het bouwplan. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste omgevingsvergunning niet zal kunnen worden geweigerd. Dat derden volgens [appellant] niet over de opbouw hebben geklaagd, is voorts geen bijzondere omstandigheid die maakt dat het college dient af te zien van handhavend optreden.

Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Volgens [appellant] heeft de rechtbank nagelaten bij die overweging te betrekken dat zijn opbouw, gelet op het door het college ingenomen standpunt over de architectonische eenheid van het ensemble, qua uitstraling niet verschilt met de opbouw aan de [locatie B].

6.1.    Ook dit betoog faalt. De opbouw van [appellant] is geheel gesloten, terwijl de opbouw aan de [locatie B] een overkapping heeft. Deze opbouwen zijn derhalve niet gelijk en hebben naar het oordeel van de Afdeling daarom ook een andere uitstraling. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019

580-374.